Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:128

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
447 van 2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak: Verdachte veroordeeld voor ondergronds bankieren, gewoonte witwassen, het niet verrichten van een cliëntenonderzoek en voor vuurwapenbezit. Straf: Gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 in China,

wonende op het adres [adres] in Aruba.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft inhoudelijk plaatsgevonden op 22 en 23 januari 2018. Het gerecht heeft op de terechtzitting van 23 januari 2018 beslist de zaak, voor sluiting van het onderzoek, aan te houden tot 13 februari 2018. De verdachte is bij de terechtzittingen van 22 en 23 januari 2018 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.F.K.J. Lejuez.

De officier van justitie, mr. F.A.P.M. van Deutekom, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast is een geldboete van Afl. 100.000,- gevorderd, bij niet betaling te vervangen door 1 jaar hechtenis.

Ten aanzien van een wapen met munitie en een taser heeft de officier van justitie gevorderd deze te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de inbeslaggenomen gelden, die niet door de fiscus zijn geconfisceerd, is gevorderd deze verbeurd te verklaren. de teruggave aan verdachte verzocht van een gsm iPhone scherm, een echtheidscertificaat, sieraden en verschillende bankkaarten.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd conform de door hem overgelegde pleitaantekeningen.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan de verdachte is met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen -kort gezegd- tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiebedrijf werkzaam zijn, gepleegd in de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba;

  2. primair:het medeplegen van gewoontewitwassen gepleegd in de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba en/of China;
    subsidiair: het medeplegen van schuldwitwassen, gepleegd in de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba en/of China;

  3. het medeplegen van het opzettelijk geen melding maken van de in- of uitvoer van geld ter waarde van meer dan twintigduizend florin, gepleegd in de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba;

  4. het medeplegen van het, als financiële dienstverlener, geen cliëntonderzoek verrichten, gepleegd in de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba;

  5. het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, gepleegd in de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Het gerecht is van oordeel dat de dagvaarding partieel nietig is, voor zover deze betrekking heeft op het onder feit 2, derde gedachtestreepje ten laste gelegde ‘geldelijke provisie(s). Naar het oordeel van het gerecht houdt de tenlastelegging op dit punt een onvoldoende duidelijke omschrijving in van hetgeen verdachte wordt verweten. De provisie(s) zijn niet gespecificeerd, zodat het onvoldoende duidelijk is welke gelden het betreft. De dagvaarding voldoet in zoverre niet aan de in artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gestelde eisen. De dagvaarding is voor het overige geldig.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Met de officier van justitie en de raadsman is het gerecht van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit, voor zover het gaat om het bedrag van $11.325. Uit het dossier blijkt dat voor voornoemd feit door het openbaar ministerie een transactie is aangeboden. Deze transactie is door verdachte voldaan. Een voldane transactie wegens een strafbaar feit wordt, op grond van de laatste volzin van artikel 1:149, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. Blijkens het zogenaamde ne bis in idem beginsel, neergelegd in artikel 1:143 Sr, mag een verdachte niet tweemaal voor hetzelfde feit worden vervolgd. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen andere feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2 ten aanzien van witwassen [adres onroerend goed ]

Anders dan de officier van justitie acht het gerecht het onder 2 tenlastegelegde feit niet bewezen, voor zover het betreft het witwassen van het onroerend goed te [adres onroerend goed ].

Uit gegevens van het kadaster van 16 maart 2016 blijkt dat verdachte en zijn vrouw, medeverdachte [medeverdachte 1] verschillende onroerende goederen in bezit hebben, waaronder [adres onroerend goed]. Uit documenten van de RBC Royal Bank leidt het gerecht af dat de aankoop van [adres onroerend goed] geschiedde door middel van een hypotheek van
Afl. 400.000 en twee geldbedragen van Afl. 88.990 respectievelijk Afl. 90.095,53. Het bedrag van Afl. 88.990 werd op 17 september 2015 bijgeschreven op een gezamenlijke rekening van verdachte en zijn vrouw en was afkomstig uit Eping te China. Op 11 september 2015 werd op een rekening van verdachte een geldbedrag bijgeschreven van Afl. 88.992,50, eveneens afkomstig uit Eping te China. Op 5 oktober 2015 werd een geldbedrag van in totaal $ 603.921,10 naar de notaris overgemaakt. De hypotheek werd op dezelfde dag verkegen.

Het gerecht is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat de bedragen van Afl. 88.990, resp. Afl. 88.992,50 een criminele herkomst hebben. Verdachte heeft met zijn broer in China een bedrijf, waarmee hij inkomsten genereert. Nu geen nader onderzoek is gedaan naar de herkomst van deze bedragen, kan hieraan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de herkomst van deze bedragen crimineel moet zijn.

