Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:736

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
EJ nr. 2747 van 2015 / AUA201500573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

personen- en familie recht, gezag over minderjarige, wijziging van omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 19 september 2017

behorend bij EJ nr. 2747 van 2015 / AUA201500573

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak tussen

[naam vader] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna: de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M.R.F. Scheper,

en

[naam moeder],

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza.

Belanghebbende:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum],

de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

De eerdere procedure blijkt uit de beschikkingen van dit gerecht van 17 januari 2017. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 27 juni 2017, waaruit blijkt dat partijen, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd, zijn verschenen. Namens de Voogdijraad was aanwezig mevrouw. A. Emmanuel.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

Gezag

2.1

Aan de orde is het zelfstandig verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag, in die zin dat de moeder voortaan alleen met het gezag over de minderjarige wordt belast. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de moeder aangevoerd dat zij, vanaf de echtscheiding tussen haar en de vader, feitelijk alleen het gezag over de minderjarige heeft uitgeoefend, aangezien de vader zich niet om de minderjarige heeft bekommerd. Verder heeft de moeder aangegeven dat partijen niet met elkaar communiceren.

2.2

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA). Ingevolge dit artikel kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de desbetreffende beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechter, aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Beslissend zal zijn wiens gezag over het kind de rechter het meeste in het belang van het kind oordeelt.

2.3

Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders.

2.4

In zijn rapport van 17 juni 2016 heeft de Voogdijraad geadviseerd om de moeder alleen te belasten met het gezag over de minderjarige. Uit het rapport is toen gebleken dat er geen enkele vorm van communicatie bestond tussen de ouders, dat de moeder - al dan niet bewust - misbruik maakte van haar gezag door alle beslissingen aangaande de minderjarige alleen te nemen, dat de vader, met zijn afstandelijke/afwachtende houding, toegelaten heeft dat de moeder misbruik van haar gezag kon maken en dat vader feitelijk jarenlang het gezag niet heeft uitgeoefend. Verder staat in het rapport van de Voogdijraad dat de moeder de minderjarige de nodige structuur, rust, stabiliteit en veiligheid biedt.

2.5

In haar tussenbeschikking van 17 januari 2017 heeft het gerecht als volgt overwogen. In het belang van de minderjarige dienen partijen hun verantwoordelijkheden als ouders op zich te nemen en er alles aan te doen om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Beide partijen dienen daartoe de benodigde stappen te nemen.

2.6

Ter zitting is gebleken dat de situatie, sinds bovengenoemde beschikking, ongewijzigd is gebleven, dat partijen, gezien alle gebeurtenissen in het verleden, nog altijd niet met elkaar communiceren en dat partijen niet in staat zijn om met elkaar te overleggen over de minderjarige. Verder is het het gerecht niet gebleken dat te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat er een onaanvaardbare risico bestaat dat de minderjarige bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren zal raken. Het gerecht acht het dan ook in het belang van de minderjarige wenselijk dat het gezag over haar wordt gewijzigd, in die zin dat de moeder voortaan het gezag over de minderjarige alleen uitoefent.

Omgang

2.7

De vader heeft het gerecht verzocht om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige te bepalen. Daartoe heeft de vader aangevoerd dat de moeder hem al lange tijd ieder contact met het kind weigert.

2.8

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:377a lid 3 BWA. Ingevolge dit artikel hebben het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij er één of meer van de limitatieve afwijzingsgronden van bovengenoemd artikel zich voordoen.

2.9

In haar tussenbeschikking van 17 januari 20017 heeft het gerecht onder meer overwogen dat niet is gebleken dat zwaarwegende belangen van de minderjarige zich verzetten tegen omgang met de vader. Het gerecht heeft het in het belang van de minderjarige wenselijk geacht, nu zij verstandelijk beperkt is en aan een autistische stoornis lijdt, dat de omgang met de vader onder begeleiding van een deskundige wordt opgezet en langzaam wordt opgebouwd. Partijen dienden zelf het initiatief te nemen om een deskundige hiervoor in de arm te nemen.

2.10

Ter zitting is gebleken dat de door het gerecht voorgestelde wijze van omgangsopbouw tussen de vader en de minderjarige niet heeft plaatsgevonden en dat er feitelijk geen omgangsmomenten tussen de vader en de minderjarige waren. Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige aan een autistische stoornis lijdt, en dus de factoren die de omgang tussen de vader en het kind belemmeren nog onverkort aanwezig zijn, acht het gerecht het niet in het belang van de minderjarige dat zij omgang heeft met de vader zolang niet de nodige deskundige begeleiding heeft plaatsgevonden. De vader heeft erkend dat er speciale kwaliteiten nodig zijn om contact te kunnen hebben met de minderjarige en dat hij thans die kwaliteiten niet heeft. Het gerecht heeft de vader bij beschikking van 17 januari 2017 de kans gegeven om hiervoor adequate hulpverlening te zoeken teneinde de omgang tussen hem en de minderjarige te verwezenlijken. De vader heeft naar het oordeel van het gerecht die kans onbenut gelaten. Het gerecht ziet niet in waarom de vader, die stelt gezondheidsklachten te hebben, niet de hulp van een derde heeft ingeroepen bij de zoektocht naar deskundige begeleiding. Uit het rapport van de Voogdijraad is gebleken dat de omgangsmomenten zonder de nodige begeleiding, spanning en onrust bij de minderjarige teweeg zullen brengen. Dit zal ernstige nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van de minderjarige opleveren, zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 3 onder a BWA. Gelet op het voorgaande, alsmede de aard en de ernst van de autistische stoornis van de minderjarige, is het gerecht van oordeel dat de vader thans kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met de minderjarige. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.

2.11

De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

4 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de moeder, [naam moeder], voortaan alleen het gezag over [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba, zal uitoefenen,

compenseert de kosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 19 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.