Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:7

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
EJ nr. 1620 van 2016
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht, kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 10 januari 2017

behorend bij EJ nr. 1620 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

DE VOOGDIJRAAD,

kantoorhoudend in Aruba,

VERZOEKER,

vertegenwoordigd,

en

[naam vader],

wonende in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de man,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.

Belanghebbende:

[naam moeder], de moeder.

1 DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 6 juli 2016;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 22 november 2016, waaruit blijkt dat aanwezig waren de verzoeker bij mr. M. Ras-Pieternella en mevrouw A. Emanuel, de moeder in persoon en de man bijgestaan door zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

Uit de moeder is op [geboortedatum] in Nederland geboren de thans nog minderjarige [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige). De minderjarige is niet erkend.

3 HET VERZOEK

Het verzoek strekt tot het veroordelen van de man tot betaling van een maandelijkse bijdrage van Afl. 450,- ingaande 1 augustus 2016 als voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Daartoe wordt gesteld dat hij de verwekker is van de minderjarige en dat hij voldoende inkomen uit arbeid geniet.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het gerecht stelt voorop dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Dit geschiedt naar draagkracht. Ingevolge artikel 1:394 BWA is de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Artikel 1:406 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BWA) bepaalt, dat in het geval een ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk nakomt, zowel de voogdijraad als de andere ouder de rechter kan verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de man thans met een bedrag van Afl. 250,- per maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Ter beoordeling ligt dan voor de vraag of de man desondanks niet voldoet aan zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De kosten van verzorging en opvoeding

4.3.1

De moeder heeft de kosten van de minderjarige op Afl. 924,63 per maand gesteld. De man heeft de door de moeder gestelde kosten weersproken en gesteld dat hij ook geld aan de minderjarige uitgeeft en schoolgeld, uniform, aircogeld en sportattributen voor hem betaalt. Volgens de man dient de behoefte te worden gesteld op het normbedrag dat het gerecht hanteert.

4.3.2

Bij het vaststellen van de behoefte van de minderjarige hanteert het gerecht als richtsnoer dat deze voor kinderen jonger dan 12 jaar oud gemiddeld Afl. 450,- per maand bedraagt. Het gerecht is van oordeel dat aangenomen kan worden dat de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen in de leeftijd als die van partijen rond dat bedrag liggen. In dit bedrag zitten begrepen de kosten voor kleding en recreatie/feestjes, zodat met de door de moeder opgevoerde daadwerkelijke kosten van deze lasten bij de vaststelling van de behoefte niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Dit bedrag kan worden verhoogd indien blijkt van bijzondere uitgaven ten behoeve van de kinderen die niet zijn begrepen in genoemd bedrag van Afl. 450,- (zoals noodzakelijke kosten voor opvang). Het gerecht zal in dit geval rekening houden met de post “psycholoog” ad Afl. 55,50 per maand en de post “huiswerkbegeleiding (traimerdia)” ad Afl. 230,- per maand, nu de noodzaak van deze kosten voldoende aannemelijk zijn gemaakt door de moeder en de man deze kosten niet heeft weersproken. Gelet op het vorenstaande kan de behoefte van de minderjarige worden vastgesteld op Afl. 735,- per maand, waaraan de ouders naar draagkracht en naar evenredigheid dienen bij te dragen.

De draagkracht van de moeder

4.4.1

De moeder is ambtenaar. Het is het gerecht ambtshalve bekend dat ambtenaren jaarlijks een voorjaarspremie van Afl. 1.500,-, een najaarspremie van Afl. 1.500,-, en een reparatie-premie van Afl. 850,- ontvangen.

Uit de door de moeder overgelegde loonstroken blijkt dan dat haar gemiddeld netto-maandinkomen - bezoldiging (Af. 3.228,46 p/m) vermeerderd met de vakantie-uitkering (Afl. 3.810,- p/j) en de diverse toelages (Afl. 3.850,- p/j) – Afl. 3.866,79 bedraagt.

4.4.2

Bij de vaststelling van de draagkracht van de moeder gaat het gerecht er vanuit dat zij, exclusief de kosten van huur, een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in haar eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten onder andere begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoon/internet/cable aansluiting en van autogebruik, zodat met de door de moeder opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden.

Het gerecht zal verder rekening houden met de posten “persoonlijke lening” ad Afl. 753,- per maand en “studielening” ad Afl. 62,50,- per maand. De overige opgevoerde lasten wordt de moeder geacht te betalen uit voornoemd forfaitair in aanmerking te nemen bedrag van Afl. 1.400,-. De post “bijdrage thuis” ad Afl. 775,- wordt door de man betwist. Deze post is verder niet met stukken onderbouwd. Het gerecht zal in dit geval wel rekening houden met deze post aangezien aannemelijk is dat deze kosten worden gemaakt.

4.4.3

De totale in aanmerking te nemen (noodzakelijke) vaste lasten van de moeder bedragen, gelet op het vorenstaande, totaal afgerond Afl. 2.990,50.

4.4.4

Uit het vorenstaande volgt dat de moeder maandelijks een bedrag overhoudt van (Afl. 3.866,79 - Afl. 2.990,50 =) Afl. 876,29, waarmee zij aan haar verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen.

De draagkracht van de man

4.5.1

De man is ook ambtenaar. Het is het gerecht ambtshalve bekend dat ambtenaren jaarlijks een voorjaarspremie van Afl. 1.500,-, een najaarspremie van Afl. 1.500,-, en een reparatie-premie van Afl. 850,- ontvangen.

Uit de door de man overgelegde loonstroken blijkt dan dat zijn gemiddeld netto-maandinkomen - bezoldiging (Af. 3.945,54 p/m) vermeerderd met de vakantie-uitkering (Afl. 2.510,- p/j) en de diverse toelages (Afl. 3.850,- p/j) – Afl. 4.475,54 bedraagt.

4.5.2

Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het gerecht er vanuit dat hij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in zijn eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoonaansluiting en van autogebruik, zodat met de door de vader opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden.

Het gerecht zal verder rekening houden met de posten “hypotheek FCCA” ad Afl. 1000,-, “auto lening Aruba Bank” ad Afl. 843,- en “Lening Island Finance” Afl. 350,- per maand, nu de noodzaak van deze kosten voldoende aannemelijk is gemaakt. De overige (niet betwiste) opgevoerde lasten wordt de vader geacht te betalen uit voornoemd forfaitair in aanmerking te nemen bedrag van Afl. 1.400,-.

4.5.3

De totale in aanmerking te nemen (noodzakelijke) vaste lasten van de vader bedragen, gelet op het vorenstaande, totaal afgerond Afl. 3.593,-.

4.5.4

Uit het vorenstaande volgt dat de man maandelijks een bedrag overhoudt van (Afl. 4.475,54 - Afl. 3.593,- =) ca. Afl. 882,54, waarmee hij aan zijn verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen.

4.6

Gelet op de draagkracht van partijen en op de behoefte van de minderjarige is het gerecht van oordeel dat de man zijn verplichting tot voorziening in de kosten van de minderjarigen niet behoorlijk nakomt. Het gerecht acht een door de vader te betalen bijdrage van Afl. 370,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De ingangsdatum van de bijdrage zal worden bepaald op 1 september 2016.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt de bijdrage van [naam vader] in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Aruba, uit de vrouw [naam moeder] op Afl. 370,- per maand, met ingang van 1 september 2016,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het anders of meer verzochte.

Aldus gegeven door mr. J. Sap, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 10 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.