Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:528

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
142 van 2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse profijtontnemingszaak. Artikelen 38e Sr (oud) en 1:77 Sr. Overschrijding redelijke termijn. Verwerping verweer tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie o.g.v. verjaring van de ontnemingsvordering, ontbreken van pv ontnemingszitting, niet tijdig en onvolledig verstrekken van stukken. Verzoek tot horen van getuigen afgewezen. Matiging geschatte w.v.v. Toepassing vervangende hechtenis o.g.v. artikel 1:59 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

B E S L I S S I N G

op de vordering van de officier van justitie ex artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud) en artikel 1:77, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1941 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Onderzoek van de zaak

1.1

De vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 mei en 1 september 2016. De veroordeelde is niet verschenen. Als raadsman is mr. C.F.K.J. Lejuez aanwezig geweest. Op 22 september 2016 is tussenvonnis gewezen, waarin onder meer is bepaald dat de zaak op 10 november 2016 inhoudelijk wordt behandeld.

1.2

De vordering is inhoudelijk behandeld ter openbare terechtzitting van 10 november 2016 en 5 mei 2017. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden mrs. S. Schuurman en C.F.K.J. Lejuez. Ter terechtzitting van 5 mei 2017 heeft mr. J.G. Kabalt voor mr. Schuurman geoccupeerd. De veroordeelde werd in de gelegenheid gesteld om op de vordering te worden gehoord.

1.3

Voorafgaand aan en volgende op de behandeling ter terechtzitting van 10 november 2016 hebben de verdediging en de officier van justitie hun op schrift gestelde standpunten met betrekking tot de zaak bij het gerecht ingediend.

1.4

Het gerecht heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadslieden van de veroordeelde ter terechtzitting naar voren is gebracht. Het gerecht heeft verder kennis genomen van het procesdossier in de zaak met opgemelde parketnummers en van voormelde standpunten.

2 Grondslag van de vordering

2.1

De veroordeelde is bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 10 december 2008, voor zover van belang, veroordeeld ter zake van:

(dagvaarding van 21 december 2007)

feit 1: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 146, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1 onder A, van de Landsverordening verdovende middelen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening juncto artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

feit 4, meer subsidiair: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 298 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

feit 5: overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening.

(dagvaarding van 29 april 2008)

feit 1: Witwassen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 430b van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

2.2

Het gerecht neemt als grondslag van de vordering in aanmerking de bij voormeld hofvonnis bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 van de dagvaarding van 21 december 2007 en onder 1 van de dagvaarding van 29 april 2008. Het gerecht tekent hierbij aan dat de feiten vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, op 15 februari 2014, dateren, zodat de aangehaalde wetsartikelen tot het tot voormelde datum geldende wetboek van strafrecht en tot de bijzondere wet zoals die vóór die datum luidde, behoren.

3 De vordering

3.1

De inleidende schriftelijke vordering d.d. 16 april 2010 van de officier van justitie, mr. F.A.P.M. van Deutekom, strekt er toe dat het gerecht de maatregel van ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 38e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud), oplegt tot betaling aan het Land Aruba van het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van Awg. 6.180.000,-.

Tevens vordert de officier van justitie dat het gerecht vervangende hechtenis, als vermeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (oud) toepast indien volledige betaling van het verschuldigde bedrag of het volledig verhaal uitblijft.

3.2

Ter terechtzitting van 10 november 2016 is de vordering gewijzigd, in die zin dat het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van twee berekeningen - een mét informatie verkregen middels OVC en de ander zónder die informatie - is geschat. Aan de hand van die berekeningen (met toepassing van een reductie van 20% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn) wordt thans gevorderd dat de veroordeelde aan het Land Aruba het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van Awg. 4.176.592,- dan wel Awg. 1.984.200,- betaalt. Voorts is gevorderd dat, bij niet of niet volledige betaling van het thans verschuldigde bedrag, vervangende hechtenis als vermeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (oud), dan wel ingevolge artikel 1:59 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van tweeëneenhalf (2,5) jaren onderscheidenlijk anderhalf (1,5) jaar zal worden toegepast zonder vermindering van de betalingsverplichting.

3.3

Bij zijn ‘conclusie van repliek’ heeft de officier van justitie de berekeningen van het bedrag van het geschatte voordeel aangepast, zodat thans wordt gevorderd dat de veroordeelde Afl. 5.614.000,-, dan wel Afl. 2.438.448,25, als maximumbedrag van het geschatte voordeel aan het Land Aruba betaalt.

