Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:653

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
K.G. 1452 van 2017/AUA201701439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Executiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 23 augustus 2017

Behorend bij K.G. 1452 van 2017/AUA201701439

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ARCHITECTUUR EN CONSTRUCTIEBEDRIJF ARCON N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Arcon,

gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. D.W. Ormel.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de pleitnota van Arcon en de aanvullende pleitnota;

- de pleitnota van [gedaagde];

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 juli 2017 en de voortzetting van de behandeling op 9 augustus 2017.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Bij vonnis van 28 juni 2017 is Arcon veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen een som van Afl. 176.309,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2016. Daarnaast werd Arcon veroordeeld om een bedrag van Afl. 3.754,98 aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten, begroot op Afl. 6.037,90 te betalen.

2.2 [

[gedaagde] is met de executie van het vonnis begonnen. Arcon heeft appel van het vonnis aangekondigd.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Arcon vordert – kort gezegd – staking van de executie, met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de proceskosten.

3.2

Arcon grondt de vordering erop dat sprake is van kennelijke feitelijke of juridische misslagen in het vonnis en executie daarvan tot een noodtoestand zal leiden bij [gedaagde] zodat Arcon misbruik van bevoegdheid maakt.

3.3 [

[gedaagde] voert hiertegen verweer, met vordering tot veroordeling van Arcon in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

Voorop staat dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt, dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd kunnen worden, behalve als die bezwaren moeten leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Van dat laatste kan sprake zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. De stelplicht met betrekking tot de daarvoor te toetsen feiten en omstandigheden ligt bij Arcon.

4.2

Met betrekking tot de noodtoestand heeft Arcon aangevoerd dat executie van het vonnis tot haar faillissement zal leiden met als onafwendbaar gevolg daarvan ontslag voor vier werknemers.

4.3

Het beroep op die noodtoestand is echter op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien is niet toegelicht waarom die toestand zich pas blijkt voor te doen nadat het vonnis werd gewezen en niet, in potentie, al dreigde voordat een voor Arcon ongunstig vonnis werd gewezen. Daaraan doet niet af dat [gedaagde] de toegewezen geldsom op korte termijn niet nodig zou hebben, nog afgezien van het feit dat [gedaagde] dat betwist en ook hier de stelplicht, waaraan niet werd voldaan, op Arcon rust.

4.4

Met betrekking tot de feitelijke en juridische misslagen stelt Arcon allereerst dat het gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat het bedrag van Afl. 139.769, niet werd weersproken omdat in een door Arcon overgelegd rapport van [deskundige A] het bedrag op Afl. 31.742,47 werd begroot. Het gerecht, aldus Arcon, heeft dat rapport kennelijk aan de kant geschoven en alle nadruk op het voor Arcon ongunstige rapport van [deskundige B] gelegd.

4.5

Wat van de juistheid van dat oordeel zij, uit de stellingen van Arcon zelf volgt dat geen sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag maar een van een weging van beide rapporten door het gerecht waarbij doorslaggevend belang is gehecht aan het voor Arcon ongunstige rapport [deskundige B]. Bij pleidooi heeft Arcon in dit verband overigens aangevoerd dat het door haar overgelegde (contra) rapport een “impliciete betwisting” inhield van het in het rapport van [gedaagde] genoemde bedrag. Het gerecht is evenwel niet gehouden om in te gaan op impliciete verweren die uit overgelegde producties zouden moeten blijken. Dat het gerecht niet zou hebben gemotiveerd waarom hij het rapport [deskundige A] niet van belang achtte levert geen kennelijke misslag op.

4.6

Met betrekking tot de becijfering uit het door [gedaagde] overgelegde rapport [deskundige B] heeft het gerecht overwogen dat Arcon de deskundigheid noch de berekeningsmethode gemotiveerd had betwist. Arcon wijst er nu op dat in de conclusie van antwoord in de bodemzaak onder 31 is aangevoerd dat in het rapport [deskundige B] ten onrechte rekening werd gehouden met materiaalkosten voor materiaal dat Arcon zelf moest aanschaffen.

