Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:892

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
AUA201700151 en AUA 201700210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) - Het gerecht oordeelt dat verweerder gelet op het verslag van de gesprekken met betrokkenen in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het huwelijk tussen betrokkenen een schijnhuwelijk betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 november 2017

AUA201700151 en AUA 201700210

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellante],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

het hoofd van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.M.A.M. Ponsioen (DBSB).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 11 november 2016 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellante om het tussen haar en [naam echtgenoot] op 28 oktober 2015 in de Dominicaanse Republiek voltrokken huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister.

Daartegen heeft appellante op 25 november 2016 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 3 maart 2017 en daarna op 22 maart 2017 beroep bij het gerecht ingesteld.

Bij beschikking van 25 april 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Op 26 april 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2017 alwaar appellante in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door voorgenoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Appellante is tijdig bij schrijven van 3 maart 2017 in beroep gekomen tegen het uitblijven van de beschikking op haar bezwaar van 25 november 2016. Op 22 maart 2017 heeft zij opnieuw daartegen beroep ingesteld. Dit beroepschrift wordt aangemerkt als een aanvulling van het eerste beroepschrift. Aan appellante zal het griffierecht in verband met deze zaak met nummer AUA 201700210 daarom worden gerestitueerd.

2.2

Met betrekking tot de stelling van verweerder dat dit beroep ongegrond moet worden verklaard omdat zij bij beschikking van 25 april 2017 alsnog op het bezwaar van appellante heeft beslist, overweegt het gerecht als volgt. Bij het gerecht is geen beroep ingesteld tegen de beschikking van 25 april 2017. Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer de uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:33) dient, indien na het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar alsnog een reële beschikking wordt gegeven waarbij het bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard en tegen die reële beschikking geen beroep is ingesteld, het gerecht het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar te beoordelen aan de hand van de daartegen gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden. In geval van vernietiging van de fictieve afwijzing kan dit ertoe leiden dat het betrokken bestuursorgaan in de zaak moet voorzien op een wijze die ook betekenis heeft voor de reële beschikking, ook al is daartegen geen beroep ingesteld. De desbetreffende partij houdt onder die omstandigheden dan ook procesbelang bij het beroep tegen de fictieve afwijzing. Bij voormelde beschikking heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Onder deze omstandigheden en voormelde rechtspraak in aanmerking genomen, houdt appellante procesbelang bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar. Het gerecht zal dat beroep beoordelen aan de hand van de tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden.

Inhoudelijk

2.3.1

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister, worden de voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden der bevolkingsregisters zijn belast, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.

2.3.2

Ingevolge artikel 22, negende lid, van het krachtens voormelde bepaling vastgestelde Landsbesluit bevolkingsregister wordt een gegeven omtrent een persoon niet ingeschreven, indien het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van oordeel is dat dat gegeven in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.

2.4

Verweerder heeft met toepassing van voornoemde artikel 22, negende lid, afwijzend op het verzoek tot inschrijving van het huwelijk tussen appellanten beslist, met als motivering dat het huwelijk een schijnhuwelijk betreft, gesloten met het doel toelating te verschaffen aan [echtgenoot] tot Aruba. [Echtgenoot] had tot 20 juni 2007 een geldige bedrijfstitel in Aruba. Hij is op 6 mei 2011 uit Aruba verwijderd. Verweerder acht de inschrijving van een dergelijk huwelijk in strijd met de openbare orde. Aan haar conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk heeft verweerder ten grondslag gelegd het resultaat van een onderzoek van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (DBSB) naar de waarachtigheid van het huwelijk. Daartoe hebben ambtenaren van DBSB op 15 maart 2016 en op 17 november 2016 een gesprek gevoerd met appellante. Op 15 maart 2016 is ook met [echtgenoot] een gesprek gevoerd op de Nederlandse ambassade in de Dominicaanse Republiek. Volgens verweerder blijkt uit het onderzoek dat betrokkenen elkaar redelijk lijken te kennen, maar dat er tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over bepaalde punten van personalia, de omstandigheden waaronder zij elkaar hebben leren kennen en andere persoonlijke omstandigheden. Ook stelt verweerder dat appellante, ook in bezwaarfase geen enkel objectief bewijs van het bestaan van een huwelijkse relatie heeft overgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van gezamenlijke correspondentie, facturen, bankafschriften en foto’s voorzien van een datum.

2.5

Appellante stelt dat verweerders beslissing berust op onjuiste weergave van de gesprekken. Deze stelling heeft zij echter op geen enkele wijze onderbouwd. Zo heeft zij niet vermeld op welke punten het verslag onjuist is. Het gerecht heeft geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de ambtelijke vastlegging van de gesprekken en zal bij de beoordeling van het beroep van de juistheid hiervan uitgaan. Het gerecht oordeelt dat verweerder gelet op het verslag van de gesprekken met betrokkenen in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het huwelijk tussen betrokkenen een schijnhuwelijk betreft. Uit het verslag blijkt namelijk dat betrokkenen op alle vragen over hun relatie tegenstrijdige antwoorden hebben gegeven of antwoorden hebben gegeven die niet dezelfde strekking hebben. Ook neemt het gerecht in aanmerking dat appellante op geen enkele wijze haar stelling dat wel sprake is van een huwelijkse relatie met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Appellante heeft voorts gesteld dat de beslissing van verweerder een inbreuk betreft op een of meerdere van haar fundamentele grondrechten. Ook deze stelling treft bij gebrek aan motivering, geen doel.

Het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het bezwaar is ongegrond.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het ongegrond;

  • -

    gelast dat het door appellant gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan haar wordt terugbetaald.

Deze beslissing werd gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 6 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).