Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:613

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
E.J. 744 van 2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

civiel-ej-arbeid-kennelijk onredelijk ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 22 augustus 2017

Behorend bij E.J. 744 van 2017

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[X],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [X],

gemachtigden: advocaten mrs. D.M. Canwood en J.P. Sjiem Fat,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE CENTRALE BANK VAN ARUBA,

te Aruba,

hierna ook te noemen: de CBA,

gemachtigde: advocaat mr. A.A.D.A. Carlo, bijgestaan door mr. N.T. Dempsey.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de akte vermeerdering van eis;

- de overgelegde aantekeningen ter zitting van [X];

- de overgelegde aantekeningen ter zitting van de CBA;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 4 juli 2017.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

X] is op 1 september 2000 in dienst getreden bij de CBA en was daar tot de datum van haar ontslag op 31 januari 2017 werkzaam, laatstelijk als beleidsmedewerker/Coördinator sector Buitenland afdeling Statistieken tegen een salaris van 7.840,26 per maand. Op haar functioneren is geen kritiek geweest.

2.2

Op 26 juli 2006 heeft de echtgenoot van [X], [Y] (verder: [Y]), een vennootschap naar het recht van de Britse Maagden Eilanden opgericht met de naam [naam] (verder: [naam vennootschap]). Van de vijf uitgegeven aandelen in het bedrijf hield [Y] er twee, [X] er één en elk van hun kinderen er ook één.

2.3

Op 15 juli 2016 is het huwelijk van [Y] en [X] door echtscheiding ontbonden, wat is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 12 oktober 2016.

2.4

In april 2016 heeft een internationale onderzoeksgroep van journalisten een rapport gepubliceerd naar constructies rond belastingontwijking, bekend geworden als de Panama Papers. In dit rapport wordt [naam vennootschap] ook genoemd. Naar aanleiding van dit rapport heeft [X] dit aan de directie van de CBA meegedeeld en op 9 mei 2016 een Incident Report opgesteld. Hierin heeft zij melding gemaakt van de overdracht van de aandelen in [naam vennootschap] van haar en haar kinderen op 3 augustus 2012 resp. 4 september 2015 aan [Y]. Zij heeft voorts verklaard dat zij uit [naam vennootschap] geen winstuitkering heeft ontvangen en dat zij daarin geen bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid.

2.5

In januari 2017 is de CBA benaderd door een advocaat uit de VS naar aanleiding van een onderzoek naar fraude, gepleegd door [Y] ten opzichte van zijn werkgever, [Z]. In het bericht wordt melding gemaakt van zorg dat [X], vanuit haar positie bij de CBA, in staat zou zijn geweest US Dollars door [Y] in Aruba in te voeren. Tevens wordt aangegeven dat hiervoor (nog) geen bewijs is.

2.6

Op 3 maart 2017 is door [Z] een procedure voor een rechtbank in Miami (USA) tegen onder andere [Y], [naam vennootschap] en [X] aanhangig gemaakt, gebaseerd op de (vermoedelijk) door [Y] gepleegde fraude. In deze procedure is op 28 juni 2017 door de Amerikaanse advocaat van [X] een “Motion to dismiss” ingediend, nu (kort gezegd) aan [X] geen specifieke verwijten worden gemaakt. Over de procedure in Miami is door verschillende nieuwsmedia in Aruba bericht, met vermelding van de naam van [X] en haar dienstbetrekking bij de CBA.

2.7

De CBA heeft op 19 januari 2017 aan [X] (samengevat) laten weten dat zij, hoewel niet bewezen is dat zij betrokken is bij malafide praktijken, de schijn tegen heeft en dat de uitoefening van haar vertrouwelijke functie bij de CBA op gespannen voet staat met de institutionele integriteit van de CBA. Omdat aan dit laatste door CBA doorslaggevend belang wordt gehecht, is bij diezelfde brief aan [X] meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst wordt beëindigd en is haar een beëindigingsvoorstel gedaan, dat door [X] niet is aanvaard. Bij brief van 31 januari 2017 heeft de CBA de arbeidsovereenkomst met [X] per diezelfde datum beëindigd en is aan haar een uitkering gedaan van drie maanden salaris in verband met de opzegtermijn en een beëindigingsvergoeding van Afl. 156.345,-.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

X] verzoekt, samengevat, een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de CBA kennelijk onredelijk is en verzoekt – uitvoerbaar bij voorraad – herstel van de dienstbetrekking, doorbetaling van haar salaris en subsidiair een vergoeding, waarbij rekening wordt gehouden met de schulden die [X] heeft bij de CBA, te weten een studieschuld en een hypothecaire lening. Tevens verzoekt zij de CBA te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [

X] grondt het verzoek erop dat haar geen verwijt te maken valt van de misdragingen van haar (ex)echtgenoot en dat de CBA geen verwijten in haar richting heeft kunnen hard maken.

