Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:661

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
AUA201700043
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) - precariovergunning - de rechter verklaart het beroep gegrond - Reeds omdat de APV, het Landsbesluit, noch enige andere bepaling grondslag biedt voor het weigeren een precariovergunning te verlenen, anders dan in verband met de handhaving van de openbare orde en veiligheid, alsmede ter bescherming van het milieu, bestaat aanleiding het beroep tegen het met afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door appellante gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek gegrond te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 28 augustus 2017

AUA201700043

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

de naamloze vennootschap HIM (ARUBA) N.V.,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. WIx,

gericht tegen:

de MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.P. Wever (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Op 29 april 2016 heeft appellante verweerder verzocht haar precariovergunning te verlenen voor het plaatsen van 1 towelhut, 2 tent palapas, 1 seabreeze deck, 1 pool deck, 475 strandstoelen en 85 palapas op de gronden gelegen voor Holiday Inn.

Tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek heeft appellante op 16 september 2016 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellante op 2 februari 2017 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Op 8 juni 2016 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2017, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.R. Zeppenfeldt, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde en ing. M.I. Dammers, lid van het managementteam van de Directie Infrastructuur en Planning, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder beschikking: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

Ingevolge het tweede lid wordt het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van een zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, gelijkgesteld met een afwijzende beschikking.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene Politieverordening is het verboden zonder vergunning van de minister, belast met publieke werken of een door hem aan te wijzen ambtenaar:

a. in, op of over de openbare weg iets, hoegenaamd, te planten, te plaatsen, te spannen, te hangen, vast te hechten, uit te spreiden, uit te slaan, te drogen, te luchten, te slepen of te hebben;

b. t/m d. (…);

e. voorwerpen op de openbare weg uit te stallen of uitgestald te hebben of aan de openbare weg aan de buitenzijde van gevels, deuren of vensters ter uitstalling op te hangen, te bevestigen of opgehangen of bevestigd te hebben;

f. (…).

Ingevolge artikel 1 wordt in deze landsverordening onder openbare weg verstaan: alle straten, wegen, stegen, gangen, paden, pleinen, kaden, bruggen, stoepen, trottoirs, plantsoenen of andere openliggende of ten dienste van het publiek bestemde gronden en plaatsen en, voor zover de bij de betrekkelijke artikelen bedoelde feiten daarop kunnen plaats hebben, ook alle watervlakten die, al of niet voor de publieke dienst bestemd, feitelijk voor een ieder toegankelijk zijn.

Ingevolge artikel ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Retributie- en legesbesluit Directie Infrastructuur en Planning (hierna: het Landsbesluit) is aan het Land onder de naam precario een retributie verschuldigd wegens het innemen van openbare gronden of wateren van het Land of het hebben van voorwerpen aan, in, op of boven aan het Land in eigendom toebehorende gronden of wateren, welke voor de openbare dienst bestemd zijn, als volgt:

A. t/m M. (…);

N. voor het op of boven openbare grond langs openbare wegen uitstallen van ter verkoop aangeboden goederen, per m² ingenomen grond of gedeelte daarvan:

1°. per week ....................................... Afl. 15,-;

2°. per maand .................................... Afl. 25,-;

3°. per jaar ........................................ Afl. 135,-;

O. t/m P. (…);

Q. voor het innemen van openbare grond, anders dan bedoeld in de onderdelen A tot en met E en L tot en met M, per m² ingenomen grond of gedeelte daarvan:

1°. per week ...................................... Afl. 0,50;

2°. per maand ................................... Afl. 1,-;

3°. per jaar ........................................ Afl. 5,-.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, mag geen openbare grond of openbaar water als bedoeld in de aanhef van artikel 1, eerste lid, zonder vergunning, verleend door of namens de minister, belast met infrastructuur, worden ingenomen.

Ingevolge het vierde lid kan een vergunning worden geweigerd in verband met de handhaving van de openbare orde en veiligheid, alsmede ter bescherming van het milieu.

2.2

Het gerecht ziet aanleiding hetgeen verweerder in zijn nadere stukken en ter zitting naar voren heeft gebracht te betrekken bij de beoordeling van het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door appellante gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek van 29 april 2016. Daarbij neemt het gerecht mede in aanmerking dat de aldus door verweerder ingenomen standpunten eveneens tot uitdrukking komen in de door verweerder hangende dit beroep aan appellante verzonden brief van 3 maart 2017, gewijzigd bij brief van 14 maart 2017.

Bij laatstvermelde brief heeft verweerder appellante medegedeeld dat indien zij binnen 30 dagen de verschuldigde precario voldoet, aan haar precariovergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van domeingrond op het strand voor het uitzetten en aanbieden van 475 strandstoelen. Deze brief dient, gelet op de bewoordingen daarvan, te worden aangemerkt als de weigering van verweerder aan appellante een zogenoemde precariovergunning te verlenen, nu appellante daarbij te kennen wordt gegeven dat indien zij niet binnen 30 dagen de verschuldigde precario voldoet, de vergunning niet zal worden verleend. Aldus behelst deze brief een beschikking, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Lar.

2.3

Reeds omdat de APV, het Landsbesluit, noch enige andere bepaling grondslag biedt voor het weigeren een precariovergunning te verlenen, anders dan in verband met de handhaving van de openbare orde en veiligheid, alsmede ter bescherming van het milieu, bestaat aanleiding het beroep tegen het met afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door appellante gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek van 29 april 2016 gegrond te verklaren. Hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd, behoeft thans geen bespreking.

2.4

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een

beschikking op het door appellante tegen uit uitblijven van een beschikking op haar verzoek van 29 april 2016 gemaakte bezwaar;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van het bedrag van Afl. 500,- als bijdrage in de proceskosten.

- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,- .

Deze beslissing werd gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).