Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:990

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
A.R. nr. 385 van 2017 / AUA201700422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, handelszaak: schadevergoeding uit onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 13 december 2017

Behorend bij A.R. nr. 385 van 2017 / AUA201700422

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[Eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [Eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. A. de Bie,

tegen:

de naamloze vennootschap

LOVERS INDUSTRIAL CORPORATION ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Lovers,

gemachtigde: de advocaat mr. M.A. Kock.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 27 september 2017 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. [Eiser] is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. Lovers is verschenen bij haar gemachtigde. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

[Eiser] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Lovers veroordeelt:

-om aan [Eiser] te betalen Afl. 9.522,--, te vermeerderen met (1) wettelijke rente gerekend vanaf – zo het Gerecht begrijpt - 24 november 2016 dan wel enige andere door het Gerecht te bepalen datum en (2) met 15% aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

-in de proceskosten.

2.2

Lovers voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van het door [Eiser] verzochte, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Vast staat tussen partijen het volgende. Op 30 maart 2016 is (de chauffeur van) een aan Lovers toebehorende bedrijfsauto met kenteken [kentekennummer] dwars door een aan [Eiser] toebehorende vóór 2008 geïnstalleerde aluminium schuifpoort (hierna: de schuifpoort) gereden. Niet in geschil is tussen partijen dat Lovers aansprakelijk is voor de door [Eiser] geleden schade als gevolg van die aanrijding. Onderwerp van geschil tussen partijen is de omvang van die schade.

3.2

[Eiser] begroot zijn schade met een factuur onderbouwd op het in hoofdsom door hem gevorderde bedrag. Met een beroep op het indemniteitsbeginsel en/of het beginsel ‘geen nieuw voor oud’ begroot Lovers de schade op Afl. 4.737,07. In elk geval is niet in geschil tussen partijen dat van de schade deel uitmaakt Afl. 660,-- aan installatiekosten voor een nieuw hek met motor.

3.3.1

In het licht van vorenstaande overweegt het Gerecht mede op grond van voortschrijdende inzichten vooropgesteld als volgt. In het algemeen geldt dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Is de onrechtmatig beschadigde zaak (een onderdeel van) een gebouw, dan heeft de eigenaar daarvan er in beginsel aanspraak op om in de gelegenheid te worden gesteld tot herstel. Een dergelijk herstel kan ook verantwoord zijn indien de daarmee gemoeid gaande kosten het bedrag van de als gevolg van de toegebrachte schade opgetreden waardevermindering overtreffen. Of dat het geval zal zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de functie van de zaak voor de eigenaar, de mogelijkheid om elders een zaak te verwerven die voor wat betreft gebruiksmogelijkheden, ligging, prijs en andere relevante factoren als gelijkwaardig aan de zaak - in onbeschadigde toestand - kan worden beschouwd, alsmede de mate waarin de kosten van herstel in de oude toestand het bedrag van de waardevermindering overtreffen. Ook dient te dezen de vraag te worden beantwoord of een benadeelde als hij de gerepareerde/herstelde zaak zelf blijft gebruiken zijn gebruikersgenot heeft zien toenemen.

3.3.2

Omstandigheden als hiervoor aangeduid kunnen meebrengen dat, hoewel de herstelkosten de waardevermindering overtreffen, toch van de getroffen eigenaar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij, ter wille van de belangen van de schadeveroorzaker, zijn aanspraak beperkt tot het bedrag van de waardevermindering. Dit klemt temeer indien sprake is van een dermate uitgesteld voordeel dat niet van de benadeelde kan worden verlangd dat deze bijdraagt in de kosten van het herstel. Overigens heeft te gelden dat er alleen sprake is van strijd met het ‘indemniteitsbeginsel’ als een benadeelde tengevolge van een uitkering in een duidelijk voordeliger positie komt te verkeren.