4 De verdediging

4.1

De verdediging heeft primair een preliminair verweer gevoerd, inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Daartoe is onder meer - samengevat - aangevoerd:

a. dat de redelijke termijn waarbinnen de onderhavige zaak had dienen te worden berecht, te rekenen vanaf 24 september 2007 - de datum waarop veroordeeldes personenauto in beslag is genomen -, ruim is overschreden, hetgeen een schending op-levert van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel

b. dat de ontnemingsvordering is verjaard, nu de ontnemingsprocedure - die als een civiele procedure tot onverschuldigde betaling aan de veroordeelde dan wel tot betaling van schadevergoeding aan het Land Aruba kan worden gekarakteriseerd - niet binnen de (civiele) verjaringstermijn van vijf jaren aanhangig is gemaakt, dan wel

c. dat de ontnemingsvordering nimmer aanhangig is gemaakt, nu het proces-verbaal van de in deze procedure gehouden terechtzitting d.d. 15 september 2010 aan het ontnemingsdossier ontbreekt, hetgeen met zich brengt dat die zitting nietig is en als nimmer gehouden dient te worden geacht, dan wel

d. dat de verdediging tot aan de zitting van 10 november 2016 niet de beschikking heeft gehad over het volledige dossier. De stukken zijn zeer laat in het geding en onvolledig aan de verdediging verstrekt. De verdediging concludeert derhalve dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde door het openbaar ministerie, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de veroordeelde tekort is gedaan aan een eerlijke behandeling van zijn zaak. De niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen.

4.2

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen. Daartoe heeft de verdediging - samengevat - aangevoerd:

a. dat de gebezigde berekenmethoden niet kunnen leiden tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu vermelde methoden rechtstreeks gestoeld zijn op de van het voor bewijs (in de strafzaak) uitgesloten OVC-gesprekken, dan wel

b. dat vermelde methoden gebaseerd zijn op aannames - voortvloeiende uit de interpretatie van uitgewerkte afgeluisterde telefoongesprekken - die onvoldoende ondersteuning vinden in het ontnemingsdossier.

4.3

Meer subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de gebezigde berekenmethoden niet tot ontneming kunnen leiden, nu de aannames waarop die zijn gebaseerd elke feitelijke grondslag ontberen. De verdediging heeft daartoe onder meer - samengevat - naar voren gebracht:

a. dat de veroordeelde niet meer kilo’s aan de medeveroordeelde [medeveroordeelde] heeft geleverd dan de hoeveelheid die bij voormeld hofvonnis bewezen is verklaard. De verdediging betwist dan ook de door de officier van justitie gehanteerde berekening, die gegrond is op de OVC-informatie en de verklaringen van [medeverdachte], dan wel

b. dat de verklaringen van [medeverdachte], inhoudende dat [medeveroordeelde] meerdere leveranciers heeft gehad, voor waar aangehouden dienen te worden en dat de veroordeelde uit de 375 kilo verdovende middelen waarnaar de officier van justitie verwijst in de tweede berekening, kennelijk het wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De verdediging heeft daarbij een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte] als getuige.

4.4

Meest subsidiair betoogt de verdediging - samengevat - dat het door de veroordeelde genoten wederrechtelijk voordeel slechts gebaseerd kan worden op de door het Hof in de strafzaak van de veroordeelde vastgestelde twee transporten van in totaal 37 kilo cocaïne, waarbij hij betrokken was. Volgens de verdediging kan het door de medeveroordeelde [medeveroordeelde] omgezette kilo’s cocaïne niet aan de veroordeelde worden toegerekend, omdat [medeveroordeelde], naast de veroordeelde, tevens van andere leveranciers drugs zou hebben ontvangen.

4.5

Ter terechtzitting van 5 mei 2017 heeft de verdediging een verzoek gedaan tot het horen van een aantal getuigen. Volgens de verdediging zouden die getuigen onder meer kunnen verklaren over de inhoud van de afgeluisterde gesprekken en OVC-gesprekken.

5 Beoordeling

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

5.1

Volgens de Hoge Raad1 leidt de schending van artikel 6, eerste lid, EVRM, op grond van overschrijding van de redelijke termijn, niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. In de regel wordt die inbreuk gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag.

