Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:873

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
A.R. 2252 van 2016/AUA201600764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Vordering tot vernietiging van een pensioenovereenkomst op grond van dwaling althans ongerechtvaardigde verrijking en gedaagde te veroordelen tot restitutie van de betaalde premies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5995
PJ 2018/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 11 oktober 2017

Behorend bij A.R. 2252 van 2016/AUA201600764

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende te Aruba,

EISER, hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

tegen:

de stichting

stichting ALGEMEEN PENSIOENFONDS ARUBA,

gevestigd te Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: Apfa,

gemachtigde: de advocaat mr. M.G.M. Schwengle.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 1 april 2005 is [eiser] in vaste pensioengerechtigde dienst benoemd en tot 1 augustus 2009 werkzaam geweest als onderwijskracht bij Stichting EPB.

2.2

Gedurende deze hele periode was de Pensioenverordening Landsdienaren (hierna PVL) van kracht.

2.3

In artikel 8 van de PVL is onder meer bepaald dat ambtenaren bij het verlaten van de dienst bij een leeftijd van tenminste 55 jaar, een diensttijd van minstens 20 jaar, waarvan 10 jaar in Arubaanse overheidsdienst, recht op pensioen hebben.

2.4

In artikel 9 van de PVL is bepaald dat aan ambtenaren, die voor het vervullen van de in artikel 8, lid 1, onderdeel a, genoemde minimum dienst- en leeftijd wegens ongeschiktheid voor de verdere dienst, om andere redenen dan in artikel 8, eerste lid onderdeel b, vermeld worden ontslagen, kan, wanneer zij een diensttijd van ten minste 10 jaren in Arubaanse dienst vervuld hebben, bij landsbesluit pensioen worden toegekend, volgens de bepalingen dezer landsverordening, of tijdelijk pensioen op de voet van de regelen welke voor de toekenning van wachtgelden uit ’s Lands kas gelden.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiser] vordert, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de pensioenovereenkomst met Apfa te vernietigen op grond van dwaling althans ongerechtvaardigde verrijking en Apfa te veroordelen tot restitutie van de betaalde premies over de periode 1 april 2005 tot 1 augustus 2009 en te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van Apfa in de kosten van de procedure.

3.3

Apfa voert hiertegen verweer, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan de orde is de vraag of [eiser] gedwaald heeft ten tijde van het aangaan van de ‘pensioenovereenkomst met Apfa’ dan wel dat Apfa door de betaling van de pensioenpremies door [eiser], ongerechtvaardigd is verrijkt. Hiertoe strekt het volgende.

4.2

Vast staat dat [eiser] niet voldoet aan het vereiste van 10 geldige dienstjaren in Arubaanse overheidsdienst. Tussen partijen is dit niet ter discussie en ook [eiser] erkent dat hem op juiste gronden geen pensioen is toegekend bij het bereiken van zijn 55ste levensjaar.

4.3

Anders dan [eiser] is het gerecht van oordeel dat er geen sprake kan zijn van dwaling, aangezien tussen hem en Apfa nimmer een (pensioen)overeenkomst tot stand is gekomen. Apfa is slechts de pensioenuitvoerder van de tussen [eiser] en Stichting EPB tot stand gekomen arbeidsrechtelijke relatie, op grond waarvan [eiser] pensioen is gaan opbouwen bij Apfa. Echter zelfs indien er wel een pensioenovereenkomst tot stand zou zijn gekomen tussen Apfa en [eiser], zou zijn beroep op dwaling niet slagen, nu geen van de in artikel 6:228 lid 1 BWA beschreven situaties zich heeft voorgedaan. Apfa kan immers niet verweten worden dat zij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, nu Apfa haar werkzaamheden uitsluitend uitvoert op grond van wettelijke bepalingen, waarvan de inhoud voor een ieder kenbaar is of redelijkerwijs kan zijn. Van wederzijdse dwaling kan in deze setting evenmin sprake zijn.

4.4

Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking wordt als volgt overwogen. De premieafdracht aan Apfa geschiedde op grond van de tussen [eiser] en de Stichting EPB tot stand gekomen overeenkomst respectievelijk op grond van het bepaalde in artikel 29 en 30 van de PVL. Voor de premieafdracht bestond derhalve wel degelijk een rechtvaardigingsgrond, zodat er nimmer sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Daar komt bij dat uit artikel 43 PVL volgt dat betaalde pensioenbijdragen niet worden gerestitueerd.

4.5

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eiser] afgewezen worden.

Nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij in de kosten van de procedure veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

wijst het gevorderde af;

5.2

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Apfa begroot op Afl. 2.500,00 voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.