Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:108

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
Aua201701349
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) - Het gerecht oordeelt dat deze brief, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, gegeven de bewoordingen daarvan, geen beslissing op het verzoek van appellanten behelst waarbij het verzoek wordt toegewezen of afgewezen maar een feitelijke mededeling is. - De vaststelling dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog geen reële beslissing op het bezwaar is genomen en de omstandigheid dat geen verweer door verweerder is gevoerd, maken dat de ongemotiveerde, als afwijzende beslissing op het bezwaar geldende, beschikking kennelijk niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 5 maart 2018

Aua201701349

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

1. appellant 1

2. appellante 2,

wonend in Aruba,

APPELLANTEN,

procederend in persoon,

gericht tegen:

de Minister van Justitie en Verslavingszorg,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER.

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij schrijven van 4 oktober 2016 en daarna op 17 oktober 2016 hebben appellanten aan verweerder verzocht om op grond van onder andere de Hinderverordening handhavend op te treden met betrekking tot het storten door de raffinaderij van asbesthoudend afval in de nabije omgeving van hun woning.

Op 23 januari 2017 hebben appellanten bezwaar aangetekend tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar hebben appellanten op 4 juli 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2017 waar appellanten in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Over de ontvankelijkheid van het beroep overweegt het gerecht als volgt.

2.1.1

Appellanten hebben bij brief van 4 oktober 2017 aan verweerder verzocht om ingevolge de Hinderverordening (artikel 14) handhavend op te treden. Bij brief van 17 oktober 2016 hebben ze dit verzoek herhaald. Daarbij hebben zij gewezen Veiligheidsverordening (artikel 2) op basis waarvan, aldus appellanten, verweerder de bevoegdheid heeft om de werkzaamheden direct te doen staken. Het verzoek aan verweerder op handhavend op te treden moet worden aangemerkt als een verzoek om een beschikking in de zin van artikel 2 van de Lar. Het gerecht oordeelt dat de tweede brief gelet op de inhoud en strekking ervan moet worden aangemerkt als een aanvulling op het eerste verzoek.

2.1.2

Verweerder heeft bij schrijven van 6 december 2016 als volgt gereageerd:

(…)

“Naar aanleiding van uw brief d.d. 17 oktober 2016 inzake ‘verzoek besluit om de asbestopruimwerkzaamheden op het terrein van de raffinaderij (…), onverwijld te doen staken’ bericht ik u dat ik het advies heb ingewonnen van de directeur van de Dienst Technische Inspecties.

Bij brief van 24 november 2016 informeert de directeur van de Dienst Technische Inspecties mij dat het asbest volgens internationale normen wordt opgeruimd. De directeur geeft aan dat de communicatie naar de buurtbewoners over de voorgenomen werkzaamheden, de vorderingen ter zake en het rekening houden met de zorgen van buurtbewoners onvoldoende aandacht heeft gekregen. Er zijn echter de benodigde voorzorgsmaatregelen getroffen om de bescherming van de buurt te garanderen.

Hopende u hiermee afdoende te hebben geïnformeerd.(…)”

2.1.3

Het gerecht oordeelt dat deze brief, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, gegeven de bewoordingen daarvan, geen beslissing op het verzoek van appellanten behelst waarbij het verzoek wordt toegewezen of afgewezen maar een feitelijke mededeling is. Het gerecht neemt daarbij in aanmerking dat in dit schrijven niet wordt ingegaan op de door appellanten aangevoerde gronden.

2.1.4

Ingevolge het tweede lid van artikel 9 van de Lar wordt het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van een zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, gelijkgesteld met een afwijzende beschikking. Tegen een als afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking, kan binnen de in artikel 11, tweede lid van de Lar gestelde termijn bezwaar worden gemaakt.

2.1.5

Appellanten hebben op 23 januari 2017 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op hun verzoek. Het gerecht oordeelt dat appellanten hiermee tijdig bezwaar hebben gemaakt. Het gerecht oordeelt voorts dat appellanten gelet op de termijn genoemd in artikel 27 tweede lid van de LAR, in samenhang met de artikelen 15 onderdeel a, 19, eerste lid en 20 eerst lid van de LAR tijdig in beroep zijn gekomen tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaarschrift.

2.2

Het beroep strekt ertoe de fictieve beslissing op het bezwaar te vernietigen en te bepalen dat verweerder een reële beslissing zal nemen op het bezwaarschrift, met veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure.

2.3

Ingevolge artikel 32, aanhef en onder c, van de Lar kan het gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien de beslissing waartegen het beroep is gericht, kennelijk niet in stand kan blijven. De vaststelling dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog geen reële beslissing op het bezwaar is genomen en de omstandigheid dat geen verweer door verweerder is gevoerd, maken dat de ongemotiveerde, als afwijzende beslissing op het bezwaar geldende, beschikking kennelijk niet in stand kan blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerder dient binnen drie maanden na deze uitspraak een reële beslissing te nemen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden fictieve afwijzende beschikking op het bezwaar van appellanten;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellanten;

  • -

    gelast dat het door appellanten gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan hen wordt terugbetaald.

Deze beslissing werd gegeven door mr. D.J. Jansen rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 5 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).