Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:46

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
LAR nr. 1719 van 2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuur - Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR) - ne bis in idem

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 januari 2017

LAR nr. 1719 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

DE STICHTING MIDDELBAAR ONDERWIJS ARUBA (SMOA),

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN ONDERWIJS, GEZINSBELEID EN VOLWASSENEDUCATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 22 oktober 2013 heeft appellante verweerder verzocht om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van de uitzending van een docent Nederlands van Colegio Arubano gedurende de periode van 3 januari 2013 tot 1 maart 2013.

Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft verweerder dat verzoek afgewezen.

Bij brief van 25 november 2014 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 14 maart 2016 heeft het gerecht het tegen het uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven vernietigd en bepaald dat verweerder binnen twee maanden op het gemaakte bezwaar beschikt.

Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft verweerder het gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

Op 18 juli 2016 heeft appellante daartegen beroep ingesteld.

Op 3 oktober 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar appellante, vertegenwoordigd door haar bureauchef G. Kelly, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, en verweerder, vertegenwoordigd door de gemachtigde voornoemd, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft verweerder de afwijzing van 14 oktober 2014 in bezwaar gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat appellante voorafgaand aan de uitzending geen verzoek om uitzending heeft gedaan en aldus de aanvraagprocedure voor verkrijging van bekostiging voor uitgezonden docenten niet heeft gevolgd, waarbij onder meer een controle van de onderliggende stukken plaatsvindt en betrokkenen medisch gekeurd en politieel doorgelicht worden. Voorts is de desbetreffende uitzending, voor de duur van twee maanden, in strijd met het gevoerde uitzendbeleid, zoals neergelegd in de “Regeling inzake uit- en terugzendingsvoorzieningen t.b.v. uit Nederland uitgezonden of gedetacheerde leerkrachten geldig m.i.v. het schooljaar 2001/2002”, dat slechts voorziet in uitzendingen voor de duur van minimaal drie jaren, aldus die beschikking.

2.2

Verweerder betoogt in het verweerschrift dat hij het tegen de brief van 14 oktober 2014 gemaakte bezwaar ten onrechte niet niet ontvankelijk heeft verklaard, nu die brief geen beschikking behelst. Die brief is niet gericht op enig rechtsgevolg, omdat daarin slechts informatie wordt verstrekt, aldus verweerder.

2.2.1

Dit betoog faalt. Bij zijn uitspraak van 14 maart 2016 heeft het gerecht, onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 29 november 2004, ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3982, geoordeeld dat de brief van 14 oktober 2014 een beschikking behelst, waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het gerecht ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat in de brief van 14 oktober 2014 is vermeld dat deze is gegeven op het tweede verzoek van appellante om bekostiging van de uitzendkosten van de desbetreffende docent Nederlands, dat appellante niet heeft gehandeld in overeenstemming met de te volgen procedure en dat de uitzending van die docent niet in overeenstemming met de uitzendregeling is, en dat dat verzoek om die reden nogmaals wordt afgewezen. Gelet op deze bewoordingen is deze brief, waarbij een verzoek wordt afgewezen, op enig rechtsgevolg gericht en is deze niet slechts van informatieve aard.

2.3

Verweerder betoogt verder in het verweerschrift dat het verzoek van 22 oktober 2013 reeds voor afwijzing in aanmerking komt, omdat appellante daarbij heeft verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbare afwijzing en daarbij geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft gesteld.

2.3.1

Dit betoog, dat ziet op een door het gerecht ambtshalve te beoordelen kwestie, slaagt. Bij zijn uitspraak van 14 maart 2016 heeft het gerecht overwogen dat het verzoek van 22 oktober 2013 een verzoek is om terug te komen van een in rechte onaantastbare beschikking. Daarbij heeft het gerecht in aanmerking genomen dat appellante eerder, bij brief van 14 juni 2013, verweerder heeft verzocht om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van de uitzending van de desbetreffende docent Nederland en dat verweerder dat verzoek bij beschikking van 24 juli 2013 heeft afgewezen. Tegen die afwijzing heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar is geworden, aldus het gerecht in die uitspraak. Het gerecht ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.

2.3.2

Volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer uitspraken van 29 november 2004; ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3982 en van 14 december 2012; ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7677) kan niet worden aanvaard dat langs de weg van het indienen van een verzoek om van een in rechte onaantastbare beschikking terug te komen, het verkrijgen van een beschikking daarop, het indienen van een bezwaarschrift daartegen en het verkrijgen van een beschikking daarop, kan worden bereikt dat de rechter de beschikking op dat bezwaarschrift beoordeelt als was het beroep gericht tegen de oorspronkelijke beschikking. Hiertegen verzet zich het wettelijk voorschrift dat de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen aan een termijn bindt. De rechtszekerheid vereist dat een besluit na het verstrijken van een redelijke bezwaar- of beroepstermijn of na uitputting van alle rechtsmiddelen definitief wordt.

Slechts indien en voor zover aan het verzoek dat tot het geven van die beschikking aanleiding heeft gegeven, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen die beschikking, de motivering ervan en de wijze waarop zij tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst, als betrof het de eerste beschikking.

Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in evenbedoelde zin zijn feiten of omstandigheden die na de eerdere beschikking zijn opgekomen of niet vóór deze beschikking konden worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het geven van de eerdere beschikking konden worden geproduceerd.

2.3.3

In het in beroep aangevoerde kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat verweerder in het verzoek van 22 oktober 2013 ten onrechte geen grond heeft gezien om terug te komen van de in rechte onaantastbare afwijzing van het verzoek van 14 juni 2013. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante aan het verzoek van 22 oktober 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin ten grondslag heeft gelegd.

2.4

Het beroep is ongegrond.

2.5

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).