3.4

Naar het oordeel van het Gerecht maakt de ten tijde van de aanrijding vrijwel 10 jaar oude schuifpoort deel uit van een onroerende zaak, en heeft aldus te gelden als (een onderdeel van) een gebouw. [Eiser] heeft er in beginsel aanspraak op om over te gaan tot herstel van (dat onderdeel van) dat gebouw, terwijl er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat hij dit in redelijkheid niet mocht of mag. [Eiser] heeft in dat verband onbestreden gesteld dat het model van de beschadigde schuifpoort thans niet meer verkrijgbaar is, en dat hij daarom noodgedwongen heeft moeten kiezen voor een vergelijkbaar ander model zoals vermeld het in de door hem als productie 1 bij het verzoekschrift overlegde offerte, met als prijs Afl. 6.890,-- voor de schuifpoort en Afl. 1.650,-- voor de daarbij behorende motor (die ten tijde van de aanrijding 1 jaar oud was). Naar schatting van het Gerecht is de dagwaarde van die nieuwe schuifdeur (hierna: schuifdeur 2) na 10 jaar te stellen op Afl. 3.500,--, en die van voormelde motor na 1 jaar op Afl. 1.500,--. Aldus tezamen neerkomende op een dagwaarde van Afl. 5.000,--. De herstelkosten overstijgen die waarde met (6.890 + 1.650,-- + 660,-- -/- 5.000 =) Afl. 4.200,--.

3.5

Gesteld noch is gebleken dat er een andere (goedkopere) dan de door [Eiser] gekozen optie was of is tot herstel van (bedoeld onderdeel van) het gebouw. Er vanuit gaande dat [Eiser] het gebouw waarvan schuifpoort 2 met bijbehorende motor deel uit maakt zelf blijft gebruiken (gesteld noch is gebleken in elk geval dat dit anders is) heeft naar het oordeel van het Gerecht te gelden dat niet aannemelijk is dat [Eiser] door de installatie van die (vervangende) schuifpoort met motor zijn gebruiksgenot van het gebouw ziet toenemen, althans gesteld noch gebleken is dat dit wel het geval is. Het voordeel van [Eiser] als gevolg van de installatie van schuifpoort 2 met bijbehorende motor is gelegen in de toekomst, in die zin dat te verwachten valt dat de levensduur van schuifpoort 2 met bijbehorende motor die van de vervangen schuifpoort met motor met 10 jaar zal overstijgen (zo die vervangen schuifpoort met motor niet was beschadigd). Die hier geschetste omstandigheden brengen in het licht van het in de laatste regel van de vorige rechtsoverweging vermelde waarde overstijgende bedrag aan herstelkosten met zich dat naar het oordeel van het Gerecht in redelijkheid niet kan worden gevergd van [Eiser] dat hij meer dan Afl. 1.700,-- moet bijdragen in de kosten van herstel.

3.6

Vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [Eiser] zal worden toegewezen voor een bedrag van (9.522,-- minus 1.700,-- =) Afl. 7.822,--. De daarover gevorderde wettelijke rente zal, als zijnde onbestreden, eveneens worden toegewezen.

3.7

De gevorderde door Lovers bestreden vergoeding voor kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte wordt afgewezen, omdat er geen gronden zijn gesteld die met zich brengen dat Lovers die vergoeding verschuldigd is aan [Eiser]. De stelling van [Eiser], dat het niet reageren door Lovers op een aan haar uitgebrachte aanmaning met zich brengt dat Lovers 15% van de hoofdsom aan bedoelde vergoeding verschuldigd is aan [Eiser], is zonder nadere uitleg of onderbouwing - die ontbreekt - onbegrijpelijk. Die stelling wordt daarom gepasseerd.

3.8

Lovers zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [Eiser], tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 211,90 =) Afl. 661,90 aan verschotten en Afl. 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van tarief 3 van het liquidatietarief, ad Afl. 500,-- per punt).

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt Lovers om ten titel van schadevergoeding aan [Eiser] te betalen

Afl. 7.822,--, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend 24 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

-verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 13 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.