Evenmin kan geconcludeerd worden dat de aflossing van de hypothecaire geldlening ad

Afl. 400.000,00 geschiedt met behulp van illegaal verkregen inkomen. Immers, ervan uitgaande dat verdachte en zijn echtgenote tenminste Afl. 6.500,00 per maand aan legaal inkomen gegeneren, is niet uit te sluiten dat de aflossing van de hypothecaire geldlening vanuit het legale inkomen plaats vindt.

4.2.

Vrijspraak van feit 3

Het gerecht heeft, anders dan de officier van justitie, uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit, voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het gerecht onderworpen, heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, grote geldbedragen Aruba heeft in- en/of uitgevoerd. Echter niet kan worden vastgesteld dat per persoon meer dan $ 11.000 (20.000 florin) is vervoerd. Het zogenaamde smurfen, het bewust in- en/of uitvoeren van geldbedragen onder de grens van $ 11.000 (20.000 florin), levert geen ovetreding van de meldplicht op.

4.3.

Bewijsoverwegingen

Feit 1: ondergronds bankieren

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit verzocht verdachte partieel vrij te spreken van de periode tot maart 2014. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het openbaar ministerie bij de tenlastegelege periode onterecht aansluiting heeft gezocht bij de aanvang van het onderzoek Oslo. De verdachte heeft bekend met het verrichten van de geldtransacties te zijn begonnen in maart 2014. Er is geen bewijs dat verdachte zich voor maart 2014 heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde feit, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft voorts betoogd dat de periode waarin verdachte geld naar China zond tegen betaling van een commissie, een nog kortere periode betreft. Het was – aldus de raadsman - geen lucratieve handel. Verdachte zag zijn commissie meer als een compensatie voor zijn tijd en de kosten van de door hem geleverde diensten. Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat de reden voor het verrichten van de geldtransacties is om andere Chinezen in Aruba te helpen. Mede gelet op de taalbarriere is het voor Chinezen vaak moeilijk om zelf via een bank geld te versturen.

Oordeel van het gerecht

Het is als natuurlijke persoon verboden, zonder een inschrijving in een daartoe aangelegd register van de Centrale Bank van Aruba of zonder te beschikken over de vergunning als bedoeld in de Landsverordening Toezicht Kredietwezen (artikel 2 LTG), beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uit te voeren, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam te zijn bij de totstandkoming daarvan.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting bekend dat hij geldtransacties verrichtte voor Chinezen in Aruba. Hij is hier naar eigen zeggen mee begonnen in maart 2014. Personen brachten dollars naar verdachte. Verdachte liet dat geld vervolgens door een contactpersoon van hem in China in Chinese valuta uitkeren aan degene voor wie dat geld bedoeld was. Over die transactie werd dan een bepaalde provisie berekend en in rekening gebracht, terwijl ook het wisselen naar Chinese valuta provisie opleverde. Als de contactpersoon in China geen geld meer had om uit te keren, dan ging er iemand uit de Chinese gemeenschap naar China om geld te brengen. De persoon die fysiek het geld mee naar China nam kreeg 4% provisie, verdachte kreeg 1% provisie en de contactpersoon in China die het geld uitkeerde kreeg eveneens 1% provisie. Er werd tussen de $ 10.000 en

$ 20.000 per maand naar China gestuurd. Rond drukke dagen was dit $ 50.000 tot

$ 80.000.

Getuige [getuige 1] heeft op 25 november 2015 verklaard dat hij via verdachte een bedrag van $ 20.000 heeft verstuurd naar zijn moeder in China. Hij hoefde alleen de naam en bankrekening op te geven. Het geld werd in China uitbetaald. Voor het overmaken werd

$ 1.400 betaald, $ 700 voor iedere verzonden $ 10.000.

Bovenstaande verklaringen worden ondersteund door tapgesprekken.

Uit een tapgesprek van 7 februari 2013 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (sessienummer: 489), waar gesproken wordt over twee transacties van iedere $ 500 dollar, leidt het gerecht af dat, anders dan verdachte op 3 november 2015 heeft verklaard, verdachte reeds vanaf februari 2013 geldtransacties heeft verricht.

Verdachte heeft op 4 november 2015 verklaard dat met “6” bedoeld werd 60.000 dollar. Op de vraag van de verbalisanten wat [bijnaam medeverdachte 2] (het gerecht begrijpt dat hiermee medeverdachte [medverdachte 2] wordt bedoeld) bedoelt met 1, 2 of 5, antwoordde verdachte dat 1 stuk 10.000 is, 2 stukken 20.000 en dus ieder stuk 10.000. Voorts verklaarde verdachte dat zij daarmee bedoelen Amerikaanse Dollars. Gelet op voornoemde verklaring, in combinatie met vele tapgesprekken waarin werd gesproken over dollars, gaat het gerecht ervan uit dat ten aanzien van het gesprek van 18 september 2015 waar niet expliciet over dollars werd gesproken wel 500 dollar werd bedoeld.

