Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:66

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
A.R. no. 2647 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, nakoming, verzuim, opschorting, overeengekomen rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 1 februari 2017

Behorend bij A.R. no. 2647 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de naamloze vennootschap

CONEXION ‘R WE N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: Conexion,

gemachtigde: de advocaat mr. E.E. Rosenstand,

tegen:

de naamloze vennootschap

DIEPGROND TECHNIEK N.V.,

h.o.d.n. ROTECH ELEKTROTECHNIEK,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Diepgrond,

gemachtigde: de advocaat mr. D.C.A. Crouch.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, tevens houdende een akte strekkende tot wijziging van eis, met producties;

-de conclusie van dupliek, met producties;

-de door Conexion genomen uitlating producties.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Conexion vordert na toegelaten wijziging van eis dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Diepgrond veroordeelt:

-om aan Conexion te betalen Afl. 99.726,20, te vermeerderen met “de (toekomstige) contractuele rente van 18% per annum”, alsmede te vermeerderen met de explootkosten van de ingebrekestelling;

-in de proceskosten.

2.2

Diepgrond voert verweer en concludeert dat Conexion niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, althans tot toewijzing daarvan tot een beloop van Afl. 79.281,23, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens, althans dat de proceskosten worden gecompenseerd.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat Conexion niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van Diepgrond wordt daarom verworpen.

3.2

Niet in geschil is tussen partijen dat Diepgrond een zeker bedrag verschuldigd is aan Conexion uit hoofde van een tussen partijen gesloten overeenkomst krachtens welke Conexion personeel heeft uitgeleend aan Diepgrond. Diepgrond erkent dat zij in dat verband in elk geval Afl. 79.281,23 verschuldigd is aan Conexion. In het hier geschetste verband wordt het volgende overwogen.

3.3

Zonder het bedrag ad Afl. 16.662,30 aan “18% finance charge” (waarover hierna onder 3.5 meer) is Diepgrond volgens Conexion ingevolge de onder sustenu 4. van de conclusie van repliek neergelegde berekening (99.726,20 minus 16.662,30 =) Afl. 83.063,90 verschuldigd aan Conexion. Het verschil tussen die twee bedragen is (83.063,90 minus 79.281,23 =) Afl. 3.782,67, hetgeen vrijwel overeenstemt met het tussen partijen in geschil zijnde bedrag zoals vermeld in de bij partijen genoegzaam bekende factuur 10345, te weten ad Afl. 3.782,49. Ter zake van die factuur stelt Diepgrond dat zij die nooit heeft ontvangen. Diepgrond stelt echter niet dat hetgeen staat omschreven of vermeld in die factuur niet overeenstemt of niet correspondeert met een Conexion aan Diepgrond geleverde prestaties. Dat brengt met zich dat Diepgrond de (al dan niet impliciete) stelling van Conexion, dat Diepgrond nog Afl. 3.782,49 verschuldigd is aan Conexion uit hoofde van door Diepgrond van Conexion ingeleend personeel, niet of onvoldoende heeft bestreden. De stelling van Diepgrond dat, zij ter zake van betaling van dat bedrag nooit in verzuim is geraakt, doet niet ter zake omdat het te dezen gaat om een vordering ten titel van nakoming waarbij de verzuimregeling geen rol speelt.

3.4

Vorenstaande brengt mee dat vast komt te staan dat Diepgrond in elk geval het door Conexion erkende bedrag ad Afl. 79.281,23 plus Afl. 3.782,49 uit hoofde van voormelde factuur, aldus in totaal Afl. 83.063,72 opeisbaar verschuldigd is aan Conexion, hetgeen op (de naar het oordeel van het Gerecht te verwaarlozen) Afl. 0,18 na overeenstemt met voormelde berekening van Conexion minus Afl. 16.662,30 aan “18% finance charge”. De door Conexion in haar akte uitlating producties neergelegde nadere berekening blijft buiten beschouwing, omdat Diepgrond daar niet meer op heeft kunnen reageren.

3.5

Ter zake van voormelde “charge” wordt het volgende overwogen. Eerstens in haar conclusie van repliek onder 5. stelt Conexion met zoveel woorden dat Diepgrond over het in hoofdsom verschuldigde bedrag “18% finance charge” dient te betalen omdat partijen dit zijn overeengekomen, en Conexion verwijst ter onderbouwing van die door Diepgrond bestreden stelling naar “de diverse “invoices””. Behalve dat niet duidelijk is naar welke invoices precies wordt verwezen, vermeldt de bij repliek als productie V overgelegde invoice niets ter zake van “18% finance charge”, terwijl hetzelfde geldt met betrekking tot productie I bij het beslagrekest. Het in dit verband door Conexion onder 7 van haar akte uitlating producties nader gestelde blijft buiten beschouwing, omdat Diepgrond ook op dat betoog niet heeft kunnen reageren. Eén en ander brengt mee dat Conexion haar hier besproken stelling onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl Conexion evenmin heeft gesteld op welke wijze precies partijen bedoelde charge of rente zijn overeengekomen. Niet komt vast te staan dat Diepgrond bedoelde charge of rente verschuldigd is aan Conexion, terwijl Conexion subsidiair geen wettelijke rente heeft gevorderd in haar gewijzigde eis.

3.6

Anders dat Diepgrond stelt is zij naar het oordeel van het Gerecht niet bevoegd tot opschorting van haar verplichting tot betaling van het aan Conexion verschuldigde bedrag in de zin van het bepaalde in het eerste lid van artikel 6:52 BW of het eerste lid van artikel 6:262 BW, omdat er tussen de verbintenis waarvan Diepgrond stelt dat Conexion die moet nakomen (het overleggen aan Diepgrond van bedoelde bij partijen genoegzaam bekende fiscale verklaring) en de op Diepgrond rustende verbintenis tot betaling van het aan Conexion verschuldigde bedrag onvoldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, terwijl bedoelde op Conexion rustende verbintenis niet de tegenprestatie betreft waarvoor Diepgrond dient te betalen. Bij dit alles komt dat Conexion onbestreden heeft gesteld dat zij aan al haar fiscale verplichtingen heeft voldaan, en daarom niet valt in te zien welk belang Diepgrond nog heeft bij het verkrijgen van bedoelde fiscale verklaring.

3.7

De slotsom luidt dat Diepgrond zal worden veroordeeld om ten titel van nakoming aan Conexion te betalen Afl. 83.063,72.

3.8

Diepgrond heeft de nevenvordering van Conexion ter zake van vergoeding van de met de ingebrekestelling gemoeid gaande explootkosten (te weten ad Afl. 310,50) niet bestreden. Die vordering, die minder bedraagt dan de volgens het Procesreglement te berekenen vergoeding voor verrichtingen ter verkrijging van voldoende buiten rechte, zal daarom worden toegewezen.

3.9

Diepgrond zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Conexion waaronder begrepen die van het op 6 november 2015 ten laste van Diepgrond gelegde beslag, tot aan deze uitspraak begroot op (200,79 + 250,10 + 188,37 + 199,76 =) Afl. 839,02 aan verschotten en Afl. 5.250,-- aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten van liquidatietarief 6, ad Afl. 1.500,-- per punt).

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt Diepgrond om ten titel van nakoming aan Conexion te betalen

Afl. 83.063,72, te vermeerderen Afl. 310,50 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

-veroordeelt Diepgrond in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Conexion, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 839,02 aan verschotten en

Afl. 5.250,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.