Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:677

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
AUA201700175
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet de algemene bestuursrechter maar de belastingrechter is bevoegd in precariozaken. Ook zonder vergunning is belanghebbende precario verschuldigd nu ze openbare grond inneemt voor het plaatsen van strandstoelen. Het gratis ter beschikking stellen van strandstoelen valt niet onder de categorie “uitstallen van ter verkoop aangeboden goederen”. Heffing kan slechts plaatsvinden over verstreken tijdvakken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 28 augustus 2017

BBZ nr. AUA201700175

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

Op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[ X ], gevestigd in Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DIRECTIE INFRASTRUCTUUR EN PLANNING, zetelend in Aruba, de DIP,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 19 augustus 2016 een factuur inzake over het jaar 2016 verschuldigd precariorecht aangeboden. De dagtekening van de factuur is 21 juli 2016. Tegelijkertijd met de factuur zijn een begeleidingsbrief en de Algemene en Bijzondere Voorwaarden Precario toegezonden.

1.2

Belanghebbende is op 23 september 2016 tegen voormelde stukken in bezwaar gekomen.

1.3

Aan belanghebbende is met begeleidend schrijven van 30 januari 2017 een nieuwe factuur precariorecht 2016 aangeboden. De dagtekening van de nieuwe factuur is 16 januari 2017.

1.4

Belanghebbende is op 2 maart 2017 in beroep gekomen tegen de beschikking van 30 januari 2017 met betrekking tot de hoogte van het verschuldigde precariorecht. Ter zake van de indiening van het beroepschrift heeft belanghebbende een bedrag van Afl. 150 aan griffierecht voldaan.

1.5

Belanghebbende heeft op 8 mei 2017 aanvullende gronden en nadere stukken ingediend. De DIP heeft op 15 juni 2017 een verweerschrift met bijlagen ingediend.

1.6

Ter zitting van 15 juni 2017 te Aruba zijn namens de DIP [ A ], [ B ], [ C ], [ D ], [ E ] en [ F ] verschenen. Namens belanghebbende zijn verschenen [ G ], [ H ], [ I ], [ J ], [K ] en [ L ]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Ter zitting zijn tegelijkertijd behandeld de zaken, die bij het Gerecht geregistreerd zijn onder de procedurenummers AUA201700175 (belanghebbende) en AUA201700176 [ Z ]. Op dezelfde dag is eveneens behandeld de zaak met procedurenummer AUA201700174 [ Q ].

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende exploiteert sedert de jaren 70 van de vorige eeuw een hotel, dat gelegen is nabij de kustlijn. In het kader van die exploitatie gebruikt zij het strand dat grenst aan de haar in erfpacht verstrekte domeingrond, richting de zee voor het plaatsen van strandstoelen. Die strandstoelen worden om niet ter beschikking gesteld aan de hotelgasten. Tussen partijen is niet in geschil dat de oppervlakte van de aldus gebruikte grond 1.188 m2 bedraagt. Belanghebbende zorgt voor het onderhoud van dat gedeelte van het strand.

2.2

In maart en april 2016 zijn in de pers berichten verschenen dat eenieder die gebruik wil maken van het strand tussen ex-Bushiri Hotel en de Fishermanshuts uiterlijk op 29 april 2016 een vergunning aan moet vragen bij de DIP.

2.3

Op 19 augustus 2016 is aan belanghebbende een aanbiedingsbrief verzonden, met daarin de volgende tekst:

“Met referte uw verzoek d.d. 6 juni 2016 voor een vergunning voor het in gebruik nemen van domeingrond op het strand voor het uitzetten en aanbieden van 396 strandstoelen, wordt u bericht dat in overeenstemming met het strandenbeleid RRIS [ X ] een precariovergunning ingevolge het Retributie- en Legesbesluit Directie Infrastructuur en Planning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van domeingrond voor het uitzetten en aanbieden van strandstoelen.

Gelieve nota te nemen van de voorwaarden gesteld aan de vergunning die verleend kan worden (zie bijlage).

Bijgevoegd treft u de factuur aan voor de verschuldigde precario. De precariovergunning kan worden afgegeven indien binnen 30 werkdagen na dagtekening, aan de balie van de DIP, betalingsbewijs of bewijs van een getroffen betalingsregeling met de Directie Financiën wordt overhandigd.

Indien hieraan niet wordt voldaan kan geen precariovergunning worden afgegeven en zal het door u eventueel reeds in gebruik zijnde domeingrond ontruimd dienen te worden.”

