Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:465

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
A.R. no. 2631 van 2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, verdeling gemeenschapsgoederen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 21 juni 2017

Behorend bij A.R. no. 2631 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[naam eiseres],

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: E*,

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen:

1. [naam gedaagde],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: G*,

en

2. de naamloze vennootschap YARCO REAL ESTATE N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna ook te noemen: Yarco,

gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: G* c.s.,

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 22 juni 2016 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-de door G* c.s. op 24 augustus 2016 genomen akte houdende uitlatingen en overlegging van de bij partijen genoegzaam bekende taxatierapporten;

-het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 oktober 2016;

-de door E* op 19 oktober 2016 in het licht van voormelde akte genomen contra-akte;

-de conclusie na enquête van E*;

-de op 8 maart 2017 door G* c.s. genomen antwoordconclusie na bewijslevering.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis van 22 juni 2016 neergelegde overwegingen en beslissingen.

2.2

Het bezwaar van E* tegen het gebruik of toelating in deze procedure van de door G* c.s. bij voormelde akte overgelegde door Archiosa in de persoon van [naam X] opgestelde en bij partijen genoegzaam bekende taxatierapporten (hierna: de rapporten) wordt als zijnde ongegrond verworpen. E* verklaart dat zij aan de waarde van met name het rapport met betrekking tot het te [adres] gelegen onroerend goed twijfelt, maar daarmee is niet gezegd dat (de inhoud van) dat rapport niet klopt en/of niet overeenstemt met de werkelijkheid. Het gegeven dat [naam X] voornoemd te kennen heeft gegeven dat hij niet als taxateur in deze zaak wil worden benoemd voor het uitbrengen van taxatierapporten brengt niet met zich dat eerdere door hem opgestelde rapporten niet bruikbaar en/of niet betrouwbaar zijn. De rapporten worden als bruikbaar en betrouwbaar geoordeeld, en het Gerecht maakt ze tot de zijne.

2.3

Op grond van de rapporten komt vast te staan dat de actuele vrije marktwaarde van het aan E* en Yarco in gemeenschappelijke eigendom toebehorende onroerend goed te [adres 1] Afl. 492.995,-- bedraagt, en die van het aan E* en G* in gemeenschappelijke eigendom toebehorende onroerend goed te [adres 2] Afl. 675.840,--. De executiewaarde van [adres 1] bedraagt Afl. 369.746,25 en die van [adres 2] Afl. 506.880,--. Het Gerecht zal de bodemprijzen waarvoor voormelde onroerende goederen verkocht moeten worden vaststellen op het bedrag dat is gelegen tussen de marktwaarde en de executiewaarde. De bodemprijs waarvoor [adres 1] verkocht moet worden zo die prijs wordt geboden bedraagt aldus ((492.995,-- + 369.746,25) : 2 =)

Afl. 431.370,63. De bodemprijs waarvoor [adres 2] verkocht moet worden zo die prijs wordt geboden bedraagt aldus ((675.840,-- + 506.880,--) : 2 =)

Afl. 591.360,--.

2.4

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.3.2 van het tussenvonnis van 22 juni 2016 wordt nogmaals overwogen dat bedoelde onroerende goederen met inachtneming van voormelde bodemprijzen in de onderhandse verkoop moeten worden gezet bij makelaardij Coldwell. Partijen hebben gerekend vanaf de datum van uitspraak van dit vonnis 9 maanden de tijd om die onderhandse verkoop te realiseren. Indien het in die periode niet tot onderhandse verkoop komt, is ieder der partijen bevoegd om de onroerende goederen in het openbaar te laten verkopen (veiling dus), met dien verstande dat E* en Yarco ieder in die zin bevoegd zijn met betrekking tot [adres 1] en dat E* en G* ieder in die zin bevoegd zijn met betrekking tot [adres 2]. De netto-verkoopopbrengst van het onroerend goed gelegen te [adres 1] moet bij helfte worden verdeeld tussen E* en Yarco. De netto-verkoopopbrengst van het onroerend goed gelegen te [adres 1] moet bij helfte worden verdeeld tussen E* en G*.