Voor Aruba geldt in beginsel - naar analogie van voormeld arrest - dat een ontnemings-zaak in eerste aanleg binnen twee jaren met een einduitspraak dient te zijn afgerond, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het Land Aruba jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Voor de aanvang van die redelijke termijn zijn, volgens eerder aangehaald arrest, verschillende momenten die de feitenrechter als aanvangsdatum kan aannemen, zoals:

  • -

    de aankondiging van de officier van justitie, uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de strafzaak in eerste aanleg, dat hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhanging te maken, of

  • -

    het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, of

  • -

    het moment waarop een dergelijke vordering aan hem wordt betekend, of

  • -

    het moment waarop een gericht conservatoir beslag op vermogensbestanddelen wordt gelegd op grond van artikel 119a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Daarnaast is de redelijkheid van de duur van de termijn waarbinnen een ontnemingszaak dient te worden berecht, afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Ook dient rekening te worden gehouden met de door de wetgever gecreëerde mogelijkheid voor het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering uiterlijk binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg aanhangig te maken.

5.2

Uit de zich in het dossier bevindende Rapportage inzake Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) volgt dat op 24 september 2007 beslag ex artikel 119 Sv is gelegd op vermogensbestanddelen van de veroordeelde. Dit beslag is met machtiging van de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2008 gehandhaafd als conservatoir beslag. Het gerecht concludeert uit het vorenstaande dat de datum van 24 september 2007 nog steeds geldt als datum waarop gericht conservatoir beslag is gelegd op vermogensbestanddelen van de veroordeelde. Het gerecht is dan ook in beginsel van oordeel dat 24 september 2007 als datum voor de aanvang van de redelijke termijn kan worden aangenomen, nu het gericht leggen van het conservatoir beslag op veroordeeldes vermogensbestanddelen een voor hem zo evidente handeling was dat hij in alle redelijkheid kon verwachten dat het Land Aruba, vertegenwoordigd door het openbaar ministerie, tegen hem een ontnemingsprocedure aanhangig zou maken.

5.3

Ingevolge vermeld arrest van de Hoge Raad diende de onderhavige zaak binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn te zijn afgerond, derhalve uiterlijk 24 september 2009.

5.4

Het gerecht stelt vast, gelet op de uitgebreidheid van het onderzoek, dat de onderhavige zaak complex was en dat dit voor de nodige vertraging in het afsluiten van de rapportage (op 25 juli 2009) heeft gezorgd. Zo komt uit de processtukken naar voren dat het strafrechtelijke en daarmee het financiële onderzoek zich over een aanzienlijke periode heeft uitgestrekt, namelijk vanaf mei 2005 tot en met 24 september 2007. Tijdens het opsporingsonderzoek werd informatie verkregen over de grootschalige verdovende middelenoperatie (invoer in Aruba en doorvoer uit Venezuela naar de Dominicaanse Republiek) die ten behoeve van de veroordeelde plaatsvond. Ter vergaring van die informatie werd mede gebruik gemaakt van een groot aantal rechtshulpverzoeken, wier uitvoering door de desbetreffende buitenlandse autoriteiten ook de nodige tijd in beslag heeft genomen. De grootschaligheid van het (strafrechtelijk) onderzoek en het grensoverschrijdende karakter daarvan zijn omstandigheden geweest die invloed hebben uitgeoefend op het onderzoek ter vaststelling van de vermogensbestanddelen van de veroordeelde.

In het licht van het voorgaande, is het gerecht van oordeel dat de redelijkheid van de duur van de termijn waarbinnen de onderhavige ontnemingszaak had dienen te worden behandeld, zodanig is beïnvloed, dat redelijkerwijs de datum van 24 september 2009 niet kan worden aangehouden als zijnde de datum waarop de zaak uiterlijk had dienen te zijn afgerond.

5.5

De veroordeelde is bij vonnis van 10 december 2008 door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en vijftig weken. Tegen dit vonnis heeft hij op 16 december 2008 cassatieberoep ingesteld, welk beroep bij arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2010 werd verworpen. Voormeld hofvonnis is op diezelfde datum onherroepelijk geworden. Per 26 januari 2010 is het strafproces tegen de veroordeelde beëindigd.

Het gerecht zal deze datum aannemen als de datum waarop de onderhavige zaak uiterlijk had dienen te zijn afgerond. De ontnemingszaak had derhalve uiterlijk op 26 januari 2010 afgerond dienen te zijn. Aldus is de redelijke termijn, te rekenen vanaf 26 januari 2010, met zeven jaren, vijf maanden en vier dagen overschreden. Het gerecht is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn een schending van artikel 6, eerste lid, EVRM oplevert.