2.4

De bijgevoegde factuur heeft als dagtekening 21 juli 2016 en bevat de volgende omschrijving:

Omschrijving

“Zegelkosten

Retributies & Legeskosten

Retributies & Legeskosten (precario)

Doel: uitzetten/aanbieden van 396 strandstoelen

Ligging: strand ten westen van [ W ]

Afmeting: 1.585 m2

Geldigheidsduur: 1 jaar (1 jan. 2016 t/m 31 dec. 2016)

DA/ICTRN/precario/DIP/RE17/16

Bedrag

4,00

15,00

213.975,00

Te betalen

213.994,00”

2.5.

Tegelijkertijd met de aanbiedingsbrief en de factuur zijn aan belanghebbende de Algemene en Bijzondere voorwaarden Precario toegezonden.

2.6

Belanghebbende heeft op 23 september 2016 een bezwaarschrift ingediend. Punt 1 van het bezwaarschrift luidt:

“1. Middels deze komt klaagster in bezwaar van een beschikking d.d. 19 augustus 2016 van de Directie Infrastructuur en Planning (DIP) (…). Dit bezwaarschrift richt zich ook tegen alle aan de voormelde brief aangehechte bijlagen zoals bijvoorbeeld de factuur, de algemene voorwaarden precario en de bijzondere voorwaarden precario.”

2.7

Op 30 januari 2017 is aan belanghebbende, samen met een begeleidende aanbiedingsbrief van die datum, een nieuwe factuur aangeboden. De nieuwe factuur heeft als dagtekening 16 januari 2017 en luidt, voor zover van belang, als volgt:

Omschrijving

“Zegel en Legeskosten

Precariokosten

Doel: uitzetten 396 strandstoelen

Ligging: Strand ten Westen van [ W ]

Afmeting: 1.188 m2

Geldigheidsduur: 1 jan. 2016 t/m 31 dec. 2016

EK/BRO/DIP/RE/17 -16

Bedrag

19,00

160.380,00

Te betalen

160.399,00”

2.8

Belanghebbende is op 2 maart 2017 in beroep gekomen tegen de beschikking van 30 januari 2017 op het bezwaarschrift tegen de vaststelling van de hoogte van de precario over 2016.

2.9

Aan belanghebbende is geen vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 1 van het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regelende de heffing en inning van retributies en leges door de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: het Landsbesluit) afgegeven voor het mogen innemen van grond (hierna: precariovergunning). Van belanghebbende is niet eerder precario geheven ter zake van het gebruik van het strand voor het plaatsen van strandstoelen.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In geschil is de vraag of belanghebbende voor het gebruik van het strand precario verschuldigd is en zo ja of het verschuldigde bedrag (na bezwaar) juist is. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend en de DIP bevestigend.

Belanghebbende heeft in haar beroepschriften en ter zitting primair het standpunt ingenomen dat geen precario verschuldigd is omdat geen sprake is van aan het Land in eigendom toebehorende grond hetwelk voor de openbare dienst bestemd is. Na de zitting heeft belanghebbende bij brief van 20 juni 2017 deze grief ingetrokken.

Subsidiair is belanghebbende van mening dat geen precario verschuldigd omdat het legaliteitsbeginsel is geschonden. Meer subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de DIP het geheven bedrag ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 1, eerste lid, onderdeel N van het Landsbesluit. Meer meer subsidiair vindt belanghebbende dat de DIP niet de bevoegde autoriteit is voor de heffing en inning van precario en meest subsidiair heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat slechts precario geheven kan worden over een half jaar. De DIP is van mening dat het gaat om aan het Land in eigendom toebehorende grond, dat het legaliteitsbeginsel niet geschonden is, dat de heffing terecht is gebaseerd op artikel 1, eerste lid, onderdeel N van het Landsbesluit, dat de DIP bevoegd is om te heffen en dat de heffing terecht heeft plaatsgevonden over geheel 2016.

4 BEVOEGDE RECHTER

4.1

Los van de hiervoor vermelde inhoudelijke geschilpunten houdt partijen de vraag verdeeld welke rechter in deze procedure bevoegd is, de algemene bestuursrechter dan wel de belastingrechter. Deze vraag zal eerst behandeld worden.