2.5

Met G* c.s. is het Gerecht van oordeel dat E* de door dit Gerecht als voorshands bewezen geoordeelde stelling van G* c.s., dat E* vanaf 2004 Afl. 448.000,-- heeft ontvangen aan huurpenningen uit hoofde van de verhuur van de bij partijen genoegzaam bekende appartementen te [adres 2], niet heeft ontzenuwd. De door E* voorgebrachte getuige heeft immers verklaard dat hij ter zake van door E* ontvangen huurpenningen geen onderzoek heeft verricht met betrekking tot de jaren 2004 tot en met 2012, terwijl de getuige verder heeft verklaard dat hij zijn onderzoek over 2013, 2014 en 2015 heeft verricht op grond van door E* aan hem verstrekte informatie maar dat hij niet weet of hij alle kwitanties ter zake van huurbetalingen heeft ontvangen van E*. In dat licht heeft de getuige verder verklaard dat hij geen volledigheid van informatie kan garanderen. Eén en ander brengt met zich dat vast komt te staan in dit geschil dat E* gerekend vanaf 2004 Afl. 448.000,-- aan huur heeft ontvangen uit hoofde van de verhuur van de bij partijen genoegzaam bekende aan E* en G* in gemeenschappelijke eigendom toebehorende appartementen, en dat gerekend tot aan de zitting van 15 januari 2016 (tijdens welke zitting G* c.s. hebben gesteld dat daarvan sprake was). Dat bedrag aan huurpenningen vermeerderd met alle na 15 januari 2016 door E* ontvangen huurpenningen zal worden toebedeeld aan E*, terwijl E* ten titel van overbedeling zal worden veroordeeld om de helft van dat bedrag, te weten Afl. 224.000,-- vermeerderd met de helft van alle na 15 januari 2016 door E* ontvangen huurpenningen te betalen aan G*.

2.6

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.4 sub a van het tussenvonnis van 22 juni 2016 worden de onderhoudskosten van de appartementen te [adres 2] gerekend vanaf januari 2004 tot heden vastgesteld op (13 jaren x 9.000,-- + 6 maanden x 750,-- =) Afl. 121.500,--. Die kosten worden toebedeeld aan E*, terwijl G* te dezen ten titel van overbedeling zal worden veroordeeld om de helft van dat bedrag, te weten Afl. 60.750,--, te betalen aan E*.

2.7

Alles resumerende leidt tot het hierna volgende dictum.

2.8

In de aard van deze procedure ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

3.1

bepaalt dat E* en Yarco het onroerend goed te [adres 1] gedurende negen maanden gerekend vanaf de uitspraak van dit vonnis onderhands mogen verkopen met behulp en inschakeling van makelaardij Coldwell;

3.2

bepaalt de bodemprijs waarvoor het onder 3.1 vermelde onroerend goed verkocht moet worden zo die prijs wordt geboden op Afl. 431.370,63;

3.3

bepaalt dat E* en Yarco ieder voor zich bevoegd zijn om het onder 3.1 vermelde onroerend goed in het openbaar te laten verkopen (veilen) indien dat onroerend goed niet onderhands is verkocht binnen negen maanden na de uitspraak van dit vonnis;

3.4

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst van het onder 3.1 vermelde onroerend goed bij helfte moet worden verdeeld tussen E* en Yarco;

3.5

bepaalt dat E* en G* het onroerend goed te [adres 2] gedurende negen maanden gerekend vanaf de uitspraak van dit vonnis onderhands mogen verkopen met behulp en inschakeling van makelaardij Coldwell;

3.6

bepaalt de bodemprijs waarvoor het onder 3.5 vermelde onroerend goed verkocht moet worden zo die prijs wordt geboden op Afl. 591.360,--;

3.7

bepaalt dat E* en G* ieder voor zich bevoegd zijn om het onder 3.5 vermelde onroerend goed in het openbaar te laten verkopen (veilen) indien dat onroerend goed niet onderhands is verkocht binnen negen maanden na de uitspraak van dit vonnis;

3.8

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst van het onder 3.5 vermelde onroerend goed bij helfte moet worden verdeeld tussen E* en G*;

3.9

deelt toe aan E* de door haar vanaf januari 2004 tot 15 januari 2016 ontvangen huurpenningen in totaal ad Afl. 448.000,-- uit hoofde van de verhuur van de bij partijen genoegzaam bekende appartementen te [adres 2], te vermeerderen met alle na 15 januari 2016 door E* ontvangen huurpenningen uit hoofde van verhuur van die appartementen;

3.10

veroordeelt E* om ten titel van overbedeling ter zake van de onder 3.9 vermelde toebedeling te betalen aan G* Afl. 224.000,--, te vermeerderen met de helft van alle na 15 januari 2016 door E*ontvangen huurpenningen uit hoofde van verhuur van voormelde appartementen;

3.11

deelt toe aan E* het onder 2.6 vermelde bedrag ad Afl. 121.500,-- aan onderhoudskosten;

3.12

veroordeelt G* om ten titel van overbedeling ter zake van de hiervoor onder 3.11 vermelde toebedeling te betalen aan E* Afl. 60.750,--;

3.13

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.14

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.