Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:92

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
283 van 2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak – verdachte heeft zich op één avond tijdens de lichtjesparade, schuldig gemaakt aan: poging doodslag van slachtoffer 1, zware mishandeling van slachtoffer 2 en mishandeling gepleegd met gebruikmaking van wapenen van slachtoffer 3. Beroep van de verdediging op noodweer(exces)/putatief noodweer(exces) faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.A.J. van der Biezen.

De officier van justitie, mr. A. Erades, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 meer subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

hij op 4 februari 2016 te Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een scherp voorwerp in diens borst, althans lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262 of 2:259 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

subsidiair, indien ten aanzien van het vorenstaande geen bewezenverklaring volgt

hij op 4 februari 2016 te Aruba, aan een persoon, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een geperforeerde long, heeft toegebracht, door deze meermalen, althans eenmaal met een scherp voorwerp in diens borst, althans lichaam, te steken;

artikel 2:276 of artikel 2:275 wetboek van strafrecht

meer subsidiair, indien ten aanzien van het vorenstaande geen bewezenverklaring volgt

hij op 4 februari 2016 te Aruba, opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 1], met een scherp voorwerp, al dan niet zijnde een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, in diens borst, althans lichaam, heeft gestoken;

artikel 2:273 wetboek van strafrecht

Feit 2

hij op 4 februari 2016 te Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, in diens buik en rug, althans lichaam, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262 of 2:259 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

subsidiair, indien ten aanzien van het vorenstaande geen bewezenverklaring volgt

hij op 4 februari 2016 te Aruba, aan een persoon, te weten [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een geperforeerde galblaas/galweg, heeft toegebracht door deze meermalen, althans eenmaal, met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, in diens buik en rug, althans lichaam, te steken;

artikel 2:276 of artikel 2:275 wetboek van strafrecht

meer subsidiair, indien ten aanzien van het vorenstaande geen bewezenverklaring volgt

hij op 4 februari 2016 te Aruba, opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 2], met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, al dan niet zijnde een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, in diens buik en rug, althans lichaam, heeft gestoken;

artikel 2:273 wetboek van strafrecht

Feit 3

hij op 4 februari 2016 te Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven,

meermalen, althans eenmaal, met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, in diens buik en borst, althans lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262 of 2:259 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

subsidiair, indien ten aanzien van het vorenstaande geen bewezenverklaring volgt

hij op 4 februari 2016 te Aruba, aan een persoon, te weten [slachtoffer 3], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door deze meermalen, althans eenmaal, met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, in diens buik en borst, althans lichaam, te steken;

artikel 2:276 of artikel 2:275 wetboek van strafrecht

meer subsidiair, indien ten aanzien van het vorenstaande geen bewezenverklaring volgt

hij op 4 februari 2016 te Aruba, opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 3], met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, al dan niet zijnde een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, in diens buik en borst, althans lichaam, heeft gestoken;

artikel 2:273 wetboek van strafrecht

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

A. Vrijspraak

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde onder 2, noch het primair en subsidiair tenlastegelegde onder 3 heeft begaan en zal de verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, daarvan vrijspreken.

B. Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde onder 1, het subsidiair tenlastegelegde onder 2 en het meer subsidiair tenlastegelegde onder 3 heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht dat:

1. hij op 4 februari 2016 te Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een scherp voorwerp in diens borst, althans lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. hij op 4 februari 2016 te Aruba, aan een persoon, te weten [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een geperforeerde galblaas/galweg, heeft toegebracht door deze meermalen, althans eenmaal, met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, in diens buik en rug, althans lichaam, te steken.

3. hij op 4 februari 2016 te Aruba, opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 3], met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp, al dan niet zijnde een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, in diens buik en borst, althans lichaam, heeft gestoken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

De verdachte ontkent dat hij de aan hem tenlastegelegde feiten onder 2 en 3 heeft gepleegd. Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de slachtoffers [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] niet met een scherp voorwerp heeft gestoken. Hij verzoekt het gerecht derhalve om hem van voornoemde tenlastegelegde feiten vrij te spreken. Het gerecht verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen komt naar voren dat [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan tegen de verdachte. Het gerecht heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] te twijfelen. Het gerecht is voorts van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in de medische verklaring omtrent het letsel dat hij heeft opgelopen, alsmede in de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2].

Het slachtoffer [naam slachtoffer 3] heeft geen aangifte tegen verdachte gedaan, maar het gerecht acht, gelet op de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2], alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2016, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, [slachtoffer 3] met een scherp voorwerp heeft gestoken. Het gerecht ziet in beide gevallen geen reden om aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2] te twijfelen.

6 Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair: Poging doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht.

2 subsidiair: Zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 2:275 van het Wetboek van Strafrecht.