4.2

Het beroep is uitsluitend gericht tegen de opgelegde heffing van precario. De heffing van precario is geregeld in de Retributieverordening, die dateert van 1988 en verder uitgewerkt is in het Landsbesluit. In artikel 4, lid 2 van de Retributieverordening is bepaald dat ten aanzien van beslissingen, houdende vaststelling van de hoogte van de verschuldigde retributies, de artikelen 43 tot en met 47 van de Landsverordening inkomstenbelasting (AB 1991 no. GT 51), (hierna: LIB) van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor “de inspecteur” telkens wordt gelezen: degene die de hoogte van de retributies heeft vastgesteld.

4.3

Tot 1 maart 2004 waren in de artikelen 43 tot en met 47 LIB bepalingen opgenomen inzake bezwaar en beroep. In artikel 43 en 44 LIB was bepaald dat de Inspecteur uitspraak diende te doen op een bij hem ingediend bezwaar tegen de aanslag. Ingevolge artikel 47 LIB kon hij die bezwaar had tegen de uitspraak op een bezwaarschrift binnen twee maanden beroep aantekenen bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken. Gelet op deze bepalingen stond het tot 1 maart 2004 vast dat de belastingrechter bevoegd was om te oordelen in geschillen over de heffing van precario.

4.4

Per 1 maart 2004 zijn de genoemde bepalingen in de LIB vervallen omdat toen voor de inkomstenbelasting soortgelijke algemene bepalingen in de per die datum in werking getreden Algemene landsverordening belastingen (hierna: de ALB) van toepassing werden. Dat betekende inhoudelijk voor de heffing van inkomstenbelasting geen verandering omdat ook in de nieuwe situatie de belastingrechter bevoegd bleef in inkomstenbelastingzaken.

4.5

Vraag is of op dat moment beoogd is om de rechtsgang in precario-zaken te wijzigen in die zin dat niet langer de belastingrechter, maar de bestuursrechter bevoegd werd. Het Gerecht ziet daarvoor geen aanknopingspunten. Als de wetgever een dergelijke wijziging bewust gewild had dan had het voor de hand gelegen om de wetgeving expliciet te veranderen, hetgeen niet gebeurd is. Bovendien zou daar dan in parlementaire stukken aandacht aan besteed moeten zijn, hetgeen evenmin gebeurd is. Het Gerecht houdt het er dan ook voor dat de wetgever niet bedoeld heeft om de rechtsgang per 1 maart 2004 te wijzigen maar dat men gewoon vergeten is om artikel 4, lid 2 Retributieverordening in overeenstemming te brengen met de op dat moment ingegane wetgeving. Naar het oordeel van het Gerecht dient in dit geval de klaarblijkelijke bedoeling van de wetgever voorrang te hebben op de verwarrende en achterhaalde tekst van artikel 4, lid 2 van de Retributieverordening. Gelet hierop moet naar het oordeel van het Gerecht die bepaling dan ook vanaf 1 maart 2004 zo gelezen worden, dat met betrekking tot beslissingen over de vaststelling van de hoogte van de retributies de artikelen 17 tot en met 20 van de ALB van overeenkomstige toepassing zijn, zodat de belastingrechter bevoegd is. Dat in artikel 1 van de ALB retributies niet genoemd staan, doet niet aan dit oordeel af. Voor haar oordeel vindt het Gerecht ook steun in soortverwante wetgevingen in bijvoorbeeld Sint Maarten, op de BES-eilanden en in Nederland waar eveneens de belastingrechter bevoegd is om te oordelen over de heffing van precario.

5 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

5.1

Wettelijk kader (voor zover van belang)

Retributieverordening

Artikel 1

1. Onder de naam van retributies worden bijdragen en vergoedingen geheven wegens het gebruik of genot van voor de openbare dienst bestemde werken, bezittingen of inrichtingen van het Land (…)

2. Onder retributies worden voor de toepassing van deze landsverordening mede begrepen de rechten, verschuldigd voor:

  1. (…)

  2. Het innemen van openbare grond of openbaar water of het hebben van voorwerpen onder, aan, in, op of boven aan het Land in eigendom toebehorende grond, welke, of aan het Land in eigendom toebehorend water, hetwelk voor de openbare dienst is bestemd (precario).

Artikel 3

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt bepaald, welke retributies zullen worden geheven, het tarief daarvan, alsmede de wijze van inning.

Artikel 4

1. (…)

2. Ten aanzien van de beslissingen, houdende vaststellingen van de hoogte van de verschuldigde retributies, zijn de artikelen 43 tot en met 47 van de Landsverordening inkomstenbelasting (AB 1991 no. GT 51) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor “de inspecteur” telkens wordt gelezen: degene die de hoogte van de retributies heeft vastgesteld.