3.3

De CBA voert gemotiveerd verweer.

3.4

Het Gerecht zal hieronder op de standpunten van partijen, waar nodig, nader ingaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Indien een der partijen de dienstbetrekking al of niet met inachtneming van de voor de beëindiging geldende bepalingen kennelijk onredelijk doet eindigen, kan de rechter ingevolge artikel 7A:1615s BWA aan de wederpartij naar billijkheid een schadevergoeding toekennen. De rechter kan evenwel ook de partij die schadeplichtig is geworden veroordelen het dienstverband te herstellen (7A:1615t BWA). Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een valse reden en wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de beëindiging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij die beëindiging. Ter beantwoording van de vraag of het ontslag op de voet van art. 7A:1615s BW kennelijk onredelijk is, dienen alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking te worden genomen.

4.2

Bij de beoordeling van het geschil stelt het Gerecht voorop dat de CBA een toezichthoudend orgaan is dat er (groot) belang bij heeft dat haar reputatie niet wordt geschaad. Hiervoor heeft zij onder meer in haar personeelsregelingen bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het handhaven van de integriteit van haar medewerkers. Hiervan maakt deel uit de Code of Conduct, waarvan door de CBA is overgelegd de versie van 29 januari 2015. In art. 3.5 is opgenomen dat, gezien de positie van de CBA, de werknemer “should act with full independence and impartially” en tevens dat hij een conflict of interest dient te vermijden bij persoonlijke financiële transacties. Dat de CBA deze norm streng wil handhaven is te billijken.

4.3

Ter zitting is komen vast te staan dat ten tijde van het oprichten van [naam vennootschap], dergelijke vennootschappen niet vielen onder het toezicht van de CBA, terwijl dit later wel het geval werd. [X] was niet bij dat toezicht betrokken. Voorafgaand aan de publicatie van de Panama Papers heeft zij geen melding gedaan van de binnen haar gezin bestaande financiële belangen bij deze offshore company. Uit niets is gebleken dat zij zonder publicatie van de Panama Papers voornemens was om dit wel te doen. Anderzijds blijkt uit de door de CBA overgelegde gegevens omtrent de aandelen van [naam vennootschap], dat het relaas van [X] over de overdracht van haar aandelen aan haar (toenmalige) echtgenoot correct is. Tevens merkt het Gerecht op dat in juli 2016 [X] naar Panama is afgereisd omtrent de situatie rond [naam vennootschap], volgens eigen zeggen om vast te stellen dat zij geen bemoeienis (meer) heeft bij deze vennootschap. Van deze reis heeft zij geen melding gedaan aan de CBA - volgens haar op advies van haar advocaat.

4.4

Ter zitting is voorts komen vast te staan - zulks in antwoord op expliciet daartoe gestelde vragen - dat er geen feiten zijn vast te stellen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het uitgavenpatroon van [X] gefinancierd is door (mogelijke) opbrengsten uit [naam vennootschap] of door enige illegale activiteit, noch dat de informatie die [X] aan de CBA heeft verstrekt onjuist is. De CBA heeft veel vermoedens, maar kan dat, ook naar eigen zeggen, niet “hard maken”.

4.5

Wel blijkt uit de door CBA overgelegde informatie dat zij ongewild is betrokken geraakt in een publicitaire storm die is ontstaan rond de fraude bij [Z]. Dat de CBA, zacht uitgedrukt, niet blij is met het met naam en toenaam noemen van een medewerker van haar organisatie bij deze fraude, waaronder haar positie bij de CBA, acht het Gerecht zeer begrijpelijk. De CBA heeft nu eenmaal een bijzondere positie binnen Aruba en een ieder mag verwachten dat de mensen die bij de CBA werken van onbesproken gedrag zijn. De vraag is dan of dit ten aanzien van [X] niet het geval is geweest. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6

Hoewel ten tijde van het oprichten van [naam vennootschap] dit buiten het bereik van het toezicht van de CBA viel, had [X] kunnen begrijpen dat het opzetten van een financiële constructie - zij het dan op initiatief van haar toenmalige echtgenoot - voor de CBA een relevante omstandigheid is, nu het zicht kan geven op financiële transacties van haar medewerkers, waarbij zich integriteitsrisico’s kunnen voordoen. Op het moment dat de offshore activiteiten wel onder het toezicht van de CBA vielen, had van [X] mogen worden verwacht dat zij dit op eigen initiatief zou melden. Dat heeft zij niet gedaan - en dat is haar aan te rekenen. Dat zelfde geldt m.m. voor de reis die zij in 2016 naar Panama maakte in het kader van [naam vennootschap].

