Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:811

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
EJ nr. 2875 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht, gezag, ontzegging recht op omgang met minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 17 oktober 2017

Behorend bij EJ nr. 2875 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[naam vader] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. A.F.J. Caster,

tegen

[naam moeder] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna: de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L Griffith.

Belanghebbenden:

[naam minderjarige 1], hierna: [minderjarige 1],

[naam minderjarige 1], hierna: [minderjarige 2],

samen ook te noemen: de minderjarigen.

1 DE VERDERE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikkingen van dit gerecht van 15 maart 2016 en 22 augustus 2017. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de griffiersaantekeningen van het minderjarigenverhoor van 4 september 2017.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Aan de orde is het verzoek van de vader om hem voortaan gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarigen te belasten en om de omgangsregeling m.b.t. de minderjarige [minderjarige 2] te wijzigen in een co-ouderschap en de kinderalimentatie op nihil te stellen of dat de omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking d.d. 28 januari 2010 (EJ-2334/2008) na te komen onder verbeurte van een dwangsom. De vader heeft ter zitting zijn verzoek tot omgang met [minderjarige 1] ingetrokken.

Gezag

2.2

Zoals het gerecht reeds in haar tussenbeschikking van 15 maart 2016 heeft overwogen, kan de rechter, ingevolge artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA) kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast – bijvoorbeeld na een echtscheiding –, op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechter in eerste aanleg worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

2.3

Gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is het gerecht van oordeel dat de echtscheidingsbeschikking van 21 augustus 2007 (EJ-1032/2007), waarbij is bepaald dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan de moeder toekomt, niet dient te worden gewijzigd. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.

2.4

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. Een en ander vereist een minimaal vermogen tot positieve communicatie tussen de ouders.

2.5

Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat partijen al ruim 3 jaar geen communicatie hadden. Beide ouders hebben een impulsief en explosief karakter, waardoor een goede communicatie bijna onmogelijk is. Zij hebben moeite met zelfbeheersing. Indien er communicatie tussen de ouders plaatsvindt, ontstaat er ruzie. Dit veroorzaakt spanningen en onrust bij de minderjarigen. Er valt niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd in de communicatie verandering zal komen. De ouders blijven elkaar jarenlang beschuldigen over dezelfde zaken. Er is geen sprake van taakverdeling in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of enige vorm van samenwerking tussen de ouders. Hierdoor wordt de informatieplicht niet uitgevoerd, aldus de Voogdijraad. Beide ouders hebben onvoldoende inzicht in hun eigen aandeel ten aanzien van de problematiek. Naast de slechte communicatie blijkt dat er feitelijk jaren geen directe betrokkenheid van de vader in het leven van de minderjarigen bestaat, behalve een financiële bijdrage. Hij heeft bewust gekozen om een aantal jaren afstand te houden van de minderjarigen. Verder staat in het rapport dat de moeder wel degelijk in het belang van de minderjarigen handelt door zorgsignalen op te pakken en hun behoeftes te waarborgen door bijvoorbeeld professionele hulpverlening voor de minderjarigen in te schakelen en/of ondersteuning aan haar netwerk te vragen. De moeder is er van bewust dat zij de verzorging van de minderjarigen niet alleen aankan. De Voogdijraad concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarigen klem dreigt te raken indien de ouders het gezag gezamenlijk gaan uitoefenen en adviseert derhalve om de moeder alleen belast te laten met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2.5

Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij wel heeft meegewerkt met het therapietraject, maar dat niet tot een verbetering in de communicatie heeft geleid. De vader stelt zich op het standpunt dat hij van alles heeft geprobeerd om de communicatie te verbeteren, omdat dit in het belang van de kinderen is en hij graag zijn zoon wil zien, maar dat het de moeder is die niet wil meewerken.

2.6

Het gerecht overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen al geruime tijd niet in staat zijn om degelijk met elkaar te communiceren omtrent aangelegenheden die de minderjarigen aangaan.

