Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:888

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
AUA201700079
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) - Nu het verzoek van appellante sub 2 niet vergezeld is gegaan van een verklaring omtrent het gedrag, voorzien van een apostille met een verificatiecode, heeft verweerder door haar niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat zij aan de vereisten voor vergunningverlening voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 november 2017

AUA201700079

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

1. de naamloze vennootschap Arazaua Fashion N.V. ,

2. [appellante 2],

gevestigd respectievelijk verblijvend in Aruba,

APPELLANTEN,

gemachtigde: de advocaat mr. J.A. Saade,

gericht tegen:

de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER.

gemachtigde: mr. M.D. van Wilgen (DIMAS).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 3 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek van appellante sub 2 van 1 juli 2016 om haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen om als ceo bij appellante sub 1 werkzaam te zijn afgewezen.

Bij beschikking van 9 november 2016 heeft verweerder de afwijzing van 3 oktober 2016 gehandhaafd, onder aanpassing van de motivering daarvan.

Daartegen hebben appellanten op 22 november 2016 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het aldus gemaakte bezwaar hebben appellanten op 15 februari 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Op 17 mei 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 20 september 2017 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

Het beroep van appellanten is behandeld ter zitting van 25 september 2017, waar appellanten, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen. Verweerder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ambtshalve overweegt het gerecht als volgt.

2.2

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

2.3

In de beschikking van 9 november 2016 is onder meer vermeld “Naar aanleiding van uw bezwaarschrift ingeleverd op 28-09-2016 tegen de afwijzende beschikking op uw aanvraag ingediend op 01-07-2016 bij de DIMAS, […] wil ik u hierbij van het volgende mede delen” en “Na heroverweging van de afwijzende beschikking van 03-10-2016 wordt de afwijzingsgrond ingetrokken en aangepast met een nieuwe afwijzingsgrond, de reden van deze beslissing wordt weergegeven onder motivering.” Gegeven deze formulering, is de beschikking van 9 november 2016 gegeven naar aanleiding van het tegen de beschikking van 28 september 2016 gemaakte bezwaar en is daarbij laatstvermelde beschikking heroverwogen. Onder deze omstandigheden en gelet op artikel 9, eerste lid, van de Lar, is het gerecht van oordeel dat de beslissing van 9 november 2016 een beschikking op bezwaar behelst. Dat brengt met zich dat verweerder het daartegen door appellanten op 22 november 2016 ingediende bezwaarschrift ten onrechte niet ter behandeling als beroepschrift aan het gerecht is doorgezonden. Het gerecht ziet, mede omdat de zaak ter zitting inhoudelijk is behandeld, aanleiding om in het kader van de proceseconomie dat binnen de beroepstermijn ingekomen bezwaarschrift thans als beroepschrift te beoordelen.

2.4

Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante sub 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de vereisten voor vergunningverlening voldoet. Volgens verweerder kleeft aan de apostille waarvan de door appellante sub 2 overgelegde verklaring omtrent het gedrag was voorzien een gebrek, nu deze geen “codico de verificacion” heeft om het land van bestemming en de naam van de aanvrager, waarvoor deze verklaring is aangevraagd, te verifiëren.

2.5

Appellanten betogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante sub 2 niet heeft aangetoond dat zij geen justitiële antecedenten heeft. Volgens appellanten brengt de omstandigheid dat voormelde apostille geen verificatiecode had niet met zich dat deze niet te verifiëren was. In dit verband verwijzen appellanten naar verschillende bepalingen uit het Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten (Trb. 1963, 28; hierna: het Apostilleverdrag), in het bijzonder naar artikel 7, bij welk verdrag Aruba en Venezuela zijn aangesloten. Volgens appellanten had verweerder op andere wijze de apostille kunnen verifiëren.

2.5.1

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Apostilleverdrag is het Apostilleverdrag van toepassing op openbare akten die zijn opgemaakt op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en moeten worden overgelegd op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat.