Verdachte heeft op 4 november 2015 verklaard dat [bijnaam medeverdachte 2] (het gerecht begrijpt medeverdachte [medeverdachte 2) in China bankrekeningen heeft met veel geld daarop. Op het moment dat verdachte geld tekort kwam in China om de ontvangers te kunnen betalen, dan kwam Kai Fon langs en maakte hij vanaf zijn Chinese bankrekening geld over naar de vriend in China. De vriend in China had dan weer geld om te kunnen uitkeren aan de ontvangers. Verdachte gaf [bijnaam medeverdachte 2] dan het geld dat hij in China had uitbetaald hier in Aruba in dollars terug. Voor iedere keer dat [bijnaam medeverdachte 2] dat voor hem deed kreeg [bijnaam medeverdachte 2] 5 a 6 % commissie. Voor de mensen die bij hem kwamen rekende verdachte 7%. Er bleef dus 1% voor verdachte over.

Hoewel het gerecht van oordeel is dat bij verschillende geldtransacties sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, acht het gerecht ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen medeplegen met medeverdachte [medeverdachte 2] niet bewezen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het gerecht niet afleiden dat medeverdachte [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij het verrichten van deze specifieke geldtransacties.

Gelet op de frequentie van de geldtransacties die werden verricht, de provisies die ermee werden verdiend is het gerecht van oordeel dat de geldtransacties bedrijfsmatig werden uitgevoerd.

Uit de stukken van het dossier is niet gebleken dat verdachte onder èèn van de uitzonderingen van artikel 2, lid 2 van de Landsverordening houdende toezicht geldtransactiebedrijf valt, zodat het verbod als geldtransactiebedrijf werkzaam te zijn hem van toepassing was.

Gelet op het voren overwogene, in onderlinge samenhang bezien, is het gerecht van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk als geldtransactiebedrijf werkzaam zijn, zoals onder 1 is ten laste gelegd.

Feit 2: gewoonte witwassen

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, gelet op de miljoenen omzet en honderduizenden gulden winst van de supermarkt van verdachte sinds de opening in 2001, het feit dat verdachte aanzienlijke bedragen voorhanden had, niet het vermoeden rechtvaardigt dat dit geld uit misdrijf afkomstig zou zijn. Verdachte beschikte over voldoende legaal verdiend geld. Het is in Aruba algemeen bekend dat veel Chinezen die hier wonen en zaken doen niet of nauwelijks gebruik maken van de diensten van een bank en veel met contant geld werken. Indien verdachte al geld verdiend heeft met het versturen van geld naar China en met het wisselen van dollars dan zijn deze verdiensten minimaal en nauwelijke de moeite waard geweest vergeleken met zijn totale legale inkomsten, waarover hij belasting betaalt.

Oordeel van het gerecht

Van witwassen is sprake wanneer iemand voorwerpen waarvan die persoon weet dat deze onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit misdrijf, verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet.

Aan verdachte is – kort gezegd en voor zover aan het oordeel van het gerecht onderworpen – ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen ten aanzien van meerdere geldbedragen en het onroerend goed [adres onroerend goed].

Beoordelingskader

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ opgenomen in de delictomschrijving van het strafbare feit van witwassen is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de betreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtsstreeks verband valt te leggen tussen de voorwerpen en een bepaald misdrijf, zoals in de onderhavige zaak, kan niettemin bewezen worden geacht dat de voorwerpen ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Uit vaste jurisprudentie ter zake van witwassen volgt dat in het geval dat het witwassen betrekking heeft op voorwerpen onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf, er dan sprake moet zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen voorwerpen gericht karakter heeft.

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het volgende overwogen en opgemerkt.

Vermoeden van witwassen

Onder verdachte en zijn vrouw, medeverdachte [medeverdachte 1] is in totaal een bedrag van Afl. 2.014.085,15 aan contant geld in beslag genomen. Het voorhanden hebben van een dergelijk groot contant bedrag en de wijze waarop het is aangetroffen, is hoogst ongebruikelijk. De omvang van het aangetroffen geld staat in geen verhouding tot de legale inkomsten van verdachte en zijn vrouw. Verdachte en zijn vrouw bezitten voorts verschillende onroerende goederen, waaronder het onroerend goed [adres onroerend goed].