Het gerecht is dan ook van oordeel dat er voldoende gronden aanwezig zijn om het verzoek van de vader af te wijzen. Het gerecht acht de (communicatie-) problemen tussen de vader en de moeder zodanig ernstig dat het gevaar bestaat dat bij uitoefening van gezamenlijk gezag de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de vader en de moeder. Gelet op het voorgaande acht het gerecht het in het belang van de minderjarigen wenselijk om alleen de moeder belast te laten met het gezag over de minderjarigen.

Omgang

2.7

Voorts ligt ter beoordeling voor de vraag of de omgang, zoals vastgesteld bij beschikking van d.d. 28 januari 2010 gewijzigd dient te worden in een co-ouderschap, ofwel nagekomen dient te worden onder verbeurte van een dwangsom. Uitgangspunt is dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Ingevolge artikel 1:377 a lid 3 BWA ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien er één of meer van de limitatieve afwijzingsgronden van bovengenoemd artikel zich voordoen.

2.8

Uit het rapport van de Voogdijraad is gebleken sinds [minderjarige 2] en zijn zus weer omgang met de vader hebben de problemen tussen de ouders weer zijn begonnen. Dit vindt [minderjarige 2] niet prettig. [minderjarige 2] merkt dat de omgangsmomenten steeds gepaard gaan met problemen. De vader kan heel boos worden, rare dingen zeggen tegen hem en zijn zus, maar met name tegen [minderjarige 1]. [minderjarige 2] wil de vader liever op een afstand houden om ruzies en problemen te vermijden. [minderjarige 2] heeft verder aan de Voogdijraad te kennen gegeven dat hij vreest dat bij omgangsmomenten door de ruzies iets ergs kan gebeuren. Na het incident met [minderjarige 1], waar de politie erbij gehaald werd, had [minderjarige 2] veel angst ervaren. Daarna is hij alleen naar de vader gegaan, maar voelde zich gespannen en onderdrukt. Tot slot concludeert de Voogdijraad dat een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 2] op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] is, omdat omgangsmomenten altijd aanmerkelijke spanning en onrust bij [minderjarige 2] veroorzaken, gezien omgang altijd gepaard gaat met ruzie en/of problemen.

2.9 [

minderjarige 2] heeft bij zijn minderjarigenverhoor bezwaar geuit tegen een omgangsregeling met de vader. [minderjarige 2] wenst geen omgang met vader te hebben, omdat hij bang is voor de vader. Als reden hiervoor heeft [minderjarige 2] aangegeven dat de vader bij omgangsmomenten heel boos kan worden en schreeuwen.

2.10

Naar het oordeel van het gerecht dient het in dit stadium onder de gegeven omstandigheden geen enkel doel om de bestaande omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te handhaven en [minderjarige 2] daarmee te dwingen tegen zijn zin omgang te hebben met de vader. Dit zal naar verwachting uitsluitend een averechts effect hebben. Aannemelijk is dat dit bovendien grote spanningen bij [minderjarige 2] zal veroorzaken. Een met spanning omgeven omgang met de vader, is stellig niet in het belang van de minderjarige. In dit stadium dient omgang tussen de vader en [minderjarige 2] in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige 2] te worden geoordeeld als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 onder d BWA. Daarnaast is het gerecht van oordeel dat, nu gebleken is dat de vader kennelijk niet inziet dat zijn wijze van omgaan met de minderjarigen belastend en schadelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige 2], de vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang (artikel 1:377a lid 3 sub b BWA). Het verzoek van de vader om de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking d.d. 28 januari 2010 in een co-ouderschap dient te worden gewijzigd ofwel nagekomen dient te worden, zal worden afgewezen. Uit het vorenstaande vloeit voorts voort dat aan de vader het recht op omgang met [minderjarige 2] dient te worden ontzegd.

Kinderalimentatie

2.11

Nu het verzoek van de vader met betrekking tot de omgangsregeling en het ouderlijk gezag is afgewezen is er geen aanleiding tot wijziging van de kinderalimentatie. Het desbetreffende verzoek zal worden afgewezen.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

wijst het verzoek af,

ontzegt aan de vader het recht op omgang met de minderjarige [naam minderjarige 2],

compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, ter zitting van 17 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.