Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:833

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
AUA201600538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep zal, als te zijn gericht tegen het met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op bezwaar, welke naar zijn aard ongemotiveerd is, gegrond worden verklaard. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder in het verweerschrift noch ter zitting een inhoudelijke motivering heeft gegeven, welke bij de beoordeling van deze beslissing kan worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA201600538

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

de naamloze vennootschap NEW MILLENIUM TELECOM SERVICES N.V. h.o.d.n. DIGICEL ARUBA,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaten mr. J.M. de Cuba en mr. D.W. Ormel,

gericht tegen:

de minister van ECONOMISCHE ZAKEN EN TELECOMMUNICATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. H.U. Thielman.

1 PROCESVERLOOP

Op 13 mei 2016 heeft appellante de Gouverneur verzocht om haar concessie te verlenen voor het aanbieden van internationale telecommunicatiediensten.

Tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek heeft appellante op 18 augustus 2016 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellante op 9 december 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 21 en 23 maart verweerschriften ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2017, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Ormel voornoemd, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 6 van de Lar, treedt, indien een bezwaar- of beroepschrift is gericht tegen een landsbesluit, de minister wie de zaak aangaat, als bestuursorgaan op.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, stelt het bestuursorgaan het bezwaarschrift uiterlijk binnen twee weken na ontvangst hiervan in handen van de commissie.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, brengt de commissie het bestuursorgaan advies uit binnen vier weken, nadat zij het bezwaarschrift van het bestuursorgaan heeft ontvangen.

Ingevolge het tweede lid kan de commissie, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is advies uit te brengen binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, deze termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. De commissie doet van een zodanige verlenging aan de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan mededeling.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, neemt het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van de termijn.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, wordt het uitblijven van een beslissing op een bezwaarschrift binnen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde termijn gelijkgesteld met een afwijzende beslissing.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift dat betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, acht weken en gaat deze in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.

2.2

Een concessie, zoals verzocht, wordt verleend bij landsbesluit. Nu het beroep uiteindelijk is gericht tegen het uitblijven van een landsbesluit, ziet het gerecht aanleiding om, gelet op artikel 6 van de Lar, de minister van Economische Zaken en Communicatie als verweerder in deze zaak aan te merken, zoals ook bij de partijvermelding tot uitdrukking is gekomen.

2.3

Verweerder betoogt in het verweerschrift dat het op 9 december 2016 ingekomen beroepschrift voor aanvang van de termijn voor het instellen van beroep is ingediend. Volgens verweerder is de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het uitblijven van een beschikking op het op 18 augustus 2016 gemaakte bezwaar eerst op 10 december 2016 aangevangen.

2.3.1

Dit betoog faalt. Het bezwaarschrift is ingediend op 18 augustus 2016, zodat verweerder, nu de bezwaaradviescommissie de termijn voor het uitbrengen van advies heeft verlengd, binnen zestien weken na ontvangst van het bezwaarschrift, te weten uiterlijk op 8 december 2016, op het gemaakte bezwaar diende te beslissen (vergelijk GHvJ 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0634). Door niet binnen die termijn te beslissen, is verweerder op 9 december 2016 in gebreke geraakt en is de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Lar op die dag aangevangen. Het op 9 december 2016 ingekomen beroepschrift is dan ook tijdig ingediend.

2.4

Het beroep zal, als te zijn gericht tegen het met een afwijzende beslissing gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op bezwaar, welke naar zijn aard ongemotiveerd is, gegrond worden verklaard. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder in het verweerschrift noch ter zitting een inhoudelijke motivering heeft gegeven, welke bij de beoordeling van deze beslissing kan worden betrokken.

2.4

Verweerder dient binnen drie maanden na deze uitspraak een reële beschikking op het gemaakte bezwaar te geven. Daartoe wordt overwogen dat in hetgeen verweerder heeft betoogd geen grond is te vinden om in dit geval niet aan te sluiten bij de wettelijke termijn van twaalf weken waarbinnen op een bezwaarschrift dient te worden beslist.

2.5

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een reële beschikking geeft op het gemaakte bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellante voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 500,-;

  • -

    gelast dat het door appellante gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan haar wordt terugbetaald.

Deze beslissing werd gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 16 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).