Gelet op de verklaring van verdachte dat hij en zijn vrouw beiden ongeveer Afl. 4.000 per maand verdienen en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat zij
Afl. 2.500 per maand verdient, is het vermogen van verdachte en zijn vrouw slechts verklaarbaar uit het op grote schaal zonder vergunning en tegen provisies verrichten van geldtransacties en illegale wisselpraktijken. De winsten die gemaakt werden door het in rekening brengen van provisies hebben, omdat zij werden verkregen door illegale geldtransacties en het illegaal wisselen van geld en bovendien niet werden opgegeven bij de belastingdienst, een illegale herkomst.

Voornoemde feiten en omstandigheden zijn, in onderling verband en samenhang bezien, van dien aard dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van de door verdachte voorhanden hebbende geldbedragen zonder meer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze bedragen.

Verklaring van verdachte en medeverdachte [medverdachte 1]

Verdachte heeft – kort gezegd - verklaard dat hij samen met zijn vrouw gedurende langere tijd veel geld heeft gespaard met de inkomsten die zijn verdiend met de supermarkt. Namens de verdachte heeft de raadsman betoogd dat indien verdachte al geld verdiend heeft met het versturen van geld naar China en met het wisselen van dollars, deze verdiensten minimaal en nauwelijke de moeite waard zijn geweest, vergeleken met zijn totale legale inkomsten. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft – kort gezegd – verklaard dat zij niet beslist over geldzaken en niet weet hoeveel geld zij hebben.

Criminele herkomst

Het gerecht is van oordeel dat, voor zover verdachte en zijn vrouw [medeverdachte 1] hebben verklaard over hun legale inkomen, dit in geen verhouding staat tot de aangetroffen gelden. Het gerecht concludeert dan ook dat het niet anders kan dan dat de gelden geheel of gedeeltelijk een criminele herkomst hebben.

Het gerecht zal hierna de posten op de dagvaarding afzonderlijk bespreken.

Geldbedragen $ 500, $ 1.000, $ 12.000, $20.000, $ 30.000 en $ 90.000

Het gerecht heeft ten aanzien van feit 1 geconcludeerd dat verdachte opzettelijk als geldtransactiebedrijf werkzaam is geweest. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van de geldbedragen die verdachte, in het kader van voornoemd geldtransactiebedrijf, in China voor derden kon uitbetalen. Ook overigens is een aannemelijke legale herkomst niet gebleken. Naar oordeel van het gerecht kan het daarom niet anders dan dat deze geldbedragen, in ieder geval voor een deel, een criminele herkomst hebben. Het gerecht gaat ervan uit de geldbedragen voor een deel bestonden uit provisies die door verdachte (en zijn vrouw [medeverdachte 2]) werden verdiend met eerdere illegale geldtransacties en het illegaal wisselen van geldbedragen. Over die provisies werd geen belasting betaald. Gelet op het voren overwogen is het gerecht van oordeel dat de geldbedragen $ 500, $ 1.000, $ 12.000, $ 20.000, die verdachte voorhanden heeft gehad, geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijven. Verdachte heeft de criminele herkomst van deze gelden verhuld door de gelden te (her)gebruiken bij nieuwe geldtransacties, waardoor het geld werd gewisseld en overgedragen.

Geldbedrag van $ 15.000

Uit tapgesprekken en de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat zij zonder vergunning gelden wisselden voor derden en daar provisies mee verdienden. Het gerecht leidt uit een tapgesprek van 15 februari 2013 (sessienummer 772) af dat bij verdachte een bedrag van $ 15.000 is gewisseld. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van dit bedrag. Ook overigens is een aannemelijke legale herkomst niet gebleken. Het gerecht gaat ervan uit het geldbedrag voor een deel bestond uit provisies die werden verdiend met illegale geldtransacties en het illegaal wisselen van geldbedragen. Over die provisies werd door verdachte geen belasting betaald. Gelet op het voren overwogen was het geldbedrag van $ 15.000, dat verdachte voorhanden heeft gehad, geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijven. Verdachte heeft de criminele herkomst van dit geldbedrag verhuld door het geld te wisselen.

Geldbedrag van $ 32.400

In de telefoon van verdachte zijn foto’s aangetroffen van briefjes waaruit blijkt dat door verdachte leningen werden verstrekt. Op één van de briefjes is het volgende geschreven:

20 februari 2011

Ik, [getuige 2] leen van [verdachte] dertig duizend US Dollar plus overschrijvingskosten USD 2400. Totaal bedrag USD 32400.

Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van het geldbedrag van $ 32.400, dat hij heeft uitgeleend aan [getuige 2] voornoemd. Ook overigens is een aannemelijke legale herkomst niet gebleken. Naar oordeel van het gerecht kan het daarom niet anders dan dat voornoemd geldbedrag, in ieder geval voor een deel, een criminele herkomst heeft. Het gerecht gaat ervan uit het geldbedrag voor een deel bestond uit provisies die werden verdiend met illegale geldtransacties en het illegaal wisselen van geldbedragen. Over die provisies werd door verdachte geen belasting betaald. Gelet op het voren overwogene was het geldbedrag van $ 32.400, dat verdachte voorhanden heeft gehad, geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijven. Verdachte heeft de criminele herkomst van dit geldbedrag verhuld door het geld te (her)gebruiken en over te dragen door middel van het verstrekken van een lening.

Conclusie

Het gerecht is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde is bewezen, namelijk dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Gelet op de periode waarover de bewezenverklaarde witwashandelingen hebben plaatsgevonden en de frequentie waarmee dit gebeurde, is bovendien bewezen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het op dergelijke structurele wijze witwassen van geldbedragen levert naar het oordeel van het gerecht gewoontewitwassen op.

Feit 4: geen cliëntenonderzoek verrichten

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet op de hoogte was van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (hierna: LWFT) en dat voor datgene wat hij deed voor anderen, geen identifictie van de persoon noodzakelijk was.

Oordeel van het gerecht

Gelet op de frequentie en omvang van de geldtransacties, wisselpraktijken en leningen die tegen provisies werden verricht en zijn verstrekt, is het gerecht van oordeel dat verdachte en zijn vrouw bedrijfsmatig hebben gehandeld en kunnen worden aangemerkt als financiële dienstverleners in de zin van de LWFT. Verdachte heeft verklaard dat hij geen administratie bijhield van de door hem verrichtte geldtransacties en dat zijn klanten zich bij hem niet hoefden te identificeren. Tijdens controle van de administratie van verdachten zijn met betrekking tot deze financiële handelingen geen documenten aangetroffen, waaruit is gebleken dat het vereiste cliëntenonderzoek werd uitgevoerd.

Het gerecht concludeert dat het onder 4 ten laste gelegde is bewezen, namelijk dat verdachte als als financiële dienstverlener geen cliëntenonderzoek heeft verricht.

Feit 5: bezit vuurwapen

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte werd een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen. Volgens verdachte is dit vuurwapen in 1995 aangeschaft. Volgens de technische recherche betreft het een deugdelijk vuurwapen en is de aangetroffen munitie eveneens deugdelijk. Het gerecht is van oordeel dat ten aanzien van dit feit geen sprake is van medeplegen met medeverdachte [medeverdachte 1], omdat zij slechts wist dat er ooit een vuurwapen was aangeschaft door verdachte, maar zij had geen kennis van de plaats waar het verborgen lag. Aldus heeft medeverdachte [medeverdachte 1] het vuurwapen nimmer in haar beschikkingsmacht gehad.

C. Bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 4 en 5

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

1. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk als geldtransactiebedrijf werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij en/of verdachtes mededader(s) (telkens) in die periode bedrijfsmatig en tegen een vorm van betaling een (of meer) geldtransactie(s) uitgevoerd, en daartoe in het kader van (een) geldelijke overmaking(en) op verzoek van of ten behoeve van derde(n):

a. gelden of geldswaarden ter beschikking gekregen teneinde deze gelden of geldswaarden, al dan niet in dezelfde vorm, aan (een) derde(n) in het buitenland, althans elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, en/of

b. gelden of geldswaarden in Aruba betaalbaar gesteld, terwijl deze gelden of geldswaarden in het buitenland, althans elders, al dan niet in dezelfde vorm, aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) ter beschikking werden en/of zouden worden gesteld,

met dien verstande dat deze geldelijke overmakingen op zichzelf staande diensten betroffen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode:

ad a. contant in Aruba en/of op een (of meer) bankrekening(en) in het buitenland (telkens) een (of meer) geldbedrag(en) van, onder meer,

  • -

    US $ 500,- (omstreeks 7-2-2013 en/of 18-9-2015),

  • -

    US $ 1.000,- (omstreeks 22-10-2015 en/of 27-10-2015),

  • -

    US $ 12.000,- (omstreeks 30-10-2015),

  • -

    US $ 20.000,- (omstreeks 20-10-2015),

  • -

    US $ 30.000,- (omstreeks 12-9-2015),

  • -

    US $ 90.000,- (omstreeks 25-6-2015), en/of

een of meer ander(e) geldbedrag(en) ontvangen en/of doen ontvangen en elders buiten Aruba aan derden uitbetaald/betaalbaar gesteld en/of uit doen betalen/betaalbaar doen stellen; en

ad b. contant buiten Aruba en/of op een (of meer) bankrekening(en) in het buitenland (telkens) een (of meer) geldbedrag(en) van, onder meer, US $ 500,- en/of US $ 1.000,- en/of US $ 10.000,- en/of US $ 20.000,- en/of US $ 30.000,- en/of US $ 90.000,- en/of een of meer ander(e) geldbedrag(en) ontvangen en/of doen ontvangen en/of betaalbaar gekregen, en in Aruba of elders aan derden uitbetaald/betaalbaar gesteld of uit doen betalen/betaalbaar doen stellen;

2. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba en/of in China, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, van een (of meer) voorwerp(en), te weten:

  • -

    een (of meer)geldbedrag(en) van US $ 500,- en US $ 1000,- en US $ 12.000,- en US $ 15.000,- US $ 20.000,- en US $ 30.000,- en US $ 32.400,- en US $ 90.000,-, en/of

  • -

    het onroerend goed [adres onroerend goed], en/of

  • -

    geldelijke provisie(s)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, althans heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was;

en/of

dat/die voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

door toen en daar (telkens) opzettelijk:

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) voor derden te transfereren en/of te doen transfereren;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) voor derden uit te voeren en/of uit te doen voeren zonder daarvoor de vereiste melding bij de autoriteiten te maken en/of te doen maken;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en), althans gelden, verkregen uit ondergronds bankieren, te (her)gebruiken en/of te doen (her)gebruiken voor het verrichten van financiële transacties, al dan niet voor derden;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te wisselen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) uit te lenen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te verpakken in sigarendozen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te verpakken in rookwaarverpakking voor shagtabak;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en), althans gelden, te investeren en/of te doen investeren in onroerend goed [adres onroerend goed];

terwijl hij en zijn mededader wist/wisten dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) en provisie(s) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

van welk witwassen hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) aldus een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

4. dat hij, als financiële dienstverlener, in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk;

a. geen cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 3 van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering heeft verricht bij:

- het verstrekken van leningen;

- het in of vanuit Aruba verrichten van een of meer wisseltransactie(s);

- het in of vanuit Aruba verrichten van een of meer geldtransactie(s) als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven;

- aanwijzingen dat verdachtes cliënt(en) of die van zijn mededader(s) betrokken is/zijn geweest bij witwassen;

b. geen gegevens en inlichtingen heeft vastgelegd als bedoeld in het Landsbesluit regeling geldelijke overmakingen (AB 2011 no. 30) van degenen die gelden of geldswaarden in het kader van (een) geldelijke overmaking(en) aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) ter beschikking hebben gesteld en van de begunstigden van die transactie(s).

5. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van het merk Rossi, kaliber .38, en een of meer patronen van kaliber .38 (SPL) voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voor zover in de telastlegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Op 15 februari 2014 is een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba (AB 2012 no. 24, gewijzigd bij AB 2014 no. 11) in werking getreden. Bij de invoering is niet voorzien in overgangsrechtelijke bepalingen, zodat de daarin neergelegde voorschriften onmiddellijk van toepassing zijn geworden. Voor zover de in de tenlastelegging beschreven feiten zijn begaan vóór deze datum, geldt evenwel het navolgende.

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van dit wetboek is geen feit strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. In het tweede lid van dit artikel is voorts bepaald dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Deze artikelleden, in onderlinge samenhang bezien, brengen mee dat, voor zover de bepalingen van dit wetboek omtrent de strafwaardigheid van een delict of de zwaarte van de daarop bedreigde sanctie niet gunstiger zijn dan die, welke golden ten tijde van het tijdstip of de periode waarop de aan de verdachte verweten feiten volgens de tenlastelegging zijn gepleegd, de op dat moment geldende bepalingen dienen te worden toegepast. Indien zich naar het oordeel van het gerecht een dergelijk geval voordoet zal dit in dit vonnis, voor zover relevant en niet uitdrukkelijk nader gemotiveerd, tot uitdrukking komen in de kwalificatiebeslissing en de vermelding van de bij de oplegging van een straf of maatregel toegepaste wettelijke voorschriften.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met het verbod als bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven, strafbaar gesteld bij artikel 29 van deze Landsverordening en art. 1:123 van het Wetboek van Strafrecht;

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

gewoontewitwassen, strafbaar gesteld bij de artikelen 2:404, 2:405 en art. 1:123 van het Wetboek van Strafrecht;

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met de artiklen 3 en 6, eerste lid, van de Landsverordening bestrijding witwassen en terrorismefinanciering, strafbaar gesteld in artikel 56 van deze Landsverordening;

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening, meermalen gepleegd.

