Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:588

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
BBZ nr. AUA201600189
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Inspecteur stelt dat het bedrag van Afl. 450.000 een belaste afkoop van pensioen is, zodat het bedrag tot het belastbaar inkomen gerekend dient te worden. Het Gerecht oordeelt dat geen sprake is van afkoop van pensioen nu de pensioenrechten van de echtgenoot volledig intact zijn gebleven en nu belanghebbende het bedrag van Afl. 450.000 evenmin heeft verkregen ter vervanging van door haar te missen inkomsten. Naar het oordeel van het Gerecht vormt de uitbetaling aan belanghebbende van Afl. 450.000 een vermogenstransactie in het kader van een boedelverdeling, die geheel in de onbelaste vermogenssfeer ligt. Het gelijk is aldus aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1934 met annotatie van Jeroen Adeler
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 juli 2017

BBZ nr. AUA201600189

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[ X ], woonachtig in Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2016 een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010 opgelegd.

1.2

Belanghebbende heeft op 13 juni 2016 een e-mail aan een medewerker van de belastingdienst gestuurd waarin zij schrijft dat ze zo spoedig mogelijk bezwaar zal aantekenen tegen de aanslag inkomstenbelasting 2010. De Inspecteur heeft dit schrijven opgevat als een bezwaarschrift tegen de aanslag.

1.3

De Inspecteur heeft op 12 augustus 2016 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4

Belanghebbende is op 10 oktober 2016 tegen de uitspraak in beroep gekomen. Zij heeft daarbij een bedrag van Afl. 25 aan griffierecht voldaan.

1.5

De Inspecteur heeft op 19 januari 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6

Belanghebbende heeft op 23 februari 2017 een aanvulling op het beroepschrift ingediend.

1.7

Ter zitting van 9 maart 2017 te Oranjestad is belanghebbende verschenen, bijgestaan door [ A ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ B ]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn aan de Inspecteur en het Gerecht overgelegd. Vervolgens heeft het Gerecht het onderzoek gesloten.

2 DE TUSSEN PARTIJEN VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende was sinds 1994 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [ M ] (hierna: M.). Op 27 januari 2010 hebben zij een echtscheidingsovereenkomst gesloten. In artikel 4.6 van die overeenkomst staat vermeld:

“[ X ] shall receive Afl. 450.000,-- as part of the pension insurance that has been accrued by [ M ]. Payment of this amount will be made as soon as [ M ] has been able to generate the necessary funds, however no later than March 31, 2010. [ X ] acknowledges and agrees that this amount is the total amount before any applicable taxes and premiums and that she will be responsible for the correct payment of the applicable taxes and premiums.”

2.3

Op 25 februari 2010 is de echtscheiding door het Gerecht uitgesproken.

2.4

Belanghebbende was in 2010 werkzaam bij [ Z ]. M. was daar directeur. Op 10 maart 2010 richt de heer [ S ] van het belastingadvieskantoor [ W ] namens [ D ] een brief aan de Inspecteur, waarin onder andere het volgende is opgenomen:

“De heer [ M ] en mevrouw [ X ] zijn in een echtscheiding verwikkeld. (…) De heer [ M ] heeft bij [ D ] een ouderdomspensioen opgebouwd voor zichzelf en voor mevrouw [ X ] een weduwenpensioen. In het kader van een binnenkort te ondertekenen echtscheidingsconvenant heeft mevrouw [ X ] verzocht om het weduwenpensioen opgebouwd door de heer [ M ] ten hare behoeve bij [ D ] af te kopen voor AWG 450.000, onder inhouding van de verschuldigde belastingen.” In de brief wordt vervolgens verzocht om goed te keuren dat 25% loonbelasting wordt ingehouden op de afkoop van de pensioenrechten.

2.5

Tot de gedingstukken behoort een payroll slip van [ Z ] van 28 april 2010 waarin staat dat aan belanghebbende een bedrag van Afl. 450.000 aan “other income” met als omschrijving “widow pension payout” is uitgekeerd waarop Afl. 112.500 aan loonbelasting is ingehouden. Volgens de eveneens tot de gedingstukken behorende jaaropgaaf heeft belanghebbende in 2010 een bruto loon, inclusief het hiervoor vermelde bedrag van Afl. 450.000, genoten van Afl. 521.916,02.

2.6

Belanghebbende heeft op 24 februari 2012 haar aangifte inkomstenbelasting 2010 ingediend en daarbij het bedrag van Afl. 450.000 niet als inkomen aangegeven. In de toelichting bij de aangifte legt belanghebbende uit waarom zij vindt dat het bedrag van Afl. 450.000 niet tot haar inkomen behoort.

