Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:968

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
130 van 2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak. Feit 1: Geen aangifte a.b.i. artikel 8 lid 3 Algemene landsverordening belastingen aanvragen, meermalen. Feit 2 primair: Valsheid in geschrifte, meermalen. Ontslag van alle rechtsvervolging t.z.v. feit 3 (niet doen van aangifte). Voorwaardelijke gevangenisstraf en deels voorwaardelijke geldboete. Bij opleggen van de geldboete draagkracht verdachte en zijn hoge leeftijd in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1937 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. De verdachte is niet verschenen. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Ter terechtzitting is voeging bevolen van de zaken met parketnummers P-2016/10336 en P-2015/07916. Bij de beraadslaging is echter gebleken dat het proces-verbaal van het Fiscaal inlichtingen- en opsporingsteam (F.i.o.t.) d.d. [datum] 2015 is voorzien van het parketnummer P-2015/07916 en dat dit proces-verbaal reeds door het Openbaar Ministerie bij de zaak met parketnummer P-2016/10336 is gevoegd. Het parketnummer P-2015/07916 is aldus geen aanduiding van een afzonderlijke zaak tegen de verdachte. Op de terechtzitting is voeging van zaken derhalve abusievelijk bevolen.

De officier van justitie, mr. A. Erades, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 2 primair vrij te spreken en ter zake van de feiten 1, 2 subsidiair en 3 te veroordelen tot een geldboete van Afl. 5.000,-, dan wel 100 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

hij, in de periode van 13 februari 2015 tot en met 14 september 2015, in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) niet binnen de gestelde termijn een aangifte die betrekking heeft op een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, te weten:

-aangifte(n) loonbelasting/premies volksverzekeringen betreffende de maanden van januari 2015 tot en met augustus 2015,

-aangifte(n) bedrijfsomzetten/bestemmingsheffing AZV betreffende de maanden van januari 2015 tot en met augustus 2015,

heeft aangevraagd, ten gevolge waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor het Land heeft kunnen ontstaan;

Artikel 68 lid 1 onder c juncto lid 2 Algemene Landsverordening Belastingen

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2014 tot en met 23 juli 2015, althans in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, 10 kopie kwitanties van de SVB Aruba (bijlage [nummer]) en/of 14 kopie kwitanties van Departemento di Impuesto (bijlage [nummer]), elk een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen, als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, immers, heeft hij verdachte en/of zijn mededader telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, op voornoemde geschriften - zakelijk weergegeven - vermeld en/of doen vermelden:

-bedragen die aan de SVB Bank Aruba en/of Servicio di Impuesto betaald zouden zijn door verdachte en/of het bedrijf van verdachte,

-persoonsnummers die niet overeenkomen met het persoonsnummer van verdachte,

-kwitantienummers die niet voorkomen bij de SVB Bank Aruba en/of Servicio di Impuesto,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

artikel 2:184 lid 1 wetboek van strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling of bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden

hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2014 tot en met 23 juli 2015, althans in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of heeft doen gebruik maken van valse of vervalste geschriften, te weten 10 kopie kwitanties van de SVB Aruba (bijlage [nummer]) en/of 14 kopie kwitanties van Departemento di Impuesto (bijlage [nummer]), (elk) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken en/of doen gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader voornoemde geschriften heeft ingeleverd en/of doen inleveren bij zijn opdrachtgever Serlimar,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in voornoemde geschriften is vermeld:

-bedragen die aan de SVB Bank Aruba en/of Servicio di Impuesto betaald zouden zijn door verdachte en/of het bedrijf van verdachte,

-persoonsnummers die niet overeenkomen met het persoonsnummer van verdachte,

-kwitantienummers die niet voorkomen bij de SVB Bank Aruba en/of Servicio di Impuesto;

artikel 2:184 lid 2 wetboek van strafrecht

Feit 3

hij, in de periode van 2 april 2012 tot en met 10 februari 2015 in Aruba, al dan niet opzettelijk in strijd met zijn verplichting ingevolge de Algemene landsverordening belastingen om binnen een gestelde termijn aangifte te doen als bedoeld in artikel 6 van de Algemene landsverordening belastingen, niet binnen de gestelde termijn, immers in het geheel geen aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2011 en/of 2012 heeft gedaan, ten gevolge waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor het Land heeft kunnen ontstaan;

