Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:672

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
AUA201600577
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) - precariovergunning - de rechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het door appellante tegen de factuur gemaakte bezwaar - de rechter verklaart het beroep voor het overige gegrond - Anders dan verweerder stelt, kunnen de activiteiten die appellante ontplooit, niet worden aangemerkt als het verkopen van goederen. Verkopen en verhuren zijn verschillende activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 28 augustus 2017

AUA201600577

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[…h.o.d.n. …],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A. Ruiz,

gericht tegen:

de MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 8 augustus 2016 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat indien zij binnen 30 dagen de verschuldigde precario voldoet, aan haar precariovergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van domeingrond op het strand voor het verhuren van watersportmaterialen, 10 strandstoelen en 5 parasols.

Bij factuur van 6 juli 2016 is aan appellante een bedrag van Afl. 10.819,- in rekening gebracht voor het voor dat doel innemen van 80 m² strand ten westen van Moomba Beach bar & restaurant.

Daartegen heeft appellante op 16 augustus 2016 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellante op 19 december 2016 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Op 6 en op 8 juni 2016 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2017, waar appellante, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, bijgestaan door de advocaat mr. A.M.N. Thijsen, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde en ing. M.I. Dammers, lid van het managementteam van de Directie Infrastructuur en Planning, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder beschikking: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, zijn van het begrip beschikking uitgezonderd besluiten waartegen beroep op de onafhankelijke rechter is opengesteld krachtens een andere landsverordening dan de onderhavige.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

Ingevolge het tweede lid wordt het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van een zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, gelijkgesteld met een afwijzende beschikking.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene Politieverordening is het verboden zonder vergunning van de minister, belast met publieke werken of een door hem aan te wijzen ambtenaar:

a. in, op of over de openbare weg iets, hoegenaamd, te planten, te plaatsen, te spannen, te hangen, vast te hechten, uit te spreiden, uit te slaan, te drogen, te luchten, te slepen of te hebben;

b. t/m d. (…);

e. voorwerpen op de openbare weg uit te stallen of uitgestald te hebben of aan de openbare weg aan de buitenzijde van gevels, deuren of vensters ter uitstalling op te hangen, te bevestigen of opgehangen of bevestigd te hebben;

f. (…).

Ingevolge artikel 1 wordt in deze landsverordening onder openbare weg verstaan: alle straten, wegen, stegen, gangen, paden, pleinen, kaden, bruggen, stoepen, trottoirs, plantsoenen of andere openliggende of ten dienste van het publiek bestemde gronden en plaatsen en, voor zover de bij de betrekkelijke artikelen bedoelde feiten daarop kunnen plaats hebben, ook alle watervlakten die, al of niet voor de publieke dienst bestemd, feitelijk voor een ieder toegankelijk zijn.

Ingevolge artikel 1 van de Retributieverordening worden onder de naam van retributies bijdragen en vergoedingen geheven wegens het gebruik of genot van voor de openbare dienst bestemde werken, bezittingen of inrichtingen van het Land.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, worden onder retributies voor de toepassing van deze landsverordening mede begrepen de rechten, verschuldigd voor het innemen van openbare grond of openbaar water of het hebben van voorwerpen onder, aan, in, op of boven aan het Land in eigendom toebehorende grond, welke, of aan het Land in eigendom toebehorend water, hetwelk voor de openbare dienst is bestemd (precario).

Ingevolge artikel 4, tweede lid, zijn ten aanzien van de beslissingen, houdende vaststellingen van de hoogte van de verschuldigde retributies, de artikelen 43 tot en met 47 van de Landsverordening inkomstenbelasting (AB 1991 no. GT 51) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor “de inspecteur” telkens wordt gelezen: degene die de hoogte van de retributies heeft vastgesteld.

Ingevolge artikel ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Retributie- en legesbesluit Directie Infrastructuur en Planning (hierna: het Landsbesluit) is aan het Land onder de naam precario een retributie verschuldigd wegens het innemen van openbare gronden of wateren van het Land of het hebben van voorwerpen aan, in, op of boven aan het Land in eigendom toebehorende gronden of wateren, welke voor de openbare dienst bestemd zijn, als volgt:

A. t/m M. (…);

N. voor het op of boven openbare grond langs openbare wegen uitstallen van ter verkoop aangeboden goederen, per m² ingenomen grond of gedeelte daarvan:

1°. per week ....................................... Afl. 15,-;

2°. per maand .................................... Afl. 25,-;

3°. per jaar ........................................ Afl. 135,-;

O. t/m P. (…);

Q. voor het innemen van openbare grond, anders dan bedoeld in de onderdelen A tot en met E en L tot en met M, per m² ingenomen grond of gedeelte daarvan:

1°. per week ...................................... Afl. 0,50;

2°. per maand ................................... Afl. 1,-;

3°. per jaar ........................................ Afl. 5,-.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, mag geen openbare grond of openbaar water als bedoeld in de aanhef van artikel 1, eerste lid, zonder vergunning, verleend door of namens de minister, belast met infrastructuur, worden ingenomen.

