Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:619

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
E.J. no. 986 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

civiel-ej-arbeid-geen dringende reden voor ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 22 augustus 2017

behorend bij E.J. no. 986 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING in de zaak van:

[X],

wonende in Aruba,

verzoeker,

hierna ook te noemen: [X],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de naamloze vennootschap

DESAROLLOS HOTELCO CORPORATION DHC ARUBA N.V.,

h.o.d.n. THE RITZ-CARLTON ARUBA,

gevestigd in Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: DHC,

gemachtigde: de advocaat mr. D. Canwood.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 22 november 2016 blijkt uit de tussenbeschikking van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-het proces-verbaal van bewijslevering van 9 januari 2017;

-het proces-verbaal van bewijslevering van 6 februari 2017;

-het proces-verbaal van bewijslevering van 6 maart 2017;

-de door [X] genomen conclusie na bewijslevering, met producties;

-de door DHC genomen antwoordconclusie na bewijslevering.

1.3

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

De thans te beantwoorden vraag luidt of [X] al dan niet heeft bewezen dat (1) hij gedurende de aan het bij partijen genoegzaam bekende slaapincident voorafgaande 24 uren (dat wil zeggen in de periode gelegen tussen 17 juli 2015 om 07:00 uur en 18 juli 2015 om 07:00 uur) medicijnen heeft geslikt of gebruikt (Buscopan en/of Primperan en/of Paracetamol en/of Diclofenac), en (2) dat [X] door het slikken of gebruiken daarvan gedurende de uitvoering van zijn werkzaamheden voor DHC op 18 juli 2015 voor de duur van bijna twee uren in slaap is gevallen. Naar het oordeel van het Gerecht moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

2.2

Niet in geschil is tussen partijen dat [X] zich op 11 juli 2015 met pijnklachten heeft vervoegd bij de EHBO-afdeling van het ziekenhuis, alwaar hij is onderzocht en medicijnen toegediend heeft gekregen. Daarna is [X] door de aldaar dienstdoende arts heen gezonden met de mededeling dat hij verder - zo nodig - Paracetamol en Diclofenac moest slikken, en dat hij zich na een week ter controle en “follow-up” bij zijn huisarts moest melden. Getuige [Z] heeft verklaard dat [X] op de bewuste dag was opgestaan om te gaan werken en dat [X] toen heel veel pijn had. Getuige [Z], zijnde de partner van [X], heeft ook verklaard dat zij toen heeft gezien dat [X] medicijnen heeft geslikt (maar niet weet welke medicijnen precies) en vervolgens naar zijn werk is gegaan. Deze niet bestreden verklaring en de omstandigheid dat [X] op voorschrift van de EHBO-arts zo nodig Paracetamol en Diclofenac moest slikken brengen mee dat het Gerecht het voldoende aannemelijk vindt dat [X] toen die medicijnen heeft geslikt.

2.3

Verder heeft getuige [Z] verklaard dat zij [X] later die dag heeft gebeld om te vragen hoe het met hem was, en dat [X] daarop tegen haar heeft gezegd dat hij nog steeds hevige pijn had en dat hij duizelig was. Die evenmin bestreden verklaringen in verbinding met het gegeven dat [X] die dag voordat hij naar zijn werk ging Paracetamol en Diclofenac heeft geslikt in verdere verbinding met de inhoud van de eigen verklaring van DHC (onder 5. van haar antwoordconclusie na enquête) dat slaperigheid bij gebruik van deze medicijnen - hoewel maar heel weinig voorkomend - kan optreden, brengen mee dat het Gerecht het ook voldoende aannemelijk oordeelt dat [X] gedurende zijn dienst op de bewuste dag als gevolg van het gebruik van de hier vermelde medicijnen in slaap is gevallen.

2.4

Vorenstaande betekent mede onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.3 van de tussenbeschikking dat vast komt te staan dat [X] geen dringende ontslagreden heeft gegeven aan DHC. De vordering van [X] zoals omschreven in de tussenbeschikking onder 2.1 sub a. zal daarom worden toegewezen.

2.5.1

Vorenstaande betekent verder dat de loonvordering van [X] zoals omschreven in de tussenbeschikking onder 2.1 sub b. eveneens zal worden toegewezen, met inachtneming van het navolgende. Het verzoekschrift in de onderhavige zaak is ingediend ter griffie van dit Gerecht op 4 mei 2016, terwijl [X] op 29 juli 2015 door DHC is ontslagen en [X] op 7 september 2015 de nietigheid van dat ontslag heeft ingeroepen. Naar het oordeel van het Gerecht volgt uit dit één en ander dat [X] heeft gedraald met het instellen van zijn rechtsvorderingen. Die hadden ingesteld moeten en kunnen worden binnen vier maanden na zijn ontslag, en niet eerst na ruim negen maanden. Dit ontoelaatbaar vijf maanden lang dralen brengt mee dat het Gerecht de loonvordering van [X] zal matigen of verminderen met vijf maanden loon. De loonvordering zal aldus worden toegewezen met ingang van (29 juli 2015 + 5 maanden =) 29 december 2015.

2.5.2

Vast staat dat [X] vanaf 18 januari 2016 werkzaam is bij Valero tegen betaling door Valero van het wettelijk minimum loon aan [X]. Het Gerecht ziet die baan van [X] als tijdelijk en als een terechte invulling van zijn jegens DHC geldende schadebeperkingsplicht. Het loon dat [X] aldus heeft gegeneerd, zal eveneens in mindering strekken op zijn loonvordering.

2.5.3

Vast staat dat [X] volgens de ook voor hem geldende en kenbare regels van DHC zijn medicijngebruik op de bewuste dag had moeten melden aan DHC, zodat DHC dienaangaande een voor haar geraden beslissing had kunnen nemen. Vast staat ook dat [X] die regel niet heeft nageleefd. In dat verwijtbaar handelen van [X] ziet het Gerecht aanleiding om de wettelijke verhoging vast te stellen op telkens maximaal 5%.

2.6

DHC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [X], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan verschotten en Afl. 5.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten van tarief 5 van het liquidatietarief, ad Afl. 1.250,-- per punt).

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-verklaart het op 29 juli 2015 door DHC aan [X] gegeven ontslag nietig;

-veroordeelt DHC tot (door)betaling aan [X] van zijn loon gerekend vanaf 29 december 2015 tot dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, achterstallig loon te vermeerderen met de gematigde vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 5% en met dien verstande dat het vanaf 18 januari 2016 door [X] elders verdiende minimum loon in mindering strekt op het door DHC aan [X] te betalen achterstallige loon;

-veroordeelt DHC in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [X], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan verschotten en Afl. 5.000,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 augustus 2017.