Artikel 68 lid 1 onder a juncto lid 2 Algemene Landsverordening Belastingen

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht dat:

1. hij, in de periode van 13 februari 2015 tot en met 14 september 2015, in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) niet binnen de gestelde termijn een aangifte die betrekking heeft op een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, te weten:

-aangifte(n) loonbelasting/premies volksverzekeringen betreffende de maanden van januari 2015 tot en met augustus 2015,

-aangifte(n) bedrijfsomzetten/bestemmingsheffing AZV betreffende de maanden van januari 2015 tot en met augustus 2015,

heeft aangevraagd, ten gevolge waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor het Land heeft kunnen ontstaan;

2. hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2014 tot en met 23 juli 2015, althans in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, 10 kopie kwitanties van de SVB Aruba (bijlage [nummer]) en/of 14 kopie kwitanties van Departamento di Impuesto (bijlage [nummer]), zijnde elk een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen, als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, immers, heeft hij verdachte en/of zijn mededader telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, op voornoemde geschriften - zakelijk weergegeven - vermeld en/of doen vermelden:

-bedragen die aan de SVB Bank Aruba en/of Servicio di Impuesto betaald zouden zijn door verdachte en/of het bedrijf van verdachte,

-persoonsnummers die niet overeenkomen met het persoonsnummer van verdachte,

-kwitantienummers die niet voorkomen bij de SVB Bank Aruba en/of Servicio di Impuesto,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3. hij, in de periode van 2 april 2012 tot en met 10 februari 2015 in Aruba, al dan niet opzettelijk in strijd met zijn verplichting ingevolge de Algemene landsverordening belastingen om binnen een gestelde termijn aangifte te doen als bedoeld in artikel 6 van de Algemene landsverordening belastingen, niet binnen de gestelde termijn, immers in het geheel geen aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2011 en/of 2012 heeft gedaan, ten gevolge waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor het Land heeft kunnen ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

Feit 2 primair

Uit de in het dossier voorhanden zijnde stukken komt het volgende naar voren. Verdachte is per [datum] 2013 en per [datum] 2014 een overeenkomst met Serlimar aangegaan voor het verrichten van plantsoenwerkzaamheden. Voor het ontvangen van betaling voor de door hem en/of zijn onderneming verrichte werkzaamheden, heeft Serlimar als eis gesteld dat verdachte maandelijks de loonstroken van zijn werknemers, de bewijzen van betaling van de belastingen (loonbelasting en belasting op de bedrijfsomzetten) en die van de verzekeringspremies (AOV/AWW, AZV en sociale verzekeringen) bij haar dient over te leggen. Verdachte heeft deze betalingsbewijzen ingeleverd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het Fiscaal inlichtingen- en opsporingsteam (F.i.o.t.) onderzoek heeft verricht naar onder meer de door verdachte ingeleverde betalingsbewijzen betreffende de belasting op bedrijfsomzetten en premies volks-verzekeringen. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de tenaamstelling van verdachte op een veertiental kwitanties niet op dezelfde wijze is aangegeven als die waarop de ontvanger der belastingen de tenaamstelling op kwitanties placht te vermelden. Ook komen de op die kwitanties vermelde persoonsnummers niet overeen met het aan de verdachte toegekende persoonsnummer, terwijl de met de kwitantienummers correspon-derende gegevens verschillen van die, die in de bestanden van de belastingdienst voorkomen. Eén van die kwitantienummers komt zelfs niet in voormelde bestanden voor. Voorts heeft het onderzoek naar de tien kwitanties van de betaalde sociale verzekeringspremies uitgewezen dat de vermelde kwitantienummers en gegevens niet overeenkomen met die nummers en gegevens die in de bestanden van de Sociale Verzekerings Bank (SVB) aanwezig zijn. Verdachte heeft geen verklaring kunnen geven met betrekking tot de verschillen tussen de door hem ingeleverde kwitanties en de duplicaat kwitanties van de belastingdienst en de SVB.