5.6

In navolging van voormeld arrest van de Hoge Raad dient, zodra vast is komen te staan dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, compensatie plaats te vinden in de vorm van matiging van de op te leggen betalingsverplichting. Voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de ontnemingsvordering is, ingevolge de Hoge Raad, derhalve geen plaats. In het licht van het voorgaande zal het gerecht de overige standpunten van de verdediging met betrekking tot dit onderwerp buiten bespreking laten. Het verweer van de raadsman faalt in zoverre.

5.7

Het standpunt van de verdediging dat de ontnemingsvordering is verjaard, deelt het gerecht niet. Ontnemingsvorderingen moeten zijn ingediend binnen de wettelijke indieningstermijn. Termijnoverschrijdingen daarbuiten vallen onder het leerstuk van de redelijke termijn. De uitspraak van het hof Den Haag waarnaar de verdediging verwijst2 heeft betrekking op de situatie die zich hier niet voordoet, namelijk dat het onderliggende strafbare feit is verjaard. Dit oordeel is door de Hoge Raad overigens niet overgenomen3. Daaruit blijkt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr (de Nederlandse tegenhanger van de artikelen 38e lid 2 Sr (oud) en 1:77 lid 2 Sr) ook mogelijk is indien vervolging ter zake van die soortgelijke of andere feiten wegens verjaring niet meer mogelijk is.

5.8

Aan de omstandigheid dat het proces-verbaal van de in deze procedure gehouden terechtzitting d.d. 15 september 2010 ontbreekt, verbindt het gerecht niet de conclusie die de verdediging daaraan verbindt. De officier van justitie dient tijdens de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg ter zitting te laten weten of hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, voor zover dit niet eerder aan de verdachte is gebleken. Deze mededelingsplicht is bedoeld als waarborg voor de belangen van de verdachte met het oog op de rechtszekerheid. Verdachte mag niet pas twee jaar na de einduitspraak plotseling worden geconfronteerd met een ontnemingsvordering.4 De enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig met het voornemen van de officier van justitie bekend is geworden leidt bovendien niet vanzelf tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier in zijn ontnemingsvordering. Bij de beslissing op de ontnemingsvordering zal de ontnemingsrechter dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en zal hij mede aan de hand daarvan dienen te bepalen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.5 In dit geval is veroordeelde niet in een rechtens te respecteren belang geschaad, nu de officier van justitie ter zitting d.d. 2 juni 2008 de ontnemingsvordering heeft aangezegd6, de vordering d.d. 16 april 2010 met oproeping voor de zitting van 15 september 2010 zich in het dossier bevindt en ook uit de communicatie met de toenmalige verdediging blijkt dat veroordeelde en zijn raadsvrouw op de hoogte waren van de indiening van de ontnemingsvordering en de inhoud daarvan. Ter zake heeft noch voor de verdediging noch voor veroordeelde enige onduidelijkheid bestaan. Tenslotte merkt het gerecht op dat artikel 503a van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft dat de vordering wordt betekend. Dat dit is gebeurd, is door de verdediging niet betwist. De zaak is aanhangig gemaakt door de betekening en niet, zoals de verdediging impliciet veronderstelt, door de (aanvang van de) behandeling ter zitting. Daarmee is de vordering in dit geval derhalve rechtsgeldig ingesteld, ook al werd van de zitting van 15 september 2010 geen proces-verbaal opgemaakt. Dit laatste is voor het instellen van de ontnemingsvordering niet relevant.7

5.9

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het niet dan wel niet-tijdig de beschikking heeft gehad over het volledige dossier noch over het originele dossier. Het gerecht verwerpt dit standpunt. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 10 november 2016 heeft de officier van justitie het dossier - conform de opdracht van de rechter - op DVD’s verstrekt aan de verdediging. Door een intern misverstand tussen de Arubaanse advocaten en die in Nederland, is aan de laatste door de Arubaanse advocaten slechts een deel verstrekt. Dit niet aan het gerecht of openbaar ministerie te wijten misverstand kwam ter zitting naar voren en is reden geweest om met instemming van de verdediging de zaak in beginsel verder schriftelijk af te procederen. Ook wordt in dat proces-verbaal gemeld dat de rechter de DVD’s steekproefsgewijs heeft vergeleken met het papieren dossier dat zich op de griffie bevindt en dat ook aan de verdediging ter beschikking heeft gestaan. In overweging 2.4 van het tussenvonnis d.d. 22 september 2016 is daarop eveneens ingegaan en is de verdediging gewezen op de mogelijkheid zelf ook een dergelijke controle uit te voeren. Tenslotte is in het tussenvonnis overwogen dat bepaalde stukken in het ongerede zijn geraakt. Het gerecht beschikt daarover niet, noch de verdediging of het openbaar ministerie. Voor het aannemen van enige tekortkoming zijdens het openbaar ministerie bestaan geen aanwijzingen. Bijgevolg is er geen reden het openbaar ministerie ter zake niet-ontvankelijk te verklaren.

