Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:132

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
AUA201800352
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Civiel. Tussenvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 21 maart 2018

Behorend bij AUA201800352

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [Eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Land Aruba,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen.

DE PROCEDURE)

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de pleitnota van [Eiser];

- de pleitnota van Land Aruba;

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 2 maart 2018.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Met ingang van 1 januari 2014 is tussen partijen een arbeidsovereenkomst gesloten. De op 25 maart 2015 ter zake van die overeenkomst opgemaakte akte luidt, voor zover in dit geding van belang, als volgt:
Artikel 1
1. De werkgever neemt de werknemer in dienst met ingang van 1 januari 2014 bij het Bureau van de minister van Justitie, in de functie van technisch adviseur voor de duur van de regeerperiode van het Kabinet Mike Eman II, derhalve van rechtswege eindigend op de dag dat het kabinet aftreedt, zonder verplichting tot voorafgaande (schriftelijke) opzegging en/of -mededeling door de werkgever. (…)
Artikel 2
De werknemer verricht werkzaamheden behorende tot de functie van begroting coördinator bij het Bureau van de minister van Justitie.
(…)
Artikel 4
(…)
3. de vijfde afdeling van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 1615f;

2.2

In de notulen van de ministerraad van 30 juni 2017 staat:
Verzoek van MinJus d.d. 16 juni 2017 inzake benoeming van dhr. [Eiser] in tijdelijke dienst in de functie van Hoofd van Dienst Departemento di Asuntonan di Casino (DAC) met ingang van 1 juli 2017. (…)

Instemmen met de benoeming in tijdelijke dienst van dhr. [Eiser] in de functie van Hoofd van DAC met ingang van 1 juli 2017.

2.3

Op 22 september 2017 hebben algemene verkiezingen plaatsgevonden in Aruba. De regeringspartij is daarbij haar absolute meerderheid in de Staten kwijtgeraakt.

2.4

Op 17 november 2017 is het kabinet Wever-Croes I aangetreden.

2.5

Bij brief van 29 december 2017 heeft Land Aruba aan [Eiser] bericht:
Onderwerp: opzegging dienstverband
Graag uw aandacht voor het volgende.
U had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met het Land. Medewerkers die werkzaam zijn bij het bureau van de minister worden aangesteld op basis van een voor het regerende kabinet vereiste specifieke expertise en/of vanwege het vervullen van een vertrouwensfunctie.
In de vergadering van de minsterraad van 15 augustus 2017 (BE-60/17) is besloten om u een arbeidsovereenkomst aan te bieden of om u in tijdelijke dienst te benoemen.
Om een transparante transitieperiode te waarborgen zijn de rechtspositionele beslissingen die genomen zijn betreffende overheidswerknemers, die werkzaam zijn geweest bij de bureaus van de minister gedurende de regeerperiode van het Kabinet Eman II en die onlangs geplaatst zijn, aan het nieuwe kabinet voorgelegd.
Bij de arbeidsovereenkomst geldt dat zowel de werkgever als de werknemer deze tussentijds kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één (1) maand. De werkgever kan besluiten dat de specifieke expertise van de betrokken werknemer niet (meer) vereist is, en/of dat er vanwege de voormalige vertrouwensfunctie onvoldoende vertrouwensbasis is om de betrokkene in een nieuwe functie bij een dienst te benoemen, en/of dat er vanwege nieuwe (financiële) prioriteiten onvoldoende grond is om de arbeidsovereenkomst in stand te houden.
In de vergadering van de ministerraad van 6 december 2017 (BE-07/17) is door het nieuwe kabinet besloten tot intrekking van de beslissing van de ministerraad van 15 augustus 2017 (BE-60/17). Uw dienstverband wordt derhalve, met inachtneming van één maand opzegtermijn, ingaande 31 december 2017 opgezegd en definitief eindigend op 31 januari 2018.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

[Eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – Land Aruba te gelasten hem als hoofd van dienst bij de Departemento di Asuntonan di Casino te werk te stellen en loonbetaling vanaf 1 februari 2018, met veroordeling van Land Aruba tot vergoeding van de proceskosten.

3.2 [

[Eiser] grondt de vordering erop dat de beslissing om het dienstverband met [Eiser] te beëindigen geen stand kan houden.

3.3

Land Aruba voert hiertegen verweer.

4 DE BEOORDELING

4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat [Eiser] niet is benoemd als ambtenaar maar tussen partijen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bestaat of heeft bestaan. Voorts is voldoende duidelijk dat Land Aruba de bedoeling heeft gehad de arbeidsovereenkomst met [Eiser] te beëindigen middels opzegging. Dat vloeit immers voort uit de brief van 29 december 2017. Of daartoe door het bevoegd gezag bij besluit van de ministerraad van 6 december 2017 is besloten – toen werd zoals [Eiser] terecht opmerkt wel het besluit van 15 augustus 2017 ingetrokken maar niet het besluit van 30 juni 2017 – doet er in dit geding niet toe omdat voldoende duidelijk is dat Land Aruba aan de arbeidsovereenkomst een einde wil maken. Voor zover daarbij een fout in de besluitvorming werd gemaakt die kan leiden tot onbevoegdheid zoals [Eiser] aanvoert, is de rechtshandeling in dit geding zijdens Land Aruba bekrachtigd.
De stelling van Land Aruba dat sprake zou zijn van een nietige overeenkomst verdraagt zich niet met zijn handelen; een nietige overeenkomst behoeft immers geen opzegging. Het beroep op nietigheid wegens – kort gezegd – afscheidsbeleid in strijd met de openbare orde of een overeenkomst in strijd met het schriftelijkheidsvereiste van de Comptabiliteitsverordening is in strijd met de goede procesorde en blijft daarom buiten beschouwing.