Daarnaast heeft het F.i.o.t. bevonden dat verdachte niet als ondernemer staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid. Tevens is uit het onderzoek gebleken dat verdachte slechts één werknemer heeft in tegenstelling tot de meerdere werknemers waarvan hij loonstroken bij Serlimar heeft ingeleverd. Tenslotte is uit onderzoek is in de databestanden van het Departamento di Impuesto gebleken dat verdachte aldaar niet is aangemerkt als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting en de premies volksverzekeringen en als belastingplichtige voor de belasting op bedrijfsomzetten. Aan hem zijn dan ook geen aangiften loonbelasting, premies volksverzekeringen en belasting op bedrijfsomzetten uitgereikt.

Verdachte heeft ten overstaan van het F.i.o.t. onder meer verklaard dat hij geen adviseur of boekhouder heeft en alles zelf doet. Ook heeft hij verklaard te weten dat hij over zijn bedrijfsomzet belasting moet betalen, maar dat hij daarvan aangifte is vergeten aan te vragen en te doen. Later heeft verdachte verklaard zich niets meer te kunnen herinneren over de betalingsbewijzen en de indiening daarvan bij Serlimar. Maar uit de verklaring van de getuige [getuige], [functie] bij Serlimar, volgt dat verdachte tot diens werkploeg hoorde en de vereiste kwitanties maandelijks persoonlijk bij hem indiende.

Het gerecht is, gelet op bovengeschetste feiten en omstandigheden – waaronder de bevindingen van het F.i.o.t. en de verklaringen van de verdachte en de getuige [getuige] – van oordeel dat de door verdachte bij Serlimar ingediende kwitanties zijn vervalst en dat verdachte degene is geweest die de kwitanties heeft vervalst. Concrete aanwijzingen die het gerecht zouden nopen tot de conclusie dat een ander dan verdachte de dader zou zijn geweest, ontbreken in het dossier.

Het gerecht is, in tegenstelling tot het gevorderde door de officier van justitie, derhalve van oordeel dat de verdachte het hem onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en daarvoor zal worden bestraft.

6. Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Op 15 februari 2014 is een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba (AB 2012 no. 24, gewijzigd bij AB 2014 no. 11) in werking getreden. Bij de invoering is niet voorzien in overgangsrechtelijke bepalingen, zodat de daarin neergelegde voorschriften onmiddellijk van toepassing zijn geworden. Voor zover de in de tenlastelegging beschreven feiten zijn begaan vóór deze datum, geldt evenwel het navolgende.

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van dit wetboek is geen feit strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. In het tweede lid van dit artikel is voorts bepaald dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. Deze artikelleden, in onderlinge samenhang bezien, brengen mee dat, voor zover de bepalingen van dit wetboek omtrent de strafwaardigheid van een delict of de zwaarte van de daarop bedreigde sanctie niet gunstiger zijn dan die, welke golden ten tijde van het tijdstip of de periode waarop de aan de verdachte verweten feiten volgens de tenlastelegging zijn gepleegd, de op dat moment geldende bepalingen dienen te worden toegepast. Indien zich naar het oordeel van het gerecht een dergelijk geval voordoet zal dit in dit vonnis, voor zover relevant en niet uitdrukkelijk nader gemotiveerd, tot uitdrukking komen in de kwalificatiebeslissing en de vermelding van de bij de oplegging van een straf of maatregel toegepaste wettelijke voorschriften.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Opzettelijk niet binnen de gestelde termijn aanvragen van aangifte als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Algemene landsverordening belastingen, terwijl het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat nadeel voor het Land kan ontstaan, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 68, tweede lid juncto eerste lid, aanhef en onder c, van die Landsverordening.

2. Valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 2:184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Met betrekking tot feit 3

Uit de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

Op 2 april 2012 is aan verdachte een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premies volks-verzekeringen voor het jaar 2011 uitgereikt. De aangifte moest uiterlijk op 4 juni 2012 zijn ingediend. Op 27 maart 2013 is verdachte aangemaand om binnen tien dagen alsnog aangifte te doen. Op 1 juli 2013 is aan verdachte een aangiftebiljet inkomstenbelasting/ premies volksverzekeringen voor het jaar 2012 uitgereikt, met uiterlijke indieningsdatum op 2 september 2013. Verdachte is op 14 november 2013 aangemaand om binnen tien dagen alsnog aangifte te doen. Op 28 januari 2015 is verdachte wederom aangemaand om voor beide jaren aangifte te doen.