3 meer subsidiair: Mishandeling gepleegd met gebruikmaking van wapenen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening,

strafbaar gesteld bij artikel 2:273, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

7 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Noodweer(exces)/putatief noodweer(exces)

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft primair een beroep gedaan op noodweer en daartoe - zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte zich mocht en moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf. Verdachte werd door de groep van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] omsingeld en door [slachtoffer 1] benaderd. [Slachtoffer 1], die in het verleden op verdachte heeft geschoten en waarvan bekend is dat hij met een vuurwapen rondloopt, deed een stap achteruit en stak zijn hand in zijn blauwe schoudertas. De verdachte voelde zich hierdoor bedreigd en heeft [slachtoffer 1] ter verdediging van zijn eigen lijf, meermalen met een scherp voorwerp in diens borststreek gestoken.

De raadsman heeft subsidiair, in het geval dat het gerecht van oordeel is dat de verdachte bij de verdediging de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden, een beroep gedaan op noodweerexces en meer subsidiair bepleit dat er zijdens de verdachte sprake was van verontschuldigbare dwaling, waardoor de verdachte heeft gehandeld vanuit de gerechtvaardigde overtuiging dat hij zich tegen het dreigende gevaar moest verdedigen (putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces). Het gerecht overweegt als volgt.

Van noodweer is sprake indien het feit is begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van het eigen lichaam of dat van een ander tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Het enkele vermoeden dat [slachtoffer 1] hem mogelijk kwaad wilde doen wettigt niet de conclusie dat het steken van die [naam slachtoffer 1] met een scherp voorwerp geboden is door de noodzakelijke verdediging van het eigen lichaam tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte of een ander persoon heeft gezien dat [slachtoffer 1] een vuurwapen voorhanden had. Verdachtes stelling dat er in het verleden eerder op hem is geschoten rechtvaardigt niet de conclusie dat het hem deswege is toegestaan zich op voorhand tegen elke mogelijke aanranding door [slachtoffer 1] te verweren op de manier zoals hij heeft gedaan. Voorts valt niet in te zien dat de verdachte niet voor een andere oplossing had kunnen kiezen om zich uit de voor hem benarde positie te werken. Verdachte heeft immers verklaard dat [slachtoffer 1] op een gegeven ogenblik wegrende en dat hij achter [slachtoffer 1] aanrende. Hierna heeft hij [slachtoffer 1] meerdere malen met een scherp voorwerp gestoken, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Het gerecht acht om bovenstaande redenen niet aannemelijk geworden dat er in casu sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens verdachtes lichaam. Het verweer van de verdediging faalt derhalve.

Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot het bestaan van een noodweersituatie is overwogen, volgt voorts dat ook het beroep van de verdediging op noodweerexces, danwel putatief noodweer(exces) dient te falen. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte geen weerstand kon bieden aan de hevige gemoedsbeweging, die door de vermeende wederrechtelijke aanranding door Lacle was veroorzaakt.

Zowel het bewezenverklaarde als de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 4 februari 2016 tijdens de “Parada di Luz” in San Nicolas schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van het slachtoffer [naam slachtoffer 1], door deze meerdere malen met een scherp voorwerp in zijn borst, althans lichaam te steken. Het handelen van verdachte had fatale gevolgen kunnen hebben, omdat zich in die omgeving vitale organen bevinden. Dat [slachtoffer 1] niet is komen te overlijden, is niet aan de handelswijze van verdachte te danken. Ook heeft verdachte op diezelfde avond aan het slachtoffer [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toegebracht, bestaande uit een geperforeerde galblaas/galweg, door hem meerdere malen met een ijsprikker, althans een scherp voorwerp te steken. Tot slot heeft verdachte ook het slachtoffer [naam slachtoffer 3] op die avond mishandeld, door [slachtoffer 3] met een scherp voorwerp in zijn buik en borst te steken.

Slachtoffers van dergelijke misdrijven lijden vaak langdurig onder de lichamelijke en psychische gevolgen van zo’n traumatische gebeurtenis. Verdachte is voorts geheel voorbij gegaan aan de gevoelens van onrust en onveiligheid die door dergelijke feiten in de samenleving worden veroorzaakt, daar het feiten zijn met een agressief en gewelddadig karakter en welk feiten zich in een voor publiek toegankelijk gebied hebben afgespeeld. Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten nadele van verdachte geldt dat hij reeds eerder voor feiten met een gewelddadig karakter is veroordeeld.

Het gerecht houdt bij de oplegging van de straf voorts rekening met de psychiatrische rapportage van 19 januari 2017, op grond waarvan verdachte volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht voor het bewezenverklaarde.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:62 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. W.C.E. winfield en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 10 februari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.