Factuur van 6 juli 2016

2.2

Bij uitspraken van het gerecht van heden, in de zaken nrs. AUA201700174, AUA201700175 en AUA201700176, heeft de belastingrechter zich bevoegd geacht kennis te nemen van beroepen inzake facturen, waarbij precario in rekening wordt gebracht. Daartoe heeft het gerecht overwogen dat artikel 4, tweede lid, van de Retributieverordening vanaf 1 maart 2004 zo dient te worden gelezen, dat met betrekking tot beslissingen over de vaststelling van de hoogte van de retributies de artikelen 17 tot en met 20 van de Algemene landsverordening belastingen van overeenkomstige toepassing zijn. Het gerecht, als algemeen bestuursrechter, ziet thans geen aanleiding daarover anders te oordelen. Dat brengt met zich dat het gerecht, gelet op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Lar, onbevoegd is van het beroep kennis te nemen, voor zover het is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de factuur van 6 juli 2016 gemaakte bezwaar. Het gerecht zal bewerkstelligen dat het op 19 december 2016 ingekomen beroepschrift in zoverre aan de belastingrechter ter hand zal worden gesteld.

Brief van 8 augustus 2016

2.3

Voor zover het beroep is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de brief van 8 augustus 2016 gemaakte bezwaar, overweegt het gerecht als volgt.

Deze brief dient, gelet op de bewoordingen daarvan, te worden aangemerkt als de weigering van verweerder aan appellante een zogenoemde precariovergunning te verlenen, nu appellante daarbij te kennen wordt gegeven dat indien zij niet binnen 30 dagen de verschuldigde precario voldoet, de vergunning niet zal worden verleend. Aldus behelst deze brief een beschikking, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Lar.

Voorts is verweerder, hangende het tegen het uitblijven van een beslissing op het daartegen gemaakte bezwaar ingestelde beroep, alsnog overgegaan tot verlening van precariovergunning voor het innemen van 80 m² domeingrond voor het plaatsen van een verwijderbare schaduwvoorziening ten behoeve van de verhuur van watersportmaterialen, 12 strandstoelen en 6 parasols op het strand ten westen van Moomba Beach Bar & Restaurant. Met deze beschikking is verweerder niet, althans niet geheel, tegemoet gekomen aan het door appellante gemaakte bezwaar, zodat bij deze beschikking het aldus gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond geacht moet worden te zijn verklaard.

Nu bij het gerecht geen beroepschrift gericht tegen de ongedateerde beschikking tot vergunningverlening is ingekomen, behoudt appellante belang bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar, aangezien dit er in geval van vernietiging van de fictieve afwijzing toe kan leiden dat verweerder in de zaak moet voorzien op een wijze die ook betekenis heeft voor de reële beschikking, ook al is daartegen geen beroep ingesteld (vergelijk de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ) van 20 november 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:33). Het gerecht zal dit beroep beoordelen aan de aan de hand van de tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden.

2.4

Appellante betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij gronden inneemt voor het uitstallen van ter verkoop aangeboden goederen, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder N, van het Landsbesluit. Daartoe voert zij aan dat zij geen ter verkoop aangeboden goederen op openbare gronden uitstalt. Haar activiteiten bestaan uit de verhuur van watersportmaterialen, strandstoelen en parasols, aldus appellante.

2.4.1

Dit betoog slaagt. Niet in geschil dat appellante ter plaatse de activiteiten ontplooit, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven. Anders dan verweerder stelt, kunnen deze niet worden aangemerkt als het verkopen van goederen. Verkopen en verhuren zijn verschillende activiteiten. De duidelijke bewoordingen van de desbetreffende bepaling, waarin de term verkopen is vervat, geven geen grond voor een daarvan afwijkende uitleg waarbij onder verkopen tevens verhuren dient te worden verstaan (vergelijk de uitspraak van het GHvJ van 18 december 2009, ECLI:NL:OGHNAA:2009:BN0555). Dat ook verweerder onderscheid maakt tussen verkopen en verhuren valt voorts af te leiden uit de aan appellante verleende precariovergunning, die, zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, is verleend voor het plaatsen van een schaduwvoorziening van waaruit diverse materialen verhuurd zullen worden.

2.5

Appellante betoogt voorts dat verweerder ten onrechte vergunning heeft verleend voor het innemen van domeingrond op een andere locatie, dan die van waaruit zij reeds gedurende jaren haar activiteiten ontplooit, en voor een andere omvang van verhuuractiviteiten. Bovendien heeft zij om uitbreiding van deze activiteiten verzocht, waarvoor verweerder haar ten onrechte geen vergunning heeft verleend, aldus appellante.

2.5.1

Op 15 april 2016 heeft appellante verweerder verzocht haar vergunning te verlenen voor het van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016 innemen van 1.000 m² domeingrond voor het plaatsen van een tent voor het geven van informatie aan toeristen, als verkooppunt en voor het verhuren van watersportartikelen, 80 parasols en 200 strandstoelen op het stand, gelegen ten westen van Holiday Inn Hotel vooraan Moomba Beach. In afwijking van het verzoek heeft verweerder vergunning verleend voor het van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 innemen van 80 m² domeingrond voor het plaatsen van een schaduwvoorziening van waaruit watersportmaterialen, 12 strandstoelen en 6 parasols zullen worden verhuurd. Weliswaar voert verweerder ter zake van vergunningverlening voor het innemen van domeingronden aan de stranden beleid, waarin is uiteengezet onder welke omstandigheden en voorwaarden precariovergunning wordt verleend, maar verweerder heeft niet gemotiveerd dat en waarom dat beleid in de weg stond aan verlening van de vergunning zoals door appellante verzocht. De ongedateerde beschikking, waarbij aan appellante vergunning is verleend, is dan ook onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.6

Het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het bezwaar is gegrond.

2.7

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het door appellante tegen de factuur van 6 juli 2016 gemaakte bezwaar;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een

beschikking op het door appellante tegen de beschikking van 8 augustus 2016

gemaakte bezwaar;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een

nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van het bedrag van Afl. 1.000,- als bijdrage in de proceskosten.

- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,- .

Deze beslissing werd gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).