Verdachte heeft onder meer verklaard de respectieve aangiftebiljetten te hebben ontvangen en die aan zijn pleegzoon te hebben gegeven, opdat deze hem met het invullen van de biljetten zou helpen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij het invullen en opsturen van de aangiftebiljetten echter is vergeten. Uit de bevindingen van het F.i.o.t is gebleken dat verdachte alsnog (op 27 mei 2015) aangifte heeft gedaan.

Het gerecht concludeert uit vorenstaande feiten en omstandigheden dat verdachte, hoewel hij wist dat hij daartoe verplicht was, willens en wetens niet binnen de wettelijk vastgestelde termijn aangifte heeft gedaan van het door hem in de jaren 2011 en 2012 ontvangen inkomen en betaalde premies volksverzekeringen.

Bovenomschreven gedraging van de verdachte voldoet in zoverre aan een aantal bestanddelen van de delictsomschrijving vervat in het tweede lid van artikel 68 van de Algemene landsverordening belastingen.

Om verdachtes gedraging als geheel strafwaardig in de zin van artikel 68, tweede lid, juncto eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene landsverordening belastingen aan te merken dient uit de verboden gedraging te volgen dat voor het Land Aruba nadeel zou kunnen ontstaan. Uit de bevindingen van het F.i.o.t volgt dat verdachte weliswaar binnen de wettelijk vastgestelde termijn heeft verzuimd de onderhavige aangiften te doen, maar dat die gedraging – zoals uit het onderzoek naar de alsnog door verdachte gedane aangifte ook daadwerkelijk is gebleken – geen financieel nadeel voor het Land Aruba in het leven zou hebben geroepen.

Naar het oordeel van het gerecht voldoet verdachtes gedraging aldus niet aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving, hetgeen met zich brengt dat het onder 3 bewezenverklaarde niet ingevolge artikel 68 van de Algemene landsverordening belastingen kan worden gekwalificeerd. Het gerecht zal de verdachte derhalve ten aanzien van dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van zeven maanden meermalen nagelaten aangifte te doen van de door hem en/of zijn onderneming verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en belasting op bedrijfsomzetten/bestemmingsheffing AZV. Als gevolg hiervan heeft verdachte de door hem aan het Land Aruba verschuldigde geldbedragen niet overgedragen en daarmee het Land financiële schade berokkend. Door verdachtes handelwijze is ook de gehele samenleving benadeeld. Ook heeft verdachte de algemene belastingmoraal ernstig ondermijnd. Verdachte is erop uit geweest geldelijk gewin te behalen, zonder zich daarbij te laten weerhouden door de gevolgen.

Voorts heeft verdachte gedurende ruim negen maanden maanden meermalen kwitanties van de Sociale Verzekerings Bank Aruba en van de Belastingdienst vervalst, teneinde betalingen van Serlimar aan hem en/of zijn onderneming, die voor Serlimar plantsoenwerkzaamheden heeft uitgevoerd, te bewerkstelligen.

Verdachte heeft door deze gedraging financieel profijt getrokken en daarbij Serlimar benadeeld. Ook het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen, is door verdachtes handelingen geschaad.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij nooit eeder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur en een geldboete. Het gerecht zal de gevangenisstraf en een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken. Voorts neemt het gerecht bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete in aanmerking verdachtes draagkracht (verdachte ontvangt een SVB-pensioen) en het feit dat hij op hoge leeftijd (80 jaar) is.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:19, 1:20, 1:54, 1:55, 1:58, 1:62, 1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde onder 1 en 2 primair strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde onder 1 en 2 primair als hierboven omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde onder 3 niet strafbaar en ontslaat de verdachte ter zake van dat feit van alle rechtsvervolging;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden;

beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van vijfduizend florin (Afl. 5.000,-);

beveelt dat een gedeelte van dit bedrag, groot tweeduizend florin (Afl. 2.000,-) niet zal worden geëxecuteerd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat bij gebreke van betaling of verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zestig (60) dagen. In geval van executie van het voorwaardelijk deel van de geldboete zal voor dat deel vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van veertig (40) dagen

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.M. de Werd en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 6 december 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.