Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:911

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
K.G. no. 2128 van 2017/AUA201702578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG civiel. In conventie: Vordering tot het opheffen van een opgelegde conservatoire beslag omdat deze summierlijk ondeugdelijk is. In reconventie: Vordering tot het opleggen van een verbod op het innen van toekomstige huurpenningen. Vordering tot schorsing van de executie van de tussen partijen gegeven beschikking van dit Gerecht, krachtens welke [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is veroordeeld om maandelijks Afl. 5.000,-- te betalen aan partneralimentatie en Afl. 750,-- aan kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 15 november 2017

Behorend bij K.G. no. 2128 van 2017/AUA201702578

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in kort geding van:

[eiser],

wonende in Aruba,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigden: de advocaten mrs. L.D. Gomez en C.B.A. Coffie,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Nederland,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties;

  • -

    de op 25 oktober 2017 om 10:31 ter griffie ingediende nadere producties van [eiser];

  • -

    de op 25 oktober 2017 door [gedaagde] om 13:42 uur ter griffie ingediende akte houdende een reconventionele eis, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting van donderdag 26 oktober 2017.

1.2 [

eiser] is ter zitting verschenen samen met haar gemachtigden. [gedaagde] is verschenen bij zijn gemachtigde. De gemachtigden van partijen hebben in conventie en in reconventie telkens in twee termijnen het woord gevoerd – mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie

2.1 [

eiser] heeft gesteld en gevorderd zoals omschreven in haar verzoekschrift en in haar pleitnota.

2.2 [

gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd zoals vermeld in zijn pleitnota.

in reconventie

2.3 [

gedaagde] heeft gesteld en gevorderd, zoals vermeld in zijn akte houdende een reconventionele eis en in zijn pleitnota;

2.4 [

eiser] voert verweer en concludeert dat [gedaagde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

in conventie en in reconventie

2.5

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

in conventie

3.1

Het spoedeisend belang van [eiser] bij haar vorderingen ligt besloten in de aard van die vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stellingen.

3.2

Vast staat dat [gedaagde] krachtens van dit Gerecht daartoe verkregen verlof op 3 oktober 2017 twee voor partijen genoegzaam bekende conservatoire derdenbeslagen heeft gelegd voor een door de beslagrechter begrote vordering van [bedrag]. In het licht van de door [eiser] verzochte opheffing van die beslagen dient de vraag te worden beantwoord of die beweerdelijke vordering - zoals gesteld door [eiser] - summierlijk ondeugdelijk is. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.3

Het beslagverlof is mede verleend op grond van de stelling van [gedaagde] dat hij een aan hem gecedeerde vordering heeft op [eiser] groot ([bedrag] + [bedrag]=)

[bedrag] uit hoofde van ten onrechte door [eiser] vanaf 2007 tot heden geïnde aan [naam de cedent] (de cedent) toehorende huurpenningen. Die stelling heeft [eiser] gemotiveerd bestreden, en staat daarom niet vast. Het Gerecht ziet in het licht van dat door [eiser] gevoerde verweer ook geen grond om die stelling voorshands aannemelijk te oordelen. Dit met name omdat [gedaagde] zijn stelling op dit punt onvoldoende verificatoir heeft onderbouwd. Een zekere [getuige] (productie 7 bij de eis in reconventie) verklaart dat het hem bekend is dat [eiser] vanaf het begin de huur (van de appartementen te [adres]) heeft geïncasseerd en heeft toegeëigend, maar onduidelijk is op grond waarvan dat bij die [getuige] bekend is en evenmin is bekend wat wordt bedoeld met het begin. [gedaagde] heeft ter zitting geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de reden van wetenschap van [getuige]. De andere door [gedaagde] overgelegde verklaringen van drie andere personen zien op de periode van vanaf respectievelijk 1 november 2016, 1 augustus 2017 en 1 oktober 2017 ter zake van de door die personen vanaf die respectieve datums gehuurde appartementen te [adres], en ondersteunen de stelling van [gedaagde] slechts in zoverre. Bij dit alles komt dat [eiser] heeft gesteld dat een groot deel van de beweerdelijke vordering van [gedaagde] is verjaard. Het Gerecht begrijpt dat dit beroep te dezen ziet op de periode vanaf 2007 tot 3 oktober 2012 (vijf jaar voor de beslagleggingen). [gedaagde] stelt in dat verband dat die verjaring tijdig is gestuit. Die stelling mist voldoende onderbouwing. Het had te dezen op de weg van [gedaagde] gelegen om duidelijk te maken wanneer precies en hoe precies die stuiting heeft plaatsgevonden. Eén en ander brengt mee dat te dezen het beroep op verjaring van [eiser] naar het voorlopig oordeel van het Gerecht in zoverre slaagt. De slotsom op dit onderdeel luidt dat het door [gedaagde] ingeroepen recht groot [bedrag] in elk geval op meerdere gronden summierlijk ondeugdelijk is.