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf en maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het gerecht heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren. Daarbij zijn grote contante bedragen ontvangen en uitgekeerd aan derden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Bankieren zonder vergunning en witwassen vormen een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft mede gelet op de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft bij het verrichten van geldtransacties, het wissel van gelden en het verstrekken van leningen nagelaten cliëntenonderzoek te verrichten, hetgeen eveneens een strafbaar feit oplevert. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vuurwapenbezit. Het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen en munitie kan gevaarlijke situaties met zich mee brengen en behoort tot een categorie feiten die een ernstig inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Het gerecht houdt er rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verder houdt het gerecht er rekening mee dat de bewezenverklaarde feiten alweer enige tijd geleden heeft plaatsgevonden.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur. Het gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen.

Gelet op bovenstaande heft het gerecht de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op. De borgsom van AWG 50.000,-, die door of namens de verdachte als zekerheid voor de nakoming van de aan de schorsing van de gevangenhouding verbonden voorwaarden is gestort, dient te worden teruggegeven aan degene die deze zekerheid heeft gesteld.

9 Inbeslaggenomen voorwerpen

A. Onttrekking aan het verkeer

Het in beslag genomen vuurwapen met munitie wordt onttrokken aan het verkeer, omdat het onder 5 bewezenverklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De in beslag genomen taser wordt eveneens onttrokken aan het verkeer. Dit is een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

B. Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen gelden worden, voor zo ver er gelden resteren na confiscatie door de fiscus, verbeurdverklaard omdat die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de onder 1 en/of 2 bewezenverklaarde feit(en) zijn verkregen dan wel tot het begaan van de misdrijven zijn bestemd.

C. Teruggave

Ten aanzien van de in beslag genomen sieraden wordt de teruggave gelast aan de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], nu deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:19, 1:20, 1:62, 1:68, 1:74, 1:75, 1:76,1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

Het gerecht:

11.1

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

11.2

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

11.3

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

11.4

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

11.5

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

11.6

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden;

11.7

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

11.8

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op drie (3) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt

11.9

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

11.10

beveelt dat de borgsom van AWG 50.000,-, die door of namens de verdachte als zekerheid voor de nakoming van de aan de schorsing van de gevangenhouding verbonden voorwaarden is gestort, wordt teruggegeven aan degene die deze zekerheid heeft gesteld

11.11

onttrekt aan het verkeer de in rubriek 9A genoemde voorwerpen;

11.12

verklaart verbeurd de in rubriek 9B genoemde voorwerpen;

11.13

aan de verdachte van de in rubriek 9C genoemde voorwerpen;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.M. Vanwersch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 6 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Strafzaak: Verdachte veroordeeld voor ondergronds bankieren, gewoonte witwassen, het niet verrichten van een cliëntenonderzoek en voor vuurwapenbezit. Straf: Gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

BIJLAGE 1: TENLASTELEGGING

Verdachte wordt ten laste gelegd:

1. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk als geldtransactiebedrijf werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij en/of verdachtes mededader(s) (telkens) in die periode bedrijfsmatig en tegen een vorm van betaling een (of meer) geldtransactie(s) uitgevoerd, en daartoe in het kader van (een) geldelijke overmaking(en) op verzoek van of ten behoeve van derde(n):

c. gelden of geldswaarden ter beschikking gekregen teneinde deze gelden of geldswaarden, al dan niet in dezelfde vorm, aan (een) derde(n) in het buitenland, althans elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, en/of

d. gelden of geldswaarden in Aruba betaalbaar gesteld, terwijl deze gelden of geldswaarden in het buitenland, althans elders, al dan niet in dezelfde vorm, aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) ter beschikking werden en/of zouden worden gesteld,

met dien verstande dat deze geldelijke overmakingen op zichzelf staande

diensten betroffen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

ad a. contant in Aruba en/of op een (of meer) bankrekening(en) in het buitenland (telkens) een of meer geldbedrag(en) van, onder meer, US $ 500,- en/of US $ 1.000,- en/of US $ 10.000,- en/of US $ 20.000,- en/of US $ 30.000,- en/of US $ 90.000,- en/of een of meer ander(e) geldbedrag(en) ontvangen en/of doen ontvangen en elders buiten Aruba aan derden uitbetaald/betaalbaar gesteld en/of uit doen betalen/betaalbaar doen stellen; en

ad b. contant buiten Aruba en/of op een (of meer) bankrekening(en) in het buitenland (telkens) een (of meer) geldbedrag(en) van, onder meer, US $ 500,- en/of US $ 1.000,- en/of US $ 10.000,- en/of US $ 20.000,- en/of US $ 30.000,- en/of US $ 90.000,- en/of een of meer ander(e) geldbedrag(en) ontvangen en/of doen ontvangen en/of betaalbaar gekregen, en in Aruba of elders aan derden uitbetaald/betaalbaar gesteld of uit doen betalen/betaalbaar doen stellen;

(artikel 2 jo. 29 van de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven)

2. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba en/of in China, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

a. van een (of meer) voorwerp(en), te weten een (of meer) geldbedrag(en) en/of het onroerend goed [adres onroerend goed], de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, althans heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was, terwijl hij wist dat voormeld(e) geldbedrag(en) en voormeld onroerend goed - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

een (of meer) geldbedrag(en) van, onder meer, $ 15.000,- en/of $ 32.400,- en/of geldelijke provisies en/of het onroerend goed [adres onroerend goed] heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat voormeld(e) geldbedrag(en) en provisies en voormeld onroerend goed - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) daarbij van dat plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

door toen en daar (telkens) opzettelijk:

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) voor derden te transfereren en/of te doen transfereren;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) voor derden uit te voeren en/of uit te doen voeren zonder daarvoor de vereiste melding bij de autoriteiten te maken en/of te doen maken;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en), althans gelden, verkregen uit ondergronds bankieren, te (her)gebruiken en/of te doen (her)gebruiken voor het verrichten van financiële transacties, al dan niet voor derden;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te wisselen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) uit te lenen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te verpakken in sigarendozen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te verpakken in rookwaarverpakking voor shagtabak;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en), althans gelden, te investeren en/of te doen investeren in onroerend goed [adres onroerend goed];

(art. 430b en 430c. (oud) en 2:404 en 2:205. (nieuw) WvSr)

althans indien voor het voorgaande geen veroordeling kan volgen:

dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba en/of in China, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

a. van een (of meer) voorwerp(en), te weten een (of meer) geldbedrag(en) en/of het onroerend goed [adres onroerend goed], de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, althans heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was, terwijl hij redelijkerwijze moest vermoeden dat voormeld(e) geldbedrag(en) en voormeld onroerend goed - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

b. een (of meer) geldbedrag(en) van, onder meer, $ 15.000,- en/of $ 32.400,- en/of geldelijke provisies en/of het onroerend goed [adres onroerend goed] heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij redelijkerwijze moest vermoeden dat voormeld(e) geldbedrag(en) en provisies en voormeld onroerend goed - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

door toen en daar (telkens):

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) voor derden te transfereren en/of te doen transfereren;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) voor derden uit te voeren en/of uit te doen voeren zonder daarvoor de vereiste melding bij de autoriteiten te maken en/of te doen maken;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en), althans gelden, verkregen uit ondergronds bankieren, te (her)gebruiken en/of te doen (her)gebruiken voor het verrichten van financiële transacties, al dan niet voor derden;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te wisselen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) uit te lenen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te verpakken in sigarendozen;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en) te verpakken in rookwaarverpakking voor shagtabak;

  • -

    een (of meer) geldbedrag(en), althans gelden, te investeren en/of te doen investeren in onroerend goed [adres onroerend goed].

(art. 430d (oud) en 2:406. (nieuw) WvSr)

3. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk geen melding heeft gemaakt van de invoer of uitvoer van geld als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, van de Landsverordening tot regeling van een meldplicht bij de in- of uitvoer van geld (AB 2000 no. 27), immers heeft/hebben hij, verdachte en of verdachtes mededader(s), een (of meer) contante bedrag(en) van (ongeveer) US $ 11.325,- en/of US $ 20.000,- en/of US $ 30.000,- en/of US $ 40.000,- en/of US $60.000,- en/of een (of meer) ander(e) geldbedrag(en) uitgevoerd en/of doen uitvoeren en/of ingevoerd en/of doen invoeren, (telkens) zonder daarvan schriftelijk melding te maken zoals verplicht gesteld in voornoemde landsverordening;

(artikel 2 jo. 7 van de Landsverordening meldplicht in- en uitvoer contant

geld)

4. dat hij, als financiële dienstverlener, in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk;

c. geen cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 3 van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering heeft verricht bij:

- het verstrekken van leningen;

- het in of vanuit Aruba verrichten van een of meer wisseltransactie(s);

- het in of vanuit Aruba verrichten van een of meer geldtransactie(s) als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven;

- aanwijzingen dat verdachtes cliënt(en) of die van zijn mededader(s) betrokken is/zijn geweest bij witwassen;

d. geen gegevens en inlichtingen heeft vastgelegd als bedoeld in het Landsbesluit regeling geldelijke overmakingen (AB 2011 no. 30) van degenen die gelden of geldswaarden in het kader van (een) geldelijke overmaking(en) aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) ter beschikking hebben gesteld en van de begunstigden van die transactie(s).

(artikel 56 jo. 6, eerste en vierde lid, van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering)

5. dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van het merk Rossi, kaliber .38, en een of meer patronen van kaliber .38 (SPL) voorhanden heeft gehad.

(artikel 3 jo. 11 van de Vuurwapenverordening)