Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:858

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
A.R. nr. 839 van 2016 /AUA201600847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, een rentepercentage van 18% per jaar toelaatbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 1 november 2017

Behorend bij A.R. nr. 839 van 2016 /AUA201600847

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: IFA,

gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,

tegen:

[naam gedaagde],

wonende in Aruba te [adres],

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 12 april 2017 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 14 juni 2017 door IFA genomen akte uitlating;

- de akte niet dienen van een antwoordakte, verleend ter rolzitting van 20 september 2017 ten laste van [gedaagde].

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in voormeld tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen.

2.2

Voorop wordt gesteld dat (de strekking en geest van) het in het voormeld tussenvonnis onder 3.3 neergelegde voorlopig oordeel ziet op de omstandigheid dat volgens het Gerecht ook in dit geval sprake is van een door IFA bedongen rente die hoger is (te weten 10% hoger) dan het door ondergetekende rechter maximaal aanvaarde percentage van 18% jaarlijks. Voormeld oordeel betreft dus de voorshandse constatering van dit Gerecht dat sprake is van rente die 10% hoger is dan 18% jaarlijks. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich over die constatering uit te laten.

2.3

In het licht van vorenstaande heeft het Gerecht kennis genomen van door IFA opgeworpen “grieven” tegen het niet voorshandse oordeel van ondergetekende rechter dat rente hoger dan 18% jaarlijks nietig is als zijnde in strijd met de goede zeden, maar stelt die terzijde.

2.4

IFA heeft bij de door haar genomen akte tevens verzocht haar aanvankelijke eis te mogen wijzigen. Nu [gedaagde] geen bezwaar heeft ingesteld tegen dat verzoek, wordt die eiswijziging toegelaten. De door IFA gewijzigde eis heeft hier als ingelast te gelden.

2.5

Naar het oordeel van het Gerecht volgt uit de stellingen van IFA dat haar aanvankelijke vordering was gegrond op een rente die 10% hoger is dan het door ondergetekende rechter in Aruba aanvaarde maximale percentage van 18% jaarlijks. In zoverre is die door IFA bedongen rente nietig als zijnde strijdig met de openbare orde en/of de goede zeden. De primaire vordering van IFA, die is gegrond op een rente van 28%, zal daarom worden afgewezen.

2.6

De thans door IFA ingestelde subsidiaire vordering lijkt naar het oordeel van het Gerecht - anders dan haar primaire vordering - gegrond op een wel toelaatbaar rentepercentage van 18% jaarlijks. [gedaagde] heeft in elk geval (de juistheid van) die volgens IFA op een jaarlijkse rente van 18% gebaseerde vordering en de daaraan door IFA ten gronde gelegde berekening niet bestreden. De slotsom luidt dat de subsidiaire vordering van IFA zal worden toegewezen als na te melden.

2.7

De vordering van IFA ter zake van vergoeding van kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte zal worden afgewezen omdat die vordering voldoende met (toegelichte) stukken onderbouwde grondslag mist. Uit het enkele feit dat partijen vergoeding van die kosten overeen zijn gekomen vloeit niet voort dat de vordering op dit onderdeel zonder meer wordt toegewezen. Van belang is dat vast komt te staan dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn aan te merken als verrichtingen anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft (zie HR NJ 2003/566 in verbinding met HR NJ 2007/482). Onderbouwd gesteld is met name niet dat zulke werkzaamheden zijn verricht. De enkele door IFA als productie 2 bij het verzoekschrift overgelegde aanmaningsbrief valt zonder meer binnen het bereik van voormeld artikel.

2.8 [

gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure waaronder begrepen die van het door IFA ten laste van [gedaagde] op 29 maart 2016 gelegde bij partijen genoegzaam bekende conservatoire derdenbeslag. Tot aan deze uitspraak worden de proceskosten begroot op (450,-- + 211,14 + 275,31 + 198,72 + 198,72 =) Afl. 1.333,89 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten van tarief 3 van het liquidatietarief, ad Afl. 500,-- per punt). Hierbij heeft te gelden dat het Gerecht geen half punt toekent aan IFA voor de door haar genomen akte, nu die akte achterwege had kunnen blijven indien IFA haar in het verzoekschrift neergelegde vordering had gebaseerd op een wel toelaatbaar rentepercentage.

2.9

In het licht van het beroep van IFA op de richtlijnen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, die bepalen dat een maximaal jaarlijks kostenpercentage van 27% toelaatbaar is in geval van consumentenkrediet, wordt ten overvloede nog overwogen dat het Gerecht ambtshalve kennis draagt van de omstandigheid dat de Centrale Bank van Aruba (met welke Bank in Aruba - anders dan met die van Curaçao en Sint Maarten - rekening gehouden moet worden) concept wetgeving heeft ontwikkeld en heeft aangeboden aan de minister van Financiën van Aruba krachtens welke (wat die Centrale Bank betreft) zal worden bepaald dat hier te lande met betrekking tot consumentenkredieten gelduitleners wettelijk gehouden zullen zijn om niet meer dan een bij die wetgeving vast te stellen maximaal rentepercentage in rekening te brengen (zie in dit verband paragraaf 4.1.2 van het zogeheten door de Centrale Bank van Aruba gepubliceerde “Financial Sector Supervision Report 2016” (http://www.cbaruba.org/cba/readBlob.do?id=4111)). Het is van algemene bekendheid dat naar aanleiding of op grond van rechtspraak van dit Gerecht inmiddels vrijwel alle Arubaanse financiële instellingen maximaal 18% aan jaarlijkse rente in rekening brengen aan consumenten. Het valt naar het oordeel van het Gerecht geenszins uit te sluiten dat wat de Centrale Bank van Aruba betreft aansluiting wordt gezocht bij die in Aruba breed gehanteerde praktijk als het gaat om het vaststellen van een wettelijk maximum van aan consumenten in rekening te brengen rente.

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijke kwijting aan IFA te betalen

Afl. 7.501,50, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 12 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van IFA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.333,89 aan verschotten en

Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.