4.7

Daar staat tegenover dat uit niets is gebleken dat zij betrokken is geweest bij enige illegale activiteit, noch dat er ernstige vermoedens zijn dat zij alternatieve inkomstenbronnen moet hebben gehad ter financiering van haar uitgaven. De vermoedens die de CBA op dit punt had, heeft zij kunnen weerleggen door het tonen van relevante documentatie.

4.8

In de kern blijft dan alleen de negatieve publiciteit over waarin de naam van [X] en de CBA is genoemd. Daarin zijn geen feiten genoemd die de positie van [X] in een ander daglicht plaatsen. Die publiciteit zelf is onvoldoende om arbeidsrechtelijk de consequenties eraan te verbinden die de CBA heeft gedaan, temeer nu niet is gebleken dat dit de positie van de CBA heeft aangetast. Hoewel [X] enige steken heeft laten vallen, slaat de balans ten aanzien van de vraag naar de kennelijke onredelijkheid uit in het voordeel van [X]. Daarbij betrekt het Gerecht de omstandigheden dat zij een specialistische functie heeft, die buiten een orgaan als de CBA moeilijk kan worden uitgeoefend. Ook heeft zij een financiële afhankelijkheid van de CBA, waaronder een studieschuld en een hypothecaire lening. Juist vanwege de (zeer) geringe verwijten die haar te maken zijn, had de CBA een minder zware sanctie kunnen en moeten kiezen.

4.9

Dit leidt ertoe dat het Gerecht het ontslag kennelijk onredelijk acht en de door [X] gevraagde verklaring voor recht zal geven.

4.10 [

X] heeft primair verzocht om herstel van de dienstbetrekking. Daartoe heeft zij, gezien haar specialistische kennis, ook belang. Die vordering komt dan ook op basis van art. 7A:1615t BW voor toewijzing in aanmerking. In dit artikel is echter ook opgenomen dat deze veroordeling kan worden voorzien van een afkoopsom. Ten einde partijen te behoeden voor een hernieuwde gang naar het Gerecht zal het Gerecht reeds thans die afkoopsom vaststellen. Hierbij wordt rekening gehouden met de lengte van het dienstverband van [X], haar positie op de arbeidsmarkt en de mate van wederzijdse verwijtbaarheid. Om de reden dat tevens een afkoopsom wordt bepaald, zal het Gerecht geen dwangsom verbinden aan de veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking.

4.11

Voor wat betreft de periode tussen de datum van ontslag en de datum van herstel van de dienstbetrekking zal het Gerecht ook het verzoek van [X] tot doorbetaling van loon toewijzen.

4.12

Ten aanzien van alle veroordelingen geldt dat het Gerecht rekening zal houden met de reeds door de CBA betaalde bedragen. Hetgeen meer of anders is gevorderd door [X] wordt afgewezen.

4.13

De CBA zal als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

5.1

verklaart voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is;

5.2

herstelt de dienstbetrekking met ingang van heden;

5.3

veroordeelt de CBA tot doorbetaling van het gebruikelijke brutoloon aan [X], inclusief de reguliere toeslagen en verhogingen, met ingang van 1 februari 2017 tot de datum waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

5.4

bepaalt dat het onder 5.3 gegeven bevel vervalt indien de CBA aan [X] een afkoopsom betaalt van Afl. 220.000,- bruto en bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tot een einde komt op de dag waarop de CBA deze afkoopsom aan [X] heeft voldaan;

5.5

bepaalt dat hetgeen de CBA reeds aan [X] heeft voldaan bij gelegenheid van de opzegging in mindering strekt op hetgeen hierboven aan [X] is toegewezen;

5.6

veroordeelt de CBA in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [X] worden begroot op Afl. 50,00 aan griffierecht en Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde;

5.7

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.8

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken door mr. Y.M. Vanwersch ter openbare terechtzitting van dinsdag 22 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.