4.2

Of sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst vanaf 30 juni 2017 zoals [Eiser] stelt, dan wel een nieuwe of een verlengde arbeidsovereenkomst vanaf 23 september 2017 (de dag waarop het kabinet zijn ontslag aanbood) of vanaf 31 oktober 2017 (de theoretische of administratieve einddatum zoals die op de salarisstroken voor komt) of vanaf 17 november 2017 (de dag dat het Kabinet Wever-Croes werd beëdigd) is niet relevant voor de vordering zoals die is geformuleerd door [Eiser]. In alle gevallen is Land Aruba er kennelijk vanuit gegaan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die opzegging behoeft om op 31 januari 2018 te eindigen, terwijl door [Eiser] niet gesteld wordt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzegmogelijkheid; [Eiser] stelt immers slechts dat de opzegging in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, althans onredelijk en onbillijk.

4.3

Getoetst moet dus worden of de opzegging van 29 december 2017 door de beugel kan.

4.4

Onder welke voorwaarden een duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan ten slotte op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.5

Land Aruba is bij haar (rechts)handelen gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook als op de arbeidsovereenkomst vanaf 23 september, 31 oktober of 17 november 2017 de bepalingen van de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 25 maart 2015 niet (meer) van toepassing zouden zijn en dus ingevolge artikel 7A:1613y BW de zevende titel A van boek 7A toepassing mist, komt bij de invulling van dat waartoe Land Aruba op grond van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de opzegging gehouden is, betekenis toe aan de omstandigheid dat Land Aruba zich ook op grond van de algemene norm (artikel 6:2 BW) als goed werkgever heeft te gedragen en in dat verband komt aan de vijfde afdeling van de zevende titel A van boek 7A wel enige reflexwerking toe.

4.6

De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor dat tussen [Eiser] en Land Aruba sinds 1 januari 2014 sprake is van een arbeidsrelatie. [Eiser], geboren op 27 oktober 1971, is inmiddels 46 jaar. Omtrent de kansen van [Eiser] op de arbeidsmarkt heeft Land Aruba zich niet uitgelaten. Met die omstandigheid heeft hij dus bij de belangenafweging die van hem als goed werkgever en als overheid mag worden verlangd niet kenbaar rekening gehouden. In de brief waarbij de arbeidsovereenkomst werd opgezegd heeft Land Aruba niet aangegeven waarom [Eiser] precies werd ontslagen. De brief heeft het karakter van een algemeen geformuleerde opzegging zonder dat duidelijk is of en waarom [Eiser] niet meer nodig is omdat aan zijn expertise geen behoefte meer bestaat, of en waarom hij een vertrouwensfunctie bekleedt en in hem geen vertrouwen meer bestaat en of en waarom – kort gezegd – er geen geld meer is om [Eiser] in dienst te houden en waarom precies hij dan ontslagen moet worden. De opzegging gaat bovendien niet gepaard met een aanbod tot (schade)vergoeding. Daardoor voldoet de opzegging niet aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid; zij is voorlopig oordelend onaanvaardbaar.

4.7

Dat laat onverlet dat het van algemene bekendheid is dat Land Aruba moet bezuinigen waarbij door derden, zoals bijvoorbeeld het Caft, met name en herhaaldelijk aandacht is gevraagd voor de loonkosten waarmee Land Aruba zich geconfronteerd ziet. Bovendien moet ermee rekening gehouden worden dat Land Aruba haar eigen personeelsbeleid moet kunnen voeren en de rechter dat beleid slechts terughoudend moet toetsen. Er is in dit geval geen sprake is van een nietig ontslag zoals bij opzegging van arbeidsovereenkomsten zonder toestemming van de Directeur Arbeid en Onderzoek in de private sector. De Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten is niet van toepassing op de onderhavige arbeidsverhouding en er zijn geen andere nietigheidsgronden aangevoerd. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om aan te sluiten aan het (op zichzelf mogelijk – zie rechtsoverweging 4.2, tweede volzin – niet toepasselijke) bepaalde in de artikelen 7A:1615s en 1615t BW omtrent het kennelijk onredelijk ontslag door Land Aruba te gelasten de dienstbetrekking te herstellen met bepaling dat de verplichting tot herstel vervalt als een vergoeding van Afl. 30.000, (bruto) wordt betaald1.

4.8

De zaak zal daarom voor uitlating zijdens Land Aruba worden verwezen naar de (rol)zitting van 4 april 2018. Land Aruba kan dan aangeven of hij de dienstbetrekking in kort geding herstelt of de voorkeur geeft aan betaling van de vergoeding; alles uiteraard rekening houdend met de omstandigheid dat het om een voorlopig oordeel in kort geding gaat.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verwijst de zaak naar de (rol)zitting van 4 april 2018 voor uitlating als bedoeld in rechtsoverweging 4.8;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter, en werd ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 maart 2018 door de rolrechter in aanwezigheid van de griffier.

1 afgerond gebaseerd op de kantonrechtersformule gecorrigeerd voor een maand loon tijdens de opzegtermijn