Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:469

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
A.R. no. 1071 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, verdeling nalatenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2017/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 21 juni 2017

Behorend bij A.R. no. 1071 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[naam eiseres],

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: E*,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg,

tegen:

[naam gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: G*,

gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt E* dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

-de bij partijen genoegzaam bekende verdeling vernietigt;

subsidiair

-G* veroordeelt om aan E* te betalen Afl. 145.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 17 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair

-G* veroordeelt in de proceskosten.

2.2

G* voert verweer en concludeert dat E* niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Uit het daartoe door haar overgelegde bevoegdelijk afgegeven bewijs van onvermogen blijkt dat E* niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan haar zal daarom verlof tot kosteloos procederen worden verleend.

3.2

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat E* niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van G* wordt daarom verworpen.

3.3

Vast staat tussen partijen het volgende. E* is voor 9/16 deel gerechtigd tot de nalatenschap van wijlen [naam X] (hierna: de nalatenschap). De 7 overige bij partijen genoegzaam bekende gerechtigden tot die nalatenschap (waaronder begrepen G*) zijn elk voor 1/16 deel daartoe gerechtigd. Van de nalatenschap maakte deel uit het bij partijen genoegzaam bekende in erfpacht verkregen perceel met het daarop gebouwde (hierna: het perceel). De gerechtigden tot de nalatenschap zijn in elk geval met betrekking tot dat perceel tot verdeling over gegaan. Krachtens die verdeling is het perceel toebedeeld aan G* onder de verplichting van G* om ten titel van overbedeling Afl. 145.000,-- te betalen aan E*, zijnde de moeder van G*.

3.4

G* heeft de stelling van E*, dat G* het perceel toebedeeld heeft gekregen onder de voorwaarde dat E* het levenslang vruchtgebruik zou hebben van het perceel, gemotiveerd bestreden. Die stelling staat daarom niet vast, en komt in dit geschil ook niet vast te staan omdat E* geen levering van getuigenbewijs heeft aangeboden of verzocht.

3.5

Het beroep van E* op het bepaalde in artikel 3:196 BW slaagt niet, omdat dit beroep feitelijke grondslag mist. Gesteld noch is gebleken met name dat E* heeft gedwaald omtrent de waarde van het perceel, en dat zij door die dwaling voor meer dan ¼ deel is benadeeld. Dit klemt temeer omdat tegen de achtergrond van het aan E* door G* ten titel van overbedeling uit te keren of uitgekeerde bedrag ad Afl. 145.000,-- is gesteld noch gebleken wat precies de actuele marktwaarde was van het perceel ten tijde van de verdeling. De door E* beweerde omstandigheid dat G* na ontvangst van E* van voormeld bedrag dat bedrag voor zijn eigen bate heeft aangewend, brengt geen grond voor vernietiging van bedoelde verdeling met zich. Overige gronden voor zo’n vernietiging zijn gesteld noch gebleken. Dit één en ander brengt met zich dat het primair door E* verzochte zal worden afgewezen.

3.6

Ter zake van het subsidiair verzochte wordt onder aanvulling van rechtsgrond het volgende overwogen. Indien G*, zoals door E* gesteld, zonder recht of titel gelden van haar bankrekening heeft gehaald, levert dat een onrechtmatige daad op van G* jegens E*. G* is dan gehouden om de door E* geleden schade als gevolg van die onrechtmatigde daad te vergoeden. G* heeft echter voormelde stelling van E* gemotiveerd bestreden. Die stelling staat daarom niet vast en komt in dit geschil evenmin vast te staan, omdat E* geen levering van getuigenbewijs heeft aangeboden of verzocht. Ook het subsidiair verzochte zal worden afgewezen.

3.7

In de aard van dit (familie)geschil, ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te delen tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-wijst af het door E* verzochte;

-compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

-verleent aan E* verlof tot kosteloos procederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.