4.7

De conclusie ter plaatse begint met het woord: “overigens”. Het gerecht heeft de desbetreffende passage hierdoor kennelijk niet gelezen als een dragend zelfstandig verweer met betrekking tot de hoogte van de schade. Uit de samenhang tussen alinea’s 31 en 32 van de conclusie van antwoord kan bovendien blijken dat het betoog met betrekking tot het door [gedaagde] aankopen van materiaal bedoeld was ter ondersteuning van de stelling dat [gedaagde] zelf voor vertraging van de bouw verantwoordelijk was. Dat betoog heeft het gerecht verworpen Wat zij van deze interpretatie van de processtukken en de beslissing, het levert geen misslag van het gerecht op.

4.8

Verder stelt Arcon dat het gerecht de verzuimvraag verkeerd heeft beoordeeld.

4.9

Onder 4.6 van het vonnis oordeelde het gerecht dat Arcon pas schadeplichtig is wanneer zij in verzuim is gekomen. Arcon bestrijdt dat niet maar stelt dat op 26 juli, de dag waarop [gedaagde] de overeenkomst ontbond, nakoming nog mogelijk was en aan haar geen redelijke termijn daarvoor is gegund.
Het gerecht heeft evenwel onder 4.9 geoordeeld dat partijen uit hoofde van de aanneemovereenkomst en een addendum daarop van 23 mei 2016 een fatale termijnen overeengekomen waren. Kennelijk heeft het gerecht die datum op uiterlijk 26 juli 2016 of zeer kort daarna gezet1. Dat is geen misslag. Bovendien heeft het gerecht – kennelijk ten overvloede – overwogen dat gezien de matige tot slechte prestaties [gedaagde] niet gehouden was om Arcon extra tijd te gunnen om alsnog na te komen. Zelfs al zou geen sprake zijn van een fatale termijn zou een ingebrekestelling volgens het gerecht kennelijk geen nut hebben gehad zodat Arcon geen belang had zich daarop te beroepen. Ook dat is geen misslag.

4.10

Uit het voorgaande vloeit voort dat Arcon zich er ten onrechte op beroept dat de tekortkoming niet aan haar zou zijn toe te rekenen. Niet toegelicht ten slotte is waar en hoe Arcon zich eerder op eigen schuld van [gedaagde] zou hebben beroepen.

4.11

Waar Arcon zich in pleidooi bij repliek op nieuwe feiten baseert die zich na datum vonnis hebben voorgedaan of pas zijn kunnen blijken geldt, dat Arcon niet voldoende gemotiveerd aangeeft dat daarvan sprake is. De e-mail van 31 mei 2016 betreffende door [gedaagde] opgedragen meerwerk is in die zin niet nieuw, ook al zou die niet in de bodemprocedure zijn overgelegd. Welke andere “nieuw aangevoerde feiten” Arcon onder 10 van de repliek in pleidooi bedoelt is niet duidelijk genoeg om beoordeeld te worden. Voor zover Arcon verwijst naar de door [gedaagde] opgesomde nieuwe producties geldt hetzelfde als voor de e-mail van 31 mei 2016, niet duidelijk is waarom die stukken nieuw zijn in de zin dat daarmee nog geen rekening kon worden gehouden in de bodemprocedure omdat ze van na datum vonnis zijn of omdat Arcon daarover, door een niet aan Arcon toe te rekenen omstandigheid, niet kon beschikken

4.12

De vordering is daarom ongegrond en zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal Arcon de proceskosten van [gedaagde] moeten vergoeden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Arcon in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [gedaagde] worden begroot op Afl. 1.500, aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.

1 Onduidelijk is waar Arcon de datum van 1 juli in dit verband vandaan haalt.