Landsbesluit

Artikel 1

1. Aan het Land is onder de naam precario een retributie verschuldigd wegens het innemen van openbare gronden of wateren van het Land of het hebben van voorwerpen aan, in, op of boven aan het Land in eigendom toebehorende gronden of wateren, welke voor de openbare dienst bestemd zijn, als volgt:

A. t/m M. (…);

N. voor het op of boven openbare grond langs openbare wegen uitstallen van ter verkoop aangeboden goederen, per m² ingenomen grond of gedeelte daarvan:

1°. per week ....................................... Afl. 15,-;

2°. per maand .................................... Afl. 25,-;

3°. per jaar ........................................ Afl. 135,-;

O. t/m P. (…);

Q. voor het innemen van openbare grond, anders dan bedoeld in de onderdelen A tot en met E en L tot en met M, per m² ingenomen grond of gedeelte daarvan:

1°. per week ...................................... Afl. 0,50;

2°. per maand ................................... Afl. 1,-;

3°. per jaar ........................................ Afl. 5,-.

(…)

Artikel 3

1. Geen openbare grond of openbaar water als bedoeld in de aanhef van artikel 1, eerste lid, mag zonder vergunning, verleend door of namens de minister, belast met infrastructuur, worden ingenomen.

(…)

Artikel 4

1. De precario, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is bij vooruitbetaling verschuldigd door degene die een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, heeft verkregen, of door zijn rechtsopvolger en wel telkens bij het ingaan van de in de vergunning genoemde periode.

2. (…)

Artikel 6

1. De inning van de precario geschiedt voor artikel 1, eerste lid, onderdelen (…), N, onder 3, (…), Q, onder 3, alleen de eerste maal, en voor artikel 1, eerste lid , onderdelen (…), N, onder 1 en 2, en Q, onder 1 en 2, telkens door of namens de Directeur van de Directie Infrastructuur en Planning bij het afgeven van de vergunning tegen afgifte van een kwitantieformulier (…).

5.2.1

Het Gerecht stelt het volgende voorop. Aan belanghebbende is geen precariovergunning afgegeven. Die omstandigheid staat echter naar het oordeel van het Gerecht niet aan heffing van precario in de weg. Weliswaar staat in artikel 4, lid 1 van het Landsbesluit dat de precario (bij vooruitbetaling) is verschuldigd door degene die een precariovergunning heeft, maar die bepaling betreft slechts het moment van verschuldigdheid indien iemand een vergunning heeft. De verschuldigdheid zelf van precario is geregeld in artikel 1, lid 1 van het Landsbesluit jo artikel 3 van de Retributieverordening en vloeit aldus uit die bepalingen voort. Indien en voor zover aan de omschrijving van artikel 1, lid 1 van het Landsbesluit wordt voldaan is precario verschuldigd. In die bepaling wordt niet als voorwaarde gesteld dat, om precario te kunnen heffen, een vergunning moet zijn verleend. Dat betekent dat, ook al is geen vergunning verleend, maar wel daadwerkelijk grond is ingenomen etc. in de zin van artikel 1, lid 1 van het Landsbesluit, precario verschuldigd is.

5.2.2

Het Gerecht voegt hier nog aan toe dat, in het geval geen precariovergunning is afgegeven, volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3437) precario slechts geheven kan worden indien het overheidsorgaan het innemen van grond of het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde overheidsgrond veroorlooft of toestaat, in die zin dat het overheidsorgaan de aanwezigheid van die voorwerpen gedoogt ondanks dat zij rechtens bevoegd is daartegen op te treden. Naar het oordeel van het Gerecht doet deze situatie zich in het onderhavige jaar, 2016 voor. Het Gerecht merkt daarbij op dat belanghebbende reeds tientallen jaren, voor iedereen zichtbaar, gebruik maakt van het strand en dat gesteld noch gebleken is dat het Land daar in de periode tot en met 2016 juridisch tegen is opgetreden. Aan de betreffende voorwaarde voor heffing is aldus voldaan.