2.7

De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag van de aangifte afgeweken en heeft het bedrag van Afl. 450.000 bij het inkomen geteld. Het belastbaar inkomen is daarbij vastgesteld op Afl. 510.524. Over het bedrag van Afl. 450.000 is het bijzondere tarief van 25% toegepast.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

In geschil is of het bedrag van Afl. 450.000 tot het belastbaar inkomen gerekend dient te worden. Belanghebbende meent van niet. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de pensioenrechten van M. intact gebleven zijn en dat aldus van een afkoop van pensioen geen sprake is. De verplichting in het echtscheidingsconvenant betreft volgens belanghebbende een persoonlijke verplichting van M. en de verwerking via de loonbelastingsfeer is dan ook onrechtmatig. Het is voor belanghebbende een recht dat voortvloeit uit de verrekening van pensioenrechten in het kader van echtscheiding en het betreft aldus onderdeel van de verdeling van de boedel. Anders dan in Nederland, waar een en ander wettelijk is geregeld, levert die verrekening geen belastbaar feit op.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het bedrag van Afl. 450.000 door [ Z ] uitbetaald is als weduwenpensioen en door belanghebbende is verkregen als een belaste afkoop van pensioen, zodat het bedrag tot het belastbaar inkomen gerekend dient te worden.

Partijen verschillen daarnaast van mening over de ontvankelijkheid van het bezwaar. De Inspecteur is van mening dat het bezwaarschrift te laat is ingediend waardoor het niet-ontvankelijk is. Belanghebbende stelt dat zij de aanslag en de afwijkingsbrief nimmer heeft ontvangen. Toen zij op de hoogte kwam heeft zij zo snel mogelijk gereageerd, waardoor het bezwaarschrift in de ogen van belanghebbende ontvankelijk is.

3.2

Voor de stellingen van partijen verwijst het Gerecht verder naar de door hen ingediende stukken en naar hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1

Het Gerecht stelt het volgende voorop. Belanghebbende heeft op 13 juni 2016 een e-mailbericht gestuurd aan de Inspecteur met de volgende tekst:

“(…)

Ik zal zo spoedig mogelijk bezwaar aantekenen tegen de aanslag IB 2010 ten name van mijn cliente, [ X ]. In de bijlage alvast de toelichting zoals ik die had ingediend bij de aangifte. (…)”

De Inspecteur heeft dit e-mailbericht opgevat als een bezwaarschrift. Ter zitting hebben beide partijen gesteld dat dit schrijven aangemerkt dient te worden als bezwaarschrift. Het Gerecht zal partijen hierin volgen, met name nu als bijlage bij het bericht de toelichting bij de aangifte is gevoegd, waarin belanghebbende uitgebreid haar standpunt heeft verdedigd dat het bedrag van Afl. 450.000 niet tot het belastbaar inkomen dient te worden gerekend.

4.2

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB) kan de belastingplichtige binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van de aanslag bij de Inspecteur in bezwaar komen. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift na die termijn en dus te laat ingediend. In dat geval blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest (artikel 17, lid 5 ALB). De indiener is niet in verzuim indien hij, zonder daar zelf schuld aan te hebben, pas later heeft kennisgenomen van de aanslag en hij vervolgens zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is bezwaar heeft aangetekend.

4.3

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij pas in juni 2016 op de hoogte werd gesteld van de aanslag en dat zij vervolgens terstond een bezwaarschrift heeft ingediend. Zij heeft daarbij gewezen op de slechte postbezorging op Aruba. Naar het oordeel van het Gerecht is het van algemene bekendheid dat de postbezorging op Aruba veel te wensen overlaat waardoor regelmatig stukken niet of te laat worden ontvangen. Het Gerecht heeft gelet daarop geen aanleiding, en ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in het dossier, om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd. Met de enkele stelling dat de aanslag naar het juiste adres is verzonden heeft de Inspecteur, op wie de bewijslast van eerdere ontvangst rust, tegenover de geloofwaardige verklaring van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende eerder dan in juni 2016 op de hoogte is geraakt van de aanslag. Nu belanghebbende meteen na het bekend worden met de aanslag bezwaar heeft gemaakt is zij niet in verzuim geweest en dient het bezwaar ontvankelijk verklaard te worden. In zoverre is het beroep reeds gegrond.

Inhoudelijk

4.4

Het Gerecht stelt voorop dat het bedrag van Afl. 450.000 niets te maken heeft met de pensioenrechten die belanghebbende zelf als werknemer van [ Z ] heeft opgebouwd. Die pensioenrechten zijn ongewijzigd gebleven. Het bedrag ziet op het door M. opgebouwde pensioen. Het Gerecht overweegt hierover het volgende.