Omvang van het wederrechtelijk voordeel

5.10

Het gerecht stelt voorop dat bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde, op grond van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, dient te worden uitgegaan van de feiten, zoals die zijn bewezenverklaard. Dit laat evenwel onverlet de bevoegdheid van het gerecht om, oordelend over de ontnemingsvordering, zich een zelfstandig oordeel te vormen met betrekking tot de verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het te ontnemen geschatte bedrag.8

Vast staat dat het hof bij vonnis van 10 december 2008 - onder meer - heeft geoordeeld dat de rechtstreeks door middel van OVC verkregen onderzoeksresultaten (behelzende de periode van 24 september 2006 tot 26 september 2007) het recht op privacy van de veroordeelde aanzienlijk hebben geschonden, maar niet dat hij daardoor ernstig in zijn verdediging is geschaad. Het Hof heeft die resultaten niet uitgesloten van het bewijs, doch heeft die niet voor het bewijs gebezigd.

Uit de Rapportage inzake Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) komt naar voren dat de rapporteur twee methoden heeft gebezigd voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de eerste berekenmethode is hoofdzakelijk gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens die rechtstreeks uit de middels OVC opgenomen gesprekken voortvloeien. De onderzoeksgegevens die door de rapporteur zijn betrokken bij de tweede berekenmethode zijn rechtstreeks verkregen uit verklaringen van de veroordeelde, de medeveroordeelde [medeveroordeelde] en andere medeverdachten in de [naam zaak]-zaak, alsmede uit dossiers van ingestelde (deel)onderzoeken ten behoeve van voormelde strafzaak. Voorts zijn gegevens verkregen uit onderzoek naar documenten die tijdens de doorzoeking van veroordeeldes woning in beslag zijn genomen, alsmede naar documenten die door instellingen en (overheids)diensten op basis van een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek van de rechter-commissaris zijn uitgeleverd. Daarnaast zijn ook gegevens verkregen uit afgeluisterde telefonische gesprekken, die in combinatie met de overige gegevens, een beeld geven van de omvang van de vermogensbestanddelen van de veroordeelde.

Het gerecht zal, op grond van het vorenstaande en met inachtneming van het in het hofvonnis bepaalde, voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel zich beperken tot de tweede methode. Het in 4.2 onder a. gevoerde verweer treft derhalve geen doel.

5.11

Verder is door de verdediging verzocht om getuigen te horen met betrekking tot de inhoud van de afgeluisterde en OVC-gesprekken.

Het gerecht wijst dit verzoek af. Het karakter van de ontnemingsprocedure is anders dan die van de strafprocedure. In de strafprocedure kan het bewijs dat de verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan, ingevolge artikel 381 Sv, slechts door de rechter worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting de overtuiging heeft bekomen op basis van een wettig bewijsminimum. Artikel 503f Sv schrijft voor dat de rechter naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting dient te beraadslagen of de ontnemingsmaatregel moet worden opgelegd en, zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten. Dit brengt met zich dat de rechter gebonden is aan de inhoud van de voorhanden zijnde wettige bewijsmiddelen. Voor het verrichten van nader onderzoek, in de vorm van het horen van getuigen om de bewezenverklaring alsnog te evalueren, is in de ontnemingsprocedure in beginsel geen plaats. Voor deze procedure gelden derhalve andere procesrechtelijke regels dan voor de strafprocedure, waarbij tevens rekening kan worden gehouden met de proceshouding van betrokkene.910 Veroordeelde heeft in deze procedure zelf geen inzicht gegeven in de aard en omvang van zijn legale en illegale inkomsten in de bewuste periode. Waarom het horen van getuigen daarover voor deze ontnemingsprocedure van belang is, heeft de verdediging onvoldoende concreet onderbouwd. Hetzelfde geldt voor het voorwaardelijk verzoek om de getuige [medeverdachte] te horen omtrent zijn redenen van wetenschap. Het hof heeft verklaringen van deze getuige als bewijs gebezigd en heeft deze dus in zoverre reeds als betrouwbaar aangemerkt. Er zijn geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom het noodzakelijk zou zijn deze getuige voor de ontneming te horen. Dat er sprake is van onzekerheid over de omvang van het genoten voordeel en dat dit dus geschat moet worden, is inherent aan de ontnemingsprocedure en aan het ontbreken van inzicht daarover van de zijde van veroordeelde en geeft op zichzelf geen noodzaak om getuigen te horen.