5.3.1

Na intrekking van haar primaire standpunt is in deze procedure niet meer in geschil dat het door belanghebbende in gebruik genomen strand behoort tot de in artikel 1, lid 1 van het Landsbesluit vermelde aan het Land in eigendom toebehorende gronden. Belanghebbende heeft subsidiair met een verwijzing naar artikel 3 van de Retributieverordening betoogd dat het legaliteitsbeginsel, welke ten grondslag ligt aan een heffing ex artikel V.11 van de Staatsregeling, is geschonden. De retributie vormt volgens belanghebbende een belasting en ingevolge artikel V.11, lid 1 van de Staatsregeling dienen de essentiële elementen van de heffing en de invordering van een belasting vastgelegd te zijn in een Landsverordening. Nu die elementen ten onrechte zijn vastgelegd in het Retributiebesluit, kan geen heffing plaatsvinden.

5.3.2

Het Gerecht verwerpt het standpunt van belanghebbende. Het antwoord op de vraag of een retributie al dan niet een belasting is kan daarbij in het midden blijven. In artikel VI.4 van de Staatsregeling is bepaald dat de rechter, behoudens indien grondrechten in het geding zijn (artikel I.22 Staatsregeling), niet treedt in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling. Naar het oordeel van het Gerecht zijn hier geen grondrechten in het geding zodat het Gerecht de Retributieverordening niet kan toetsen aan de Staatsregeling. Alleen al daarom slaagt het betoog van belanghebbende niet.

5.4.1

De DIP heeft de heffing gebaseerd op artikel 1, eerste lid, onder N, van het Landsbesluit. Belanghebbende heeft betoogd dat zij geen gronden inneemt voor het uitstallen van ter verkoop aangeboden goederen, zoals bedoeld in voormelde bepaling. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij geen ter verkoop aangeboden goederen op openbare gronden uitstalt. Haar activiteiten bestaan uit het om niet ter beschikking stellen van strandstoelen aan hotelgasten, aldus belanghebbende.

5.4.2

Dit betoog slaagt. Niet in geschil is dat belanghebbende ter plaatse de activiteiten ontplooit, zoals hiervoor onder 5.4.1 weergegeven. Anders dan de DIP stelt, kunnen deze niet worden aangemerkt als het verkopen van goederen. Verkopen en verhuren (of om niet ter beschikking stellen) zijn verschillende activiteiten. De duidelijke bewoordingen van de desbetreffende bepaling, waarin de term verkopen is vervat, geven geen grond voor een daarvan afwijkende uitleg waarbij onder verkopen tevens verhuren of om niet ter beschikking stellen dient te worden verstaan (vergelijk de uitspraak van het GHvJ van 18 december 2009, ECLI:NL:OGHNAA:2009:BN0555).

5.4.3

De DIP heeft ook nog aangevoerd dat het in artikel 1, lid 1, letter N, van het Landsbesluit genoemde tarief al jaren wordt toegepast voor het berekenen van precario bij watersportbedrijven. Voor zover de DIP hiermee een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel faalt dit. Dit beginsel kan er immers nooit toe leiden dat de belanghebbende ongunstiger wordt behandeld dan wettelijk gezien mogelijk is.

5.5.1

Nu het plaatsen van strandstoelen ten behoeve van gebruik van de hotelgasten niet onder een van de categorieën, genoemd in artikel 1, lid 1, letter A tot en met P van het Landsbesluit gebracht kan worden, is naar het oordeel van het Gerecht de restcategorie van artikel 1, lid 1, letter Q, van het Landsbesluit van toepassing.

5.5.2

Belanghebbende heeft verdedigd dat ook die categorie niet van toepassing is omdat geen sprake is van “innemen van grond” in de zin van die bepaling. De terminologie “innemen van grond” dient naar het oordeel van het Gerecht naar het spraakgebruik ruim te worden uitgelegd, in die zin dat daaronder wordt verstaan “elke wijze waarop van de grond gebruik gemaakt wordt”. Aldus neemt naar het oordeel van het Gerecht belanghebbende door het plaatsen van strandstoelen op het strand grond in in de zin van artikel 1, lid 2, letter b, van de Retributieverordening en artikel 1, lid 1, letter Q, van het Landsbesluit. De andersluidende visie van belanghebbende wordt verworpen.

