Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:103

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
AUA201702178
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellante is zonder een geldige verblijfstitel in Aruba gebleven. Het uitlandigheidsvereiste in het beleid van verweerder strekt ertoe te voorkomen dat de minister voordat deze kan beoordelen of een vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, door diens aanwezigheid hier te lande voor voldongen feiten wordt geplaatst. Aanvragen van vreemdelingen voor eerste toelating tot Aruba dienen daarom in principe in het buitenland te worden afgewacht. Verweerder heeft gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid opgenomen in artikel 9, eerste lid, sub d van de Ltuv om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf af te wijzen, indien de betrokkene tijdens een vorig verblijf in Aruba de periode waarvoor men was toegelaten heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 februari 2018

AUA201702178

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellante],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. G.M.N. Maduro (DIMAS).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 26 februari 2016 van verweerder is het verzoek van appellante van 13 november 2015 tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om alhier onder garantie van haar stiefvader te verblijven geweigerd.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 7 april 2016 een bezwaarschrift ingediend.

Bij beschikking op bezwaar van 30 november 2016 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 4 september 2017 beroep bij dit gerecht ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 januari 2018, alwaar partijen bij hun gemachtigden voornoemd zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

2.1

Ingevolgde artikel 27 lid 1 Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) dient een beroepschrift binnen zes weken na dagtekening van de beschikking op bezwaar te zijn ingediend.

Ingevolge artikel 28, derde lid, van de LAR blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

2.2

De beslissing op bezwaar is gedagtekend op 30 november 2016. Uit het voorgaande volgt dat de beroepstermijn (6 weken) is ingegaan op 1 december 2016. Het beroepschrift is op 4 september 2017, derhalve te laat ingediend. Het gerecht is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, zodat met toepassing van artikel 28, derde lid, van de Lar niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Immers appellante heeft onbetwist aangevoerd dat zij pas op de hoorzitting van 21 augustus 2017 in de Lar-zaak nr. AUA201601447 kennis heeft kunnen nemen van de beslissing op bezwaar van 30 november 2016 en daartegen zo spoedig mogelijk (op 4 september 2017) beroep heeft ingesteld. Uit het verhandelde ter zitting en de gedingstukken leidt het gerecht af dat het niet aan appellante te wijten is dat zij pas op 21 augustus 2017 kennis heeft genomen van de bestreden beschikking. Nu appellante het beroepschrift binnen twee weken nadat zij de bestreden beslissing had ontvangen heeft ingediend, is het gerecht van oordeel dat zij dit zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden heeft gedaan. De termijnoverschrijding is verschoonbaar. Het beroep is ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.3

Ingevolge artikel 9, eerste lid van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (Ltuv) kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd:

a. in verband met de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de arbeidsmarkt wordt gerekend te behoren;

b. indien niet kan worden aangetoond dat de betrokkene over voldoende middelen van bestaan zal beschikken;

c. indien de betrokkene is uitgezet of verwijderd en de in het desbetreffende bevel genoemde termijn van het verbod tot toelating tot Aruba nog niet verstreken is;

d. indien de betrokkene tijdens een vorig verblijf in Aruba de periode waarvoor men toegelaten was, heeft overschreden.

2.4

Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante haar toegestane verblijfsduur sinds 22 augustus 2014 heeft overschredenen de beslissing op haar verzoek, zijnde haar eerste verzoek om een verblijfsvergunning, in het buitenland moest afwachten.

2.5

Appellante betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij, conform het beleid van 1 november 2015, haar verzoek om haar eerste verblijfsvergunning in het buitenland moest afwachten. Vreemdelingen konden tot 30 oktober 2015 in Aruba hun eerste verzoek indienen en afwachten, aldus appellante. Zij had bovendien voor 1 november 2015 al een afspraak met de Dimas voor indiening van het verzoekschrift.

2.6

Niet in geschil is dat appellante op 24 mei 2014 voor een vakantieverblijf van maximaal 90 dagen tot Aruba is toegelaten en dat appellante sedertdien, en dus na de toegestane verblijfsduur zonder een geldige verblijfstitel, in Aruba is gebleven. Het uitlandigheidsvereiste in het beleid van verweerder van 1 november 2015 strekt ertoe te voorkomen dat de minister voordat deze kan beoordelen of een vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, door diens aanwezigheid hier te lande voor voldongen feiten wordt geplaatst. Aanvragen van vreemdelingen voor eerste toelating tot Aruba dienen daarom in principe in het buitenland te worden afgewacht. Noch de aanvraag van appellante van 13 november 2015tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf noch het bezwaarschrift van 7 april 2017 hebben ertoe geleid dat verweerder over is gegaan tot afgifte van een vergunning tot tijdelijk verblijf aan appellante. Appellante is derhalve sinds 22 augustus 2014 zonder een geldige titel in Aruba. De door appellante aangevoerde omstandigheden kunnen reeds om die reden niet tot het oordeel leiden dat verweerder ten onrechte het bezwaar van appellante van 7 april 2016 ongegrond heeft verklaard. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan verweerder in redelijkheid tot een ander oordeel zou moeten komen. Het enkele feit dat de betreffende minister thans na de beschikking op bezwaar (op verzoek van appellante) aan appellante toestemming heeft gegeven om de beslissing op een nieuw verzoek om een verblijfsvergunning in Aruba af te wachten (dispensatie) is daartoe onvoldoende.

Dit leidt tot de conclusie dat verweerder in dit geval gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid opgenomen in artikel 9, eerste lid, sub d van de Ltuv om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf af te wijzen, indien de betrokkene tijdens een vorig verblijf in Aruba de periode waarvoor men was toegelaten heeft overschreden.

2.7

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, en werd in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).