Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:801

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
EJ nr. 1078 van 2017 / AUA2017000924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

civiel-ej-wijziging kinderalimentatie-gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 10 oktober 2017

behorend bij EJ nr. 1078 van 2017 / AUA2017000924

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

[naam vader] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna: de vader,

gemachtigde: mr. J.M.R.F. Scheper,

en

[naam moeder],

wonende in Aruba, te [adres],

VERWEERSTER, hierna: de moeder,

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 23 mei 2017;

  • -

    het overzicht van inkomen en uitgaven t.b.v. de minderjarigen, ingediend op 24 augustus 2017 zijdens de moeder;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 29 augustus 2017, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader bijgestaan door zijn gemachtigde en de moeder.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder is de minderjarige [naam minderjarige 1], geboren op [datum] 2004 in Aruba. De vader heeft de minderjarige erkend. Vervolgens zijn partijen in het huwelijk getreden. Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder zijn de thans nog minderjarigen geboren, [naam minderjarige 2], geboren op [datum] 2006 in Aruba en [naam minderjarige 3], geboren op [datum] 2008 in Aruba (hierna: de minderjarigen).

2.2

Bij beschikking van dit Gerecht van 14 april 2014 (EJ-542/2014), is onder meer de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken, zijn partijen gezamenlijk belast gebleven met de uitoefening van het ouderlijk gezag en is bepaald dat de vader met Afl. 200,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

3 DE BEOORDELING

Omgang

3.1

Partijen hebben op 21 november 2016 via de Voogdijraad een overeenkomst getekend over de wijze waarop de vader het omgangsrecht zal uitoefenen, ingaande 5 december 2016. De vader verzoekt om de omgangsregeling op te nemen in deze beslissing. Het Gerecht zal dienovereenkomstig beslissen, nu de moeder daartegen geen bezwaar heeft ingesteld.

Kinderalimentatie

3.2

Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 14 april 2014 (EJ-542/2014) in die zin dat het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie op nihil zal worden gesteld. Daartoe wordt aangevoerd dat de ouders ingaande 5 december 2016 een omgangsregeling via de Voogdijraad hebben vastgesteld, waarbij zij nu evenveel tijd met de minderjarigen doorbrengen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en ter zitting verzocht het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie op Afl. 100,- per kind per maand te bepalen.

3.3

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.4

Ter beoordeling ligt dus voor de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

3.5

Bij de beoordeling stelt het Gerecht voorop dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Dit geschiedt naar draagkracht. Uitgangspunt is dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij heeft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Ook in het geval sprake is van een co-ouderschapsregeling kan bepaald worden dat de meer draagkrachtige partij een bijdrage levert aan de minder draagkrachtige partij teneinde in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. Vanwege de onderhoudsplicht jegens de kinderen dient de onderhoudsplichtige zich voorts te onthouden van gedragingen die er toe leiden dat hij zijn alimentatieverplichtingen niet meer nakomt. De onderhoudsplichtige dient dan ook de belangen van de kinderen in acht te nemen wanneer hij keuzes maakt die tot gevolg hebben dat hij niet meer aan zijn alimentatieverplichtingen voldoet.

3.6

Op grond van het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de vader voldoende heeft aangetoond dat sprake is van wijzigingen van omstandigheden die een herbeoordeling van de wettelijke maatstaven rechtvaardigt. Het Gerecht zal gelet hierop een nieuwe alimentatie vaststellen.

3.7

De vader heeft ter zitting gesteld dat hij Afl. 2.200,- per maand verdient. Uit de door de moeder overgelegde loonstroken blijkt dat zij een gemiddeld netto-maandloon heeft van Afl. 1.935,-. Gelet op de draagkracht van de ouders, is het Gerecht van oordeel dat de vader in staat moet worden geacht om met een bedrag van Afl. 100,- per kind per maand bij te dragen ten behoeve van de kinderen. Het verzoek van de vader zal in zoverre worden toegewezen, met dien verstande dat met ingang van de uitspraak van deze beschikking de vader Afl. 100,- per kind per maand zal moeten betalen.

Gezag

3.8

Het zelfstandig verzoek van de moeder strekt tot – naar het Gerecht begrijpt –beëindiging van het gezamenlijk gezag over de kinderen en het belasten van alleen de moeder met de uitoefening van het gezag. De vader heeft aangevoerd dat partijen wel goed kunnen communiceren en dat de communicatie is verslechterd nadat de vader geweigerd heeft de vastgestelde kinderalimentatie te betalen.

3.9

Het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en bepaling van eenhoofdig gezag is gebaseerd op artikel 1:253n BW. Ingevolge deze bepaling kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de desbetreffende beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Het Gerecht overweegt dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat een van de ouders met het gezag wordt belast, zoals met name indien de (communicatie)problemen tussen de ouders zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. (HR 18 maart 2005, LJN AS8525; vgl. HR 10 september 1999, NJ 2000, 20).

3.10

Gelet op het verhandelde ter zitting acht het Gerecht beëindiging van het gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen. Weliswaar is gebleken dat de ouders (nu nog) moeilijk met elkaar kunnen communiceren, echter het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kinderen kunnen voordoen, zodanig dat zij niet klem of verloren raken tussen de ouders. Het Gerecht is er niet van overtuigd dat er op dit moment een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen tussen hun ouders klem of verloren zullen raken, nu de ouders een co-ouderschap hebben. De ouders worden hierdoor geacht goed met elkaar te kunnen communiceren. Het Gerecht gaat er vanuit dat beide ouders hun verantwoordelijkheid zullen nemen en zich in het belang van de kinderen optimaal zullen inspannen om de onderlinge communicatie tussen hen als ouders te verbeteren. Nu ook overigens geen sprake is van feiten of omstandigheden die er toe leiden dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is, is het Gerecht van oordeel dat beide ouders met het gezag over de minderjarigen belast dienen te blijven. Het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag zal dan ook worden afgewezen.

3.11

In de aard van de procedure ziet het Gerecht aanleiding om de kosten van deze procedure te compenseren tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-bepaalt de omgangsregeling tussen de vader [naam vader] en de minderjarigen, [naam minderjarige 1], geboren op [datum] 2004 in Aruba, [naam minderjarige 2], geboren op [datum] 2006 in Aruba en [naam minderjarige 3], geboren op [datum] 2008 in Aruba, zoals door de vader en de moeder overeengekomen op 21 november 2016 bij de Voogdijraad, waarvan de inhoud als hier ingevoegd heeft te gelden,

-wijzigt de beschikking van dit Gerecht van 14 april 2014 (EJ-542/2014) in dier voege dat de bijdrage van de vader[naam vader] in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam minderjarige 1], [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 3], wordt bepaald op Afl. 100,- per kind per maand, ingaande heden;

-compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

-verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, ter terechtzitting van dinsdag 10 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.