Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:855

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
AUA201600541
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) - Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat appellante door zonder toestemming hiertoe werkzaam te zijn, niet voldoet aan de voorwaarde verbonden aan de aan haar verleende vergunning tot tijdelijke verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 oktober 2017

AUA201600541

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellante],

verblijvend in Aruba,

APPELLANTE,

procederend in persoon,

gericht tegen:

de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. G.M.N. Maduro (DIMAS).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 19 augustus 2016 heeft verweerder het verzoek van appellante om een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen om zonder toestemming in dienstverband werkzaamheden te verrichten en onder garantie van appellantes echtgenoot te verblijven afgewezen.

Daartegen heeft appellante op 22 augustus 2016 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 12 december 2016 beroep ingesteld.

Op 20 maart 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2017 waar verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, is verschenen. Appellante is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Verweerder betoogt in het verweerschrift dat omdat hij bij beschikking van 14 maart 2017 alsnog op het bezwaar van appellante heeft beslist, appellante geen belang bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar heeft.

2.1.1

Dit betoog faalt. Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer de uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:33) dient, indien na het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar alsnog een reële beschikking wordt gegeven waarbij het bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard en tegen die reële beschikking geen beroep is ingesteld, het gerecht het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar te beoordelen aan de hand van de daartegen gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden. In geval van vernietiging van de fictieve afwijzing kan dit ertoe leiden dat het betrokken bestuursorgaan in de zaak moet voorzien op een wijze die ook betekenis heeft voor de reële beschikking, ook al is daartegen geen beroep ingesteld. De desbetreffende partij houdt onder die omstandigheden dan ook procesbelang bij het beroep tegen de fictieve afwijzing.

Bij beschikking van 14 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Onder deze omstandigheden en voormelde rechtspraak in aanmerking genomen, houdt appellante procesbelang bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar. Het gerecht zal dat beroep beoordelen aan de hand van de tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden.

Inhoudelijk

2.2

Appellante stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat verweerder bij het nemen van de afwijzende beslissing voorbij is gegaan aan het feit de echtgenoot van appellante voor onbepaalde tijd is toegelaten en dat hij hoogst waarschijnlijk binnenkort zijn Nederlandse nationaliteit kan krijgen. Appellante meent dat de afwijzende beschikking in strijd is met een of meerdere fundamentele rechten, dan wel met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.3

Verweerder voert aan dat aan appellante een tijdelijke verblijfsvergunning is verleend met als doel gezinshereniging, onder werkverbod, doch is er bij controle gebleken dat appellante zonder toestemming daartoe werkzaam is bij een tweetal bedrijven. Voorts voert verweerder aan dat het enkel feit dat de echtgenoot van appellante naturalisatie tot Nederlander heeft verzocht, niet betekent dat appellant als echtgenote van een Arubaan of alhier tot Nederlander genaturaliseerde persoon dient te worden behandeld. Ter zitting heeft verweerder verder aangevoerd dat appellante zich ook (nog) niet heeft laten uitschrijven bij de Sociale Verzekeringsbank (SVb).

2.4

Het gerecht overweegt als volgt.

Artikel 9, eerste lid, onder a van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (Ltuv), bepaalt dat een verzoek voor een verlening van een vergunning door of namens de minister belast met Vreemdelingenzaken kan worden geweigerd, in verband met de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de arbeidsmarkt wordt gerekend.

Eerder legaal verblijf in Aruba heeft niet automatisch hernieuwde toelating tot gevolg. Aanvragen worden beoordeeld naar op het moment algemeen vigerend toelatingsbeleid.

Conform het Vreemdelingen Toelatingsbeleid kunnen aan echtgenoten in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging een vergunning tot tijdelijk verblijf worden verleend afhankelijk van de verblijfstitel van de garantsteller. Deze vergunning wordt verleend onder een aantal voorwaarden, waaronder dat de aanvrager geen werkzaamheden mag verrichten.

2.5

Aan de afwijzende beslissing van 19 augustus 2016 en de beschikking op bezwaar van 14 maart 2017 is ten grondslag gelegd dat uit een door verweerder ingesteld onderzoek is gebleken dat appellante bij de SVb als werkzaam bij [bedrijf 1] en bij [bedrijf 2] staat ingeschreven, terwijl aan appellante in het kader van gezinshereniging een tijdelijke verblijfsvergunning is verleend met onder meer de voorwaarde dat appellante niet werkzaam mag zijn (werkverbod). Op grond hiervan is de aanvraag van appellante van 22 april 2016 afgewezen en is het bezwaar van appellante van 22 augustus 2016 ongegrond verklaard.

Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat appellante door zonder toestemming hiertoe werkzaam te zijn, niet voldoet aan de voorwaarde verbonden aan de aan haar verleende vergunning tot tijdelijke verblijf. Hierdoor handelt appellante in strijd met de openbare orde en algemeen belang. Op grond hiervan kon verweerder in alle redelijkheid het verzoek van appellante van 22 april 2016 met het oog op verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf, zonder werktoestemming afwijzen. Het bezwaar van appellante van 22 augustus 2016 is dan ook door verweerder terecht ongegrond verklaard.

2.6

Het vorenstaande leidt dan ook tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 23 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).