5.6

Belanghebbende heeft tevens aangevoerd dat de heffing van precario ten onrechte plaatsgevonden heeft door de DIP. Heffing had volgens belanghebbende plaats moeten vinden door de Ontvanger. Deze stelling faalt. Ingevolge artikel 6 van het Landsbesluit geschiedt de inning (waaronder in dit geval ook de heffing moet worden begrepen) van precario die op basis van artikel 1, eerste lid, onderdeel Q, van het Landsbesluit is geheven door de DIP. Dat is slechts anders indien de heffing plaatsvindt op basis van artikel 1, lid 1, onderdeel Q sub 3 van het Landsbesluit en niet voor het eerst geheven wordt, maar die situatie is hier niet aan de orde. De omstandigheid dat de DIP volgens artikel 6, lid 1 van het Landsbesluit de DIP overgaat tot inning bij het afgeven van de vergunning, houdt naar het oordeel van het Gerecht niet in dat de DIP in het geval geen vergunning is afgegeven, niet bevoegd is om te heffen. Het Gerecht ziet, voor zover belanghebbende zich hierop heeft willen beroepen, voor die zienswijze geen aanknopingspunten. Nu aan belanghebbende geen vergunning is verstrekt kan de in dit verband door belanghebbende ingebrachte stelling dat het vergunningsvereiste de grenzen van de delegatiebevoegdheid overschrijdt, wat daar verder ook van zij, haar evenmin baten.

5.7

Belanghebbende heeft tenslotte betoogd dat heffing niet over een geheel jaar kan plaatsvinden, omdat middels berichten in de pers het vertrouwen gewekt is dat slechts over de tweede helft van 2016 geheven zou worden. Dit betoog faalt. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van officiële berichten, die afkomstig zijn van de bevoegde instantie. De enkele publicatie van artikelen in dagbladen is, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende om daaraan een in rechte te honoreren vertrouwen te kunnen ontlenen dat slechts over de tweede helft van het jaar geheven zou worden.

5.8

Op grond van al het voorgaande concludeert het Gerecht dat heffing van precario kan plaatsvinden op basis van artikel 1, lid 1, letter Q, van het Landsbesluit vanaf 1 januari 2016. Echter, nu geen vergunning verleend is kan slechts geheven worden over verstreken tijdvakken. Heffing over toekomstige tijdvakken of over een nog lopend tijdvak is niet mogelijk. De dagtekening van de factuur is 21 juli 2016. Dat betekent dat heffing kan plaatsvinden over 6 tijdvakken van een maand. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het plaatsen van strandstoelen de gehele relevante periode 1.188 m2 grond in gebruik is genomen. Het Gerecht merkt daarbij op dat het juist is om het gehele oppervlak, dus ook de ruimte tussen de strandstoelen, in de heffing te betrekken ( zie Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:257). Dat betekent dat het volgende bedrag aan precario verschuldigd is: 6 (maanden) x Afl.1 x 1.188 (m2) = Afl. 7.128. Het beroep is gegrond.

6 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

6.1

Op 1 juli 2016 is artikel 15 van de Landsverordening beroep in belastingzaken in werking getreden. Hierin is geregeld dat het Gerecht bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In het

Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken (het Landsbesluit proceskosten) en in de daarbij behorende bijlage is nader uitgewerkt in welke gevallen en tot welke bedragen recht bestaat op een proceskostenvergoeding. Ingevolge artikel 4 van het Landsbesluit proceskosten geldt de regeling voor, voor zover hier van belang, beroepschriften die zijn ingediend vanaf 1 juli 2016.

6.2

Het onderhavige beroep is ingediend op 2 maart 2017. Het Gerecht vindt aanleiding de DIP te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De zaken, bekend onder de nummers AUA201700175 (belanghebbende) AUA201700176 [ Z ] en AUA201700174 [ Q ] beschouwt het Gerecht als samenhangend.

6.3

Het Gerecht stelt de te vergoeden proceskosten voor alle zaken samen op de voet van het Landsbesluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op Afl. 2.100 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 15 juni 2017 met een waarde per punt van Afl. 700 en een wegingsfactor 1 1/2). Het Gerecht merkt het gewicht van de zaken aan als zwaar. Belanghebbende heeft aldus recht op een proceskostenvergoeding van 1/3 x Afl. 2.100 = Afl. 700.

6.4

Nu het beroep gegrond is dient de DIP, gelet op het bepaalde in artikel 18, lid 4 van de Landsverordening beroep in belastingzaken, het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

7 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de verschuldigde precario tot Afl. 7.128;

- veroordeelt de DIP in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 700;

- draagt de DIP op het griffierecht groot Afl. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd (voorzitter), mr. D.J. Jansen, mr. M.E.B. de Haseth, rechters in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, N.N. Noël van der Biezen BSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b, eerste lid Landsverordening beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c, tweede lid Landsverordening beroep in belastingzaken).