4.5

In het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 27 november 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4271, bekend onder de naam “Boon/van Loon”) is beslist dat bij echtscheiding verrekening van pensioenrechten moet plaatsvinden ten behoeve van de niet-pensioengerechtigde echtgenoot. De Hoge Raad heeft daarbij verschillende mogelijkheden genoemd waarop die verrekening plaats zou kunnen vinden. Een van die mogelijkheden bestaat er uit dat aan de niet-pensioengerechtigde een vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld geld) wordt toebedeeld. Dit gebeurt dan in het kader van de boedelscheiding.

4.6

In artikel 4.6 van de echtscheidingsovereenkomst is opgenomen dat belanghebbende een bedrag van Afl. 450.000 zal ontvangen als deel van de door M. opgebouwde pensioenverzekering. Betaling van het bedrag van Afl. 450.000 zal volgens de overeenkomst moeten plaatsvinden zo gauw M. de benodigde gelden heeft kunnen bijeenbrengen, maar uiterlijk 31 maart 2010. Gelet op deze bepaling hebben belanghebbende en M. gekozen voor de in 4.5 vermelde toekenning van een som geld aan belanghebbende. Het bedrag van Afl. 450.000 betreft overigens een vergoeding ter verrekening van alle pensioenrechten zodat de in de payroll slip (zie 2.5) gebruikte benaming “widow pension payout” en de in de brief van [ W ] gebruikte terminologie van afkoop van “weduwenpensioen” (zie 2.4), wat daar verder ook van zij, onjuist is.

4.7

De afgesproken toekenning van het bedrag van Afl. 450.000 vindt plaats in het kader van de boedelscheiding, laat verder de pensioenrechten van M. intact en vormt aldus een verplichting van M. aan belanghebbende. De werkgever van M. staat daar buiten en die (werkgever) heeft in dit verband dan ook geen enkele verplichting naar belanghebbende toe. Gelet daarop kan het door die werkgever uitgekeerde bedrag niet aangemerkt worden als loon van belanghebbende. Het bedrag van Afl. 450.000 is door de werkgever uitsluitend uitgekeerd ten behoeve van de persoonlijke belangen van haar directeur. Zij heeft hiermee namens M. een persoonlijke schuld van hem aan belanghebbende voldaan. Een dergelijke voldoening kan niet als loon of inkomen van belanghebbende aangemerkt worden, maar dient als niet in de loonbelastingsfeer vallende betaling van M. aan belanghebbende aangemerkt te worden.

4.8

In dat geval rijst de vraag of die betaling van M. aan belanghebbende voor de laatste belast inkomen vormt. De Inspecteur stelt dat belanghebbende het bedrag van Afl. 450.000 ontvangen heeft in het kader van afkoop van het pensioen (belast op grond van artikel 6, lid 2, letter g van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna LIB)), of ter vervanging van het gemis aan pensioeninkomsten (belast op grond van artikel 11, lid 1, sub 1 onder a LIB), en om die reden tot haar belastbare inkomen dient te worden gerekend. Het Gerecht verwerpt het standpunt van de Inspecteur. Van afkoop van pensioen is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake nu de pensioenrechten van M. volledig intact zijn gebleven. En naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende het bedrag van Afl. 450.000 evenmin verkregen ter vervanging van door haar te missen inkomsten. Zij heeft immers nooit recht gehad op toekomstige pensioeninkomsten; zij heeft slechts, in het kader van haar ontbonden huwelijk, recht op verrekening van pensioenrechten van M. Naar het oordeel van het Gerecht vormt de uitbetaling aan belanghebbende van Afl. 450.000 een vermogenstransactie in het kader van een boedelverdeling, die geheel in de onbelaste vermogenssfeer ligt. Het gelijk is aldus aan belanghebbende.

4.9

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep van belanghebbende gegrond is.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

5.1

Op 1 juli 2016 is artikel 15 van de Landsverordening beroep in belastingzaken in werking getreden. Hierin is geregeld dat het Gerecht bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken (het Landsbesluit) en in de daarbij behorende bijlage is nader uitgewerkt in welke gevallen en tot welke bedragen recht bestaat op een proceskostenvergoeding. Ingevolge artikel 4 van het Landsbesluit geldt de regeling voor, voor zover hier van belang, beroepschriften die zijn ingediend vanaf 1 juli 2016.

5.2

Het onderhavige beroep is ingediend op 10 oktober 2016. Het Gerecht

vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Gerecht stelt de te vergoeden proceskosten op de voet van het Landsbesluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 9 maart 2017 met een waarde per punt van Afl. 700 en een wegingsfactor 1).

5.3

Nu het beroep gegrond is dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 18, lid 4 van de Landsverordening beroep in belastingzaken, het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

6 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2010 tot een naar een belastbaar inkomen van Afl. 60.524;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 1.400;

- draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c, tweede lid Landsverordening beroep in belastingzaken).