Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:458

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
A.R. nr. 178 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Geldvordering. Incasso. Volmacht niet toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 14 juni 2017

Behorend bij A.R. nr. 178 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap,

ARUBA BANK N.V.

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: Aruba Bank,

gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,

tegen:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [Gedaagde],

procederende in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 18 januari 2017 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de op 15 februari 2017 door Aruba Bank genomen akte uitlating producties.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen, behoudens ten aanzien van het volgende. Rechtsoverweging 2.5 van het tussenvonnis van 23 maart 2016 komt in zijn geheel te vervallen, omdat ter comparitie is gebleken dat Aruba Bank vergissingen heeft gemaakt die met zich brengen dat niet vast behoort te staan dat [Gedaagde] uit hoofde van een tussen partijen op 2 november 2010 gesloten overeenkomst van geldlening in hoofdsom Afl. 26.706,94 verschuldigd is aan Aruba Bank.

2.2

Gebleken is dat het in het vorige vonnis als conclusie van dupliek aangemerkte processtuk niet is ondertekend door de meerderjarige [Gedaagde], maar voor of namens hem door zijn moeder [moeder]. [Gedaagde] heeft echter geen schriftelijke volmacht overgelegd waaruit blijkt dat die [moeder] voor of namens hem stukken mag ondertekenen en (in)dienen in deze procedure. Meer in het bijzonder wordt te dien aanzien overwogen dat de op 23 januari 2016 door [Gedaagde] aan zijn moeder gegeven machtiging naar het oordeel van het Gerecht niet toereikend is om voor of namens [Gedaagde] in deze rechtszaak op te treden. Bedoeld stuk moet daarom buiten beschouwing blijven.

2.3

Vorenstaande brengt met zich dat [Gedaagde] de door Aruba Bank in haar conclusie van repliek gewijzigde vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stellingen niet heeft bestreden. Die vorderingen - die overigens onrechtmatig noch ongegrond voorkomen - zullen daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.

2.4

Vast is komen te staan dat Aruba Bank in het onderhavige dossier meer buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht dat die waarin artikel 63a Rv voorziet. Ingevolge deel III van het liquidatietarief is [Gedaagde] te dezen een forfaitaire vergoeding van Afl. 1.875,-- verschuldigd aan Aruba Bank (1,5 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 1.250,-- per punt). [Gedaagde] zal ook tot betaling aan Aruba Bank van dat bedrag worden veroordeeld.

2.5 [

Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure waaronder begrepen die van het bij partijen genoegzaam bekende ten laste van [Gedaagde] gelegde beslag. Nu de comparitie van partijen na antwoord door toedoen van Aruba Bank zinloos is gebleken, wordt er te dien aanzien niets geliquideerd. Tot aan deze procedure worden de proceskosten van Aruba Bank begroot op (750,-- + 225,80 + 264,10 + 198,25 + 187,90 =) Afl. 1.626,05 aan verschotten (te weten griffiegeld, oproep- en beslagbetekeningskosten) en

Afl. 4.375,-- aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 1.250,-- per punt).

2.6

Overigens heeft nog te gelden dat de buiten beschouwing gelaten conclusie van dupliek - zo die wel zou zijn toegelaten tot de onderhavige procedure - niet heeft te gelden als duidelijk en helder, als gevolg waarvan [Gedaagde] de hiervoor onder 2.3 vermelde vorderingen en stellingen onvoldoende helder heeft bestreden hetgeen met zich zou brengen dat die vorderingen eveneens zouden worden toegewezen.

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt [Gedaagde] om aan Aruba Bank ter zake van “personal loan” te betalen

Afl. 21.049,76, te vermeerderen met 18% aan overeengekomen jaarlijkse rente gerekend vanaf 21 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt [Gedaagde] om aan Aruba Bank ter zake van zijn “current account” te betalen

Afl. 2.635,80, te vermeerderen met 18% aan overeengekomen jaarlijkse rente gerekend vanaf 21 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt [Gedaagde] om aan Aruba Bank ter zake van zijn “credit card” te betalen

Afl. 4.499,79, te vermeerderen met 18% aan overeengekomen jaarlijkse rente gerekend vanaf 21 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt [Gedaagde] om aan Aruba Bank te betalen Afl. 1.875,-- aan vergoeding voor kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte;

-veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Aruba Bank, tot aan deze uitspraak begroot op begroot op Afl. 1.626,05 aan verschotten en Afl. 4.375,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.