3.4

Wat betreft het door [gedaagde] ingeroepen recht groot [adres] wordt het volgende overwogen. Uit het beslagrekest blijkt dat [gedaagde] stelt dat hij die aan hem door [de cedent] gecedeerde vordering heeft uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] ten koste van [de cedent] wegens de door die rechtspersoon betaalde bouw van tien bungalows op aan [eiser] toebehorende grond (waarvan [eiser] volgens [gedaagde] stelt dat zij daarvan door natrekking eigenaar is geworden). Uit het betoog van [gedaagde] in verbinding met de door hem overlegde productie 7 begrijpt het Gerecht dat die bungalows zijn gebouwd op enige in 2007 gelegen periode, zodat moet worden aangenomen dat vanaf die periode de beweerdelijke vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is ontstaan en de verjaringstermijn daarvan is aangevangen. Ook te dezen slaagt naar het voorshandse oordeel van het Gerecht het beroep op verjaring van [eiser], nu de stelling van [gedaagde], dat die verjaring tijdig is gestuit, voldoende onderbouwing mist. Ook te dien aanzien had het op de weg gelegen van [gedaagde] om duidelijk te maken wanneer precies en hoe precies die stuiting heeft plaatsgevonden. De slotsom op dit onderdeel luidt dat het door [gedaagde] ingeroepen recht groot [adres] eveneens in elk geval summierlijk ondeugdelijk is.

3.5

Al het vorenstaande brengt mee dat de beslagen zullen worden opgeheven, en dat alle overige stellingen van partijen – wat van de inhoud daarvan ook zij – onbesproken kunnen blijven.

3.6 [

gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 213,79 =) Afl. 663,79 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigden.

in reconventie

3.7

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [gedaagde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van [eiser] wordt daarom verworpen.

3.8

Het spoedeisend belang van [gedaagde] bij zijn vorderingen ligt besloten in de aard van die vorderingen.

3.9

Het door [gedaagde] gevorderde aan [eiser] op te leggen verbod ziet op het innen door [eiser] van toekomstige door de huurders van het appartementencomplex te San Miguel te betalen huurpenningen. [gedaagde] stelt dat [de cedent] (als zijnde de verhuurder van die appartementen) ook die vorderingsrechten alsmede het recht van [de cedent] om voormeld verbod in rechte te vorderen aan hem heeft gecedeerd bij de door [gedaagde] als productie 10 overgelegde akte van cessie. Ingevolge artikel 3:94 BW in verbinding met het tweede lid van artikel 3:84 BW moeten de over te dragen rechten in voldoende mate door de akte van cessie worden bepaald. De door [gedaagde] overgelegde akte van cessie zwijgt echter over toekomstige vorderingen en over voormeld recht, zodat het Gerecht - net als [eiser] - [gedaagde] niet volgt in voormelde stelling. De als productie 17 overlegde verklaring/uitleg van de cedent, niet zijnde een akte van cessie, maakt dat niet anders.

3.10

Uit vorenstaande vloeit voort dat de stelling van [gedaagde], dat bedoelde toekomstige huurpenningen aan hem toebehoren en dat hij gerechtigd is tot het vorderen van bedoeld verbod, grondslag mist. Reeds daarom moet de vordering van [gedaagde] worden afgewezen, en kunnen alle overige stellingen van partijen op dit onderdeel - wat van de inhoud daarvan ook zij - onbesproken blijven.

3.11

Wat betreft de door [gedaagde] gevorderde schorsing van de executie door [eiser] van de tussen partijen gegeven beschikking van dit Gerecht van 19 juni 2017 in de zaak E.J. 1773 van 2016 (hierna: de beschikking), krachtens welke [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld om maandelijks Afl. 5.000,-- te betalen aan [eiser] ten titel van partneralimentatie en Afl. 750,-- aan kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige zoon van partijen (hierna: de zoon), wordt het volgende overwogen.

3.12

Die door [gedaagde] beoogde schorsing kan slechts worden bevolen, indien het Gerecht van oordeel is dat [eiser], mede gelet op de belangen aan de zijde van [gedaagde], geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot verdere tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien op grond van na de uitspraak van de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [gedaagde] een noodtoestand zal ontstaan, waardoor een onverwijlde verdere tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.13

De stelling van [gedaagde], dat de beschikking berust op een feitelijke misslag, is zonder nadere uitleg - die ontbreekt - voorshands onbegrijpelijk. Vast staat immers dat de zoon ten tijde van de uitspraak van de beschikking hoofdverblijf had bij [eiser], en dat naar eigen zeggen van [gedaagde] eerst na de uitspraak van de beschikking bekend is geworden dat die zoon vanaf 3 augustus 2017 bij hem in [land] hoofdverblijf zal hebben. Aan de orde is daarom een beweerdelijk na de uitspraak van de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feit. Gesteld noch is gebleken echter dat door dat feit aan de zijde van [gedaagde] een klaarblijkelijke noodtoestand zal ontstaan, waardoor een onverwijlde verdere tenuitvoerlegging van de beschikking niet kan worden aanvaard. Dit één en ander maar ook het hierna volgende brengt mee dat ook deze vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

3.14

Bij dit alles komt nog dat uit de conventionele procedure volgt dat de vorderingen waarmee [gedaagde] wenst te verrekenen summierlijk ondeugdelijk zijn gebleken.

3.15 [

gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze reconventionele procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

in conventie

-heft op de door [gedaagde] ten laste van [eiser] op 3 oktober 2017 gelegde conservatoire beslagen onder (i) Deurwaarderskantoor Magali Croes V.B.A. en (ii) Caribbean Mercantile Bank N.V.;

-veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 663,79 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigden;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte;

in reconventie

-wijst af het door [gedaagde] verzochte;

-veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de reconventionele procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan de uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 15 november 2017.