Ingevolge artikel 2, voor zover hier van belang, stelt iedere Verdragsluitende Staat de stukken waarop dit Verdrag van toepassing is en die op zijn grondgebied moeten worden overgelegd, vrij van legalisatie. In het Apostilleverdrag wordt onder legalisatie uitsluitend verstaan de formaliteit waarbij de diplomatieke of consulaire ambtenaren van het land op welks grondgebied de akte moet worden overgelegd, een bevestigende verklaring afgeven omtrent de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, mag, ter bevestiging van de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk, geen andere formaliteit worden verlangd dan toevoeging van de in artikel 4 beschreven apostille, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de staat waaruit het stuk afkomstig is.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt de apostille bedoeld in artikel 3, eerste lid, op het stuk zelf of op een verlengstuk gesteld; zij moet overeenstemmen met het model dat als bijlage aan het Apostilleverdrag is toegevoegd.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, wordt de apostille afgegeven op verzoek van de ondertekenaar of de houder van het stuk.

Ingevolge het tweede lid, bevestigt zij, behoorlijk ingevuld, de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk.

Ingevolge het derde lid, behoeven de handtekening, het zegel of het stempel op de apostille niet voor echt te worden verklaard.

Ingevolge artikel 6, voor zover thans van belang, wijst iedere Verdragsluitende Staat, de officiële functie vermeldende, de autoriteiten aan, bevoegd om apostilles als bedoeld in artikel 3, eerste lid, af te geven.

Ingevolge artikel 7 houdt elke overeenkomstig artikel 6 aangewezen autoriteit een register of een kaartsysteem aan, waarin van de afgegeven apostilles aantekening wordt gehouden onder vermelding van:

a) het volgnummer en de datum van de apostille,

b) de naam van de ondertekenaar van de openbare akte en de hoedanigheid waarin hij heeft gehandeld of, indien de akte niet is ondertekend, de naam van de autoriteit die het stuk heeft gezegeld of gestempeld.

Op verzoek van iedere belanghebbende dient de autoriteit die de apostille heeft afgegeven, na te gaan of de gegevens in de apostille overeenstemmen met die van het register of het kaartsysteem.

2.5.2

Verweerder voert kennelijk het beleid dat een vreemdeling, om aan te tonen dat hij aan de wettelijke vereisten voor toelating voldoet, een verklaring omtrent het gedrag over dient te leggen, waaruit valt af te leiden dat hij geen justitiële antecedenten heeft. Voorts voert verweerder kennelijk het beleid dat hij slechts van de juistheid van de inhoud van een verklaring omtrent gedrag afkomstig uit Venezuela uitgaat, indien de bij het desbetreffende document behorende apostille kan worden geverifieerd door middel van een verificatiecode, zijnde kennelijk (een van) de wijze(n) waarop door de Venezolaanse autoriteit invulling is gegeven aan artikel 7 van het Apostilleverdrag. In het door appellanten aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat dit beleid in zijn algemeenheid onredelijk is. Nu het verzoek van appellante sub 2 van 1 juli 2016 niet vergezeld is gegaan van een verklaring omtrent het gedrag, voorzien van een apostille met een verificatiecode, heeft verweerder door haar niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat zij aan de vereisten voor vergunningverlening voldoet. Appellanten hebben voorts gesteld noch aannemelijk gemaakt dat het door verweerder onverkort handhaven van voormeld beleid voor appellante sub 2 gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het met het beleid te dienen doel.

Ten aanzien van de voor het eerst in beroep door appellanten overgelegde van een apostille met verificatiecode voorziene verklaring omtrent het gedrag, overweegt het gerecht, in navolging van vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer de uitspraak van 14 december 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7643), dat in de fase van de bestuurlijke besluitvorming aangetoond moet worden dat aan de voor de vergunningverlening gestelde eisen wordt voldaan en dit in de regel niet voor het eerst in rechte kan gebeuren. Gelet hierop en nu appellanten niet gemotiveerd hebben gesteld dat zij deze verklaring niet reeds in bezwaar hebben kunnen overleggen, kan deze reeds om die reden niet tot het ermee beoogde resultaat leiden. Het betoog faalt.

2.6

Het beroep is ongegrond.

2.7

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

 verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 6 november 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).