Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:899

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
LAR nr. AUA201600586
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht oordeelt dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Verweerder heeft niet in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat het huwelijk tussen betrokkenen een schijnhuwelijk betreft. Het

beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 november 2017

LAR nr. AUA201600586

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2],

beiden wonende in Aruba,

APPELLANTEN,

gemachtigde: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff,

gericht tegen:

het hoofd van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.M.A.M. Ponsioen.

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 7 juni 2016 heeft verweerder een verzoek van appellanten om hun op [huwelijksdatum] 2015 in [plaats], Colombia, gesloten huwelijk in het bevolkingsregister in te schrijven afgewezen.

Bij beschikking van 17 november 2016 heeft verweerder het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Op 22 december 2016 hebben appellanten daartegen beroep ingesteld, door indiening van een beroepschrift bij dit gerecht.

Op 31 maart 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2017, waar appellanten bijgestaan door hun gemachtigde en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister worden de voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden der bevolkingsregisters zijn belast, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.

Ingevolge artikel 22, negende lid, van het krachtens voormelde bepaling vastgestelde Landsbesluit bevolkingsregister wordt een gegeven omtrent een persoon niet ingeschreven, indien het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van oordeel is dat dat gegeven in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.

2.2

Verweerder heeft met toepassing van voornoemd artikel 22, negende lid, afwijzend beslist op het verzoek tot inschrijving van het huwelijk tussen appellanten beslist, met als motivering dat het huwelijk een schijnhuwelijk betreft, gesloten met het doel toelating te verschaffen aan appellante sub 2 tot Aruba. Verweerder acht de inschrijving van een dergelijk huwelijk in strijd met de openbare orde. Aan haar conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk heeft verweerder ten grondslag gelegd het resultaat van een onderzoek van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (DBSB) naar de waarachtigheid van het huwelijk. Daartoe heeft een ambtenaar van DBSB op 14 januari 201 een gesprek gevoerd met appellanten. Voorts stoelt ze haar beslissing op het leeftijdsverschil van 27 jaren tussen de appellanten en de uitslag van een huiscontrole bij het adres [adres] alwaar partijen zeggen samen te wonen.

Tijdens deze controle heeft de buurvrouw verklaard dat appellante sub 2 daar niet woonachtig is, maar dat appellant sub 1 daar met zijn zoon woont.

2.3

Appellanten betogen dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het huwelijk een schijnhuwelijk is. Zij voeren aan dat de door verweerder aangevoerde gronden de beslissing niet kunnen dragen.

2.4

Het gerecht oordeelt dat de beslissing van verweerder niet in stand kan blijven. Uit het verslag van het gesprek van de DSB blijkt dat aan appellanten ruim veertien vragen met betrekking tot hun relatie, huwelijk, familie- en gezinssituatie zijn gesteld en dat zij op het merendeel van de vragen antwoorden hebben gegeven met min of meer dezelfde strekking. Niet is uit te sluiten is dat de discrepanties in de antwoorden zijn veroorzaakt door de wijze van vragen stellen. Op enkele vragen waren verschillende antwoorden mogelijk. Ook is het gerecht met appellanten eens dat de vragen waarop appellanten een tegenstrijdig antwoord hebben gegeven niet direct de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een schijnhuwelijk. Dit geldt eveneens voor het leeftijdsverschil tussen de partners. De uitslag van de huiscontrole wordt door appellanten niet bestreden maar naar het oordeel van het gerecht hebben zij hiervoor een afdoende verklaring gegeven. Zij hebben aangevoerd dat appellante sub 2 niet direct na het huwelijk bij appellant sub 1 is gaan inwonen omdat zij haar werkzaamheden als inwonende dienstbode eerst wilde afbouwen. Naar het oordeel van het gerecht wijzen de hierna volgende omstandigheden erop dat het niet om een schijnhuwelijk gaat. Appellante sub 2 beschikte ten tijde van het trouwen over een geldige verblijfstitel als inwonende dienstbode. De vergunning was tot 5 maart 2016 geldig, en voor de periode na deze datum is een verlenging aangevraagd. Betrokkene had geen reden om aan te nemen dat de verblijfsvergunning niet zou worden verlengd. Het weduwnaarspensioen van appellant sub 1 is door het huwelijk stopgezet. Het gerecht merkt op dat de beweegreden voor een schijnhuwelijk doorgaans het financieel gewin voor de trouwpartner is. Ook neemt het gerecht in aanmerking dat appellant sub 1 ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat appellante sub 2 in verwachting is van een kind van hem. Gelet op het voorgaande oordeelt het gerecht dat verweerder niet in redelijkheid de conclusie heeft kunnen trekken dat het huwelijk tussen betrokkenen een schijnhuwelijk betreft. Het beroep is gegrond. De beschikking van 17 november 2016 dient te worden vernietigd.

2.5

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van verweerder van 17 november 2016;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellanten, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 500,-;

- gelast teruggave aan appellanten van het door hen betaalde bedrag van Afl. 25,-;

.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).