Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:884

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
LAR nr. 2030 van 2015 (AUA201500544)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) - De door appellanten aldus gestelde omstandigheden leiden, hoe ernstig die zonder twijfel zijn, niet tot het oordeel dat zij het bezwaarschrift hebben ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden in de zin van artikel 12, derde lid, van de Lar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 november 2017

LAR nr. 2030 van 2015 (AUA201500544)

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

1. [appellant 1],

2. [appellante 2],

3. [appellante 3],

allen wondend in Aruba,

APPELLANTEN,

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix,

gericht tegen:

het uitvoeringsorgaan Algemene Ziektekostenverzekering,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER

gemachtigde: mr. S.E. van Spall.

1 PROCESVERLOOP

Appellanten hebben op 30 april 2015 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van verweerder van 28 februari 2014, waarbij verweerder ten behoeve van appellante sub 3 de medische instelling Fundacion Cardio Vascular in Bucaramanga heeft aangewezen om een medische ingreep te ondergaan.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar hebben appellanten op 10 september 2015 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Verweerder heeft op 20 oktober 2015 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 maart 2016, alwaar zijn verschenen appellanten bij mr. E.R. Zeppenfeldt, occuperende voor mr. R.A. Wix, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd, en ter zitting van 25 september 2017, alwaar zijn verschenen appellant sub 1, bijgestaan door mr. E.R. Zeppenfeldt, occuperende voor mr. R.A. Wix, en verweerder, bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Het gerecht overweegt dat appellanten tijdig in beroep zijn gekomen tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaarschrift van 30 april 2015. Daartoe wordt overwogen dat verweerder, gelet op de termijnen, vermeld in de artikelen 15, onder a, 19, eerste lid, en 20, eerste lid, van de Lar, binnen twaalf weken na indiening van het bezwaarschrift, te weten uiterlijk op 23 juli 2015, daarop een beslissing had behoren te nemen. Door niet binnen die termijn te beslissen, is verweerder op 24 juli 2015 in gebreke geraakt en is de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Lar op die dag aangevangen. Het op 10 september 2015 ingekomen beroepschrift is dan ook tijdig ingediend.

2.2

Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft hij bij beschikking van 12 mei 2016 geen beslissing gegeven op het bezwaarschrift van appellanten van 30 april 2015. Weliswaar is bij die beschikking een advies van de bezwaaradviescommissie gevoegd, dat betrekking heeft op een drietal bezwaarschriften van appellanten, waaronder het onderhavige, maar in die beschikking is uitdrukkelijk vermeld dat deze is gegeven op het bezwaarschrift van appellanten van 31 maart 2015, gericht tegen de beschikking van verweerder van 26 februari 2015, derhalve niet op het voorliggende bezwaarschrift van appellanten van 30 april 2015, gericht tegen de beschikking van verweerder van 28 februari 2014.

2.3

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van 30 april 2015 buiten de daarvoor gestelde termijn is ingediend en dat zich geen redenen voordoen, op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

2.3.1

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze termijn in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend. Nu de beschikking op 28 februari 2014 is gedagtekend, is de termijn op die dag aangevangen en op 11 april 2014 geëindigd. Het op 30 april 2015 ingekomen bezwaarschrift is dan ook buiten de in voornoemd artikel gegeven termijn ingediend.

2.3.2

Appellanten betogen dat deze termijnoverschrijding, gelet op de volgende omstandigheden, verschoonbaar is. Gedurende de bezwaartermijn verkeerden zij in een loodzware en hectische periode, waarin hun aandacht erop was gericht om het leven van appellante sub 3 te redden. Voorts konden zij op dat moment de gevolgen van de beschikking van 28 februari 2014 niet goed overzien en waren er bovendien niet van op de hoogte dat zij daartegen bezwaar konden maken. Volgens appellanten heeft verweerder zich er voorts nooit van vergewist of appellanten van die mogelijkheid op de hoogte waren.

2.3.3

De door appellanten aldus gestelde omstandigheden leiden, hoe ernstig die zonder twijfel zijn, niet tot het oordeel dat zij het bezwaarschrift hebben ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden in de zin van artikel 12, derde lid, van de Lar. Zij hebben hen niet hoeven te beletten om, desnoods door inschakeling van een ander en op nader aan te vullen gronden, tijdig bezwaar te maken tegen de beschikking van 28 februari 2014. Dat appellanten ten gevolge van die omstandigheden zich de mogelijkheid bezwaar te maken niet hebben gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat bij de desbetreffende beschikking rechtsmiddelenvoorlichting was gegeven. Dat zij door de beschikking van 28 februari 2014 voorts ernstig in hun belangen zijn getroffen, is voorts geen omstandigheid die tot het oordeel kan leiden dat het bezwaar niettemin ontvankelijk dient te worden geacht.

2.4

Onder deze omstandigheden had verweerder het bezwaar van appellanten niet‑ontvankelijk moeten verklaren, zodat het beroep van appellanten in zoverre gegrond is. Gelet hierop, ziet het gerecht voorts aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.5

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de met een afwijzende beschikking gelijkgestelde fictieve beschikking op het bezwaar van appellanten;

verklaart het door appellanten tegen de beschikking van 28 februari 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking;

veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellanten voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 500,-;

gelast dat het door appellanten gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan hen wordt terugbetaald.

Deze beslissing werd gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 6 november 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).