Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:960

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
B.B. 30 van 2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Geldleningsovereenkomst. Contractuele rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 29 november 2017

Behorend bij B.B. 30 van 2017

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[Eiser],

te Aruba,

EISER,

hierna ook te noemen: eiser,

gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

GEDAAGDE,

hierna ook te noemen: gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. M.G.A. Baiz,

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 6 januari 2017;

- het verweerschrift met producties, ingediend op 21 februari 2017;

- de conclusie van repliek, ingediend op 14 juni 2017;

- de conclusie van dupliek, ingediend op 18 oktober 2017.

1.2

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Bij overeenkomst van 4 november 2013 heeft eiser $4.000,- aan gedaagde geleend. In de schriftelijke bevestiging van de overeenkomst staat het volgende opgenomen: “4-11-2013. Ami [gedaagde] ta fia di Senor [eiser] e suma di $4.000,- mita paga bek dia 4-12-2-13 $5.200,-, att: [gedaagde]”.

2.2

Op 4 juli 2014 heeft gedaagde Afl. 3.600,- aan eiser terugbetaald.

2.3

Bij brief van 15 augustus 2016 is gedaagde aangemaand het restant van het verschuldigde bedrag terug te betalen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiser vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van Afl. 5.500,-, te vermeerderen met 15% buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de proceskosten.

3.2

Eiser grondt de vordering erop dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting.

3.3

Gedaagde voert hiertegen verweer, met vordering – uitvoerbaar bij voorraad – tot veroordeling van eiser in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

Eiser stelt bij verzoekschrift dat partijen in de overeenkomst een eenmalige contractuele rente van 30% zijn overeengekomen. Bij conclusie van repliek – zo het gerecht begrijpt – verminderd eiser zijn eis tot een rente van 18% per jaar. Het verschuldigde bedrag bedraagt volgens eiser na eisvermindering Afl. 7.315,-, inclusief rente. Tussen partijen staat vast dat de hoofdsom Afl. 7.000,- bedroeg. In haar berekening brengt eiser bij de eisvermindering een eenmalig bedrag Afl. 315,- als rente in rekening, zijnde omgerekend – naar het gerecht begrijpt - een rente van 4,5%. Gedaagde betwist de stellingen van eiser en stelt zich op het standpunt dat op grond van vaste jurisprudentie de toegestane rentepercentage van 1,5% per maand geldt.

4.2

Naar het oordeel van het gerecht komen de stellingen van partijen, namelijk een rentepercentage van 18% per jaar althans 1,5% per maand, vrijwel op hetzelfde neer. Conform de overeenkomst diende gedaagde uiterlijk één maand na 4 november 2013 het verschuldigde bedrag (hoofdsom en rente) te voldoen. Het gerecht is van oordeel dat om die reden over de hoofdsom een rente van 1,5% (per maand) in rekening moet worden gebracht. Tevens begrijpt het gerecht de berekening van eiser van 4,5% rente als rente over drie maanden. De eenmalige rente van 1,5% bedraagt (Afl. 7.000,- x 1,5%=) Afl. 105,-. Eiser verzoekt slechts de contractuele rente over één maand. Het meerdere zal om de reden worden afgewezen. Vaststaat dat door gedaagde op 4 juli 2014 reeds een bedrag van Afl. 3.600,- is voldaan. Gedaagde is nog (Afl. 7.105,- - Afl. 3.600,-) Afl. 3.505,- verschuldigd aan eiser.

4.3

Gedaagde stelt dat zij reeds een bedrag van Afl. 8.600,- heeft betaald aan eiser. Daartoe verwijst gedaagde naar de sommatiebrieven van 15 augustus 2017. Gedaagde betwist gemotiveerd de stelling van eiser. Eiser voert aan de partijen twee geldleningovereenkomsten hadden. Ten aanzien van de eerste geldleningovereenkomst van 11 mei 2014 is onder AR nr. 33 van 2017 reeds vonnis uitgesproken. De tweede geldleningovereenkomst van 4 november 2014 betreft het onderhavige geschil. Met eiser is het gerecht van oordeel dat gedaagde Afl. 5.000,- reeds heeft betaald ten aanzien van de geldleningovereenkomst van 11 mei 2014 en Afl. 3.600,- ten aanzien van de geldleningovereenkomst van 4 november 2014. Gedaagde heeft geen andere stukken in het geding gebracht, zoals betalingsbewijzen, waaruit zou blijken dat de betalingen slechts de geldleningovereenkomst van 4 november 2014 betreffen. Met de betaalde Afl. 5.000, zal dus in dit geding geen rekening worden gehouden.

4.4

Eiser baseert de buitengerechtelijke incassokosten blijkens het inleidend verzoekschrift op het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Anders dan één incassobrief van de advocaat is niet van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden gebleken. Deze verrichtingen worden op grond van artikel 63a Rv geacht te zijn begrepen onder de proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 60 lid 1 Rv. Het gerecht zal daarom geen buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.

4.5

Gedaagde zal als de in het overwegende mate in het ongelijk te stellen partij de proceskosten van eiser moeten vergoeden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van Afl. 3.505,-;

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiser worden begroot op Afl. 50,- aan griffierecht en Afl. 500,- aan salaris van de gemachtigde;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.