5.12

Bij het veroordelend hofvonnis van 10 december 2008 is bewezen geacht dat de veroordeelde samen met de medeveroordeelde [medeveroordeelde] en anderen, gedurende de periode van 1 mei 2005 tot en met 24 september 2007, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Die deelneming bestond uit het invoeren, uitvoeren en afleveren van verdovende middelen, alsmede het aanwezig hebben van die verdovende middelen en het witwassen van geld. Voorts is bewezen geacht dat de veroordeelde gedurende de periode van mei 2007 tot en met september 2007 samen met anderen telkens verdovende middelen heeft ingevoerd en geldbedragen heeft witgewassen.

Uit de bewijsmiddelen leidt het gerecht (onder meer) af dat, terwijl de veroordeelde zakelijk en persoonlijk in staat van faillissement is verklaard en hij een aanzienlijke belastingschuld open heeft staan, zijn huishouduitgaven degelijk hoog (Afl. 345.339,24) zijn (geweest). Het openbaar ministerie heeft reeds ten laste van de veroordeelde conservatoir beslag gelegd op drie percelen eigendomsgrond, met het op die percelen gebouwde opstal bekend als [adres 1]. Ook is ten laste van de veroordeelde conservatoir beslag gelegd op (het erfpachtsrecht van) een perceel domeingrond met de zich daarop bevindende opstal bekend als [adres 2]. Beide registergoederen hadden bij hun koop elk een waarde Afl. 450.000,-. Tevens is ten laste van de veroordeelde conservatoir beslag gelegd op een personenauto.

5.13

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de veroordeelde uit voormelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft genoten, ook uit de samenwerking met [medeveroordeelde]. Veroordeelde heeft, zoals gezegd, zelf geen inzicht verschaft in de werkelijke omvang van zijn illegale inkomsten, zodat deze op basis van de beschikbare bewijsmiddelen geschat zullen moeten worden.

6 Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

6.1

Het gerecht volgt de officier van justitie en gaat uit van het door hem bij requisitoir berekende wederrechtelijk verkregen voordeel à Afl. 1.963.338,22, (mede) op basis van de daar genoemde getuigenverklaringen. Voorts zal het gerecht, met inachtneming van hetgeen het reeds in 5.5 ter zake van de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn heeft overwogen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel met vijfentwintig procent (25%) matigen (in plaats van de door de officier voorgestelde 20%), zijnde Afl. 490.834,55,- . Op grond van het voorgaande is het gerecht van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op:

Afl. 1.472.503,67. Het gerecht hanteert bij de omrekening van dollars naar Arubaanse florin de officiële wisselkoers van 1,78.

6.2

Voorts is het gerecht van oordeel dat niet is gesteld noch gebleken of anderszins aannemelijk geworden dat veroordeeldes draagkracht zowel nu als in de toekomst niet toereikend zal zijn om aan zijn verplichting tot betaling van dit bedrag te voldoen.

6.3

Het gerecht zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van Afl. 1.472.503,67 aan het Land Aruba ter ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel. Bij niet volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden toegepast.

7 Bewijsmiddelen

7.1

De overtuiging dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en de omstandigheden, die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

7.2

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan deze beslissing te hechten bijlage worden opgenomen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (oud) en artikel 1:77, derde lid, juncto artikel 1:59 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

Het gerecht:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op EEN MILJOEN VIERHONDERDENTWEEËNZEVENTIGDUIZEND VIJFHONDERDENDRIE FLORIN EN ZEVENENZESTIG CENTEN (Afl. 1.472.503,67);

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van voormeld bedrag aan het Land Aruba ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van DRIE (3) JAAR;

bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis niet wordt verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag.

Deze beslissing is gegeven door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 30 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

2 Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 april 2007 ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4257.

3 Hoge Raad 11 mei 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL7660; NJ 2010, 283.

4 Hoge Raad 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, NJ 2004/199.

5 Zie aantekening 2d bij artikel 36e Tekst & Commentaar strafrecht.

6 Proces-verbaal van de zitting van 2 juni 2008.

7 HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5591

8 Zie HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424

9 Vergelijk HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424

10 Zie ook aantekening 7f bij artikel 36e Tekst & Commentaar strafrecht.