Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:37

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
EJ nr. 2747 van 2015 (1)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ. Artikel 1:401 BW. Wijziging alimentatiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 17 januari 2017

behorend bij EJ nr. 2747 van 2015 (1)

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

[Verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M.R.F. Scheper,

en

[Verweerster],

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna te noemen de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza.

1 DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 2 december 2015;

  • -

    het verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, ingediend op 25 februari 2016;

  • -

    de zijdens de vrouw op 23 februari 2016 en 15 maart 2016 overgelegde stukken;

  • -

    de zijdens de man op 26 januari 2016, 29 februari 2016 en 15 maart 2016 overgelegde stukken;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 1 maart 2016, waaruit blijkt dat zijn verschenen partijen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd.

De uitspraak is vervolgens nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Partijen zijn op [datum] 1999 met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de inmiddels meerderjarige [inmiddels meerderjarige ], geboren op [geboortedatum] 1997, en de thans nog minderjarige [minderjarige], geboren op 12 december 2001.

2.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van dit gerecht van 11 oktober 2010 (EJ-501 en 502 van 2010), is bepaald dat de man met Afl. 1.000,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Tevens is bepaald dat hij aan partneralimentatie een bedrag van Afl. 1.500,- per maand aan de vrouw dient te voldoen.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 11 oktober 2010 in die zin dat het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie zal worden verlaagd tot “een minimum bedrag” en de partneralimentatie wordt bepaald op nihil. Aan zijn verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat hij niet meer kan voldoen aan deze betalingsverplichtingen, en dat de vrouw al jaren samenwoont met haar vriend, met wie zij al gedurende het huwelijk met de man een liefdesrelatie had. Ter onderbouwing van zijn stelling inzake zijn draagkracht heeft de man – samengevat – aangevoerd dat hij ten tijde van de echtscheiding van partijen een netto-inkomen had van Afl. 8.950,-, zijnde Afl. 7.000,- wegens verhuur van een restaurant en Afl. 1.950,- aan loon uit dienstbetrekking, maar dat hij thans slechts Afl. 5.000,- aan maandinkomen heeft, omdat hij geen inkomen uit dienstbetrekking meer heeft en de huurprijs van het restaurant sinds november 2015 Afl. 5.000,- bedraagt.

3.2

De vrouw heeft verweer gevoerd en betwist dat de man onvoldoende draagkracht heeft. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de man werkzaam is bij het watersportbedrijf van zijn zus en dus wel degelijk inkomen uit dienstbetrekking heeft. Zij ontkent voorts dat zij met een ander samenwoont.

3.3

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge die bepaling kan – voor zover hier van belang – een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Er is wijziging van omstandigheden in de zin van art. 401 wanneer het gaat om een ten tijde van de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht nog toekomstige omstandigheid waarmee in die uitspraak nog geen rekening is gehouden. Het moet gaan om een relevante wijziging van omstandigheden die zich nadien, dat wil zeggen na de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, heeft voorgedaan.

3.4

In dit geval heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf november 2015 het hem toebehorende restaurant voor het lagere bedrag van Afl. 5.000,- verhuurt. Hij heeft echter niet, althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat hij geen inkomen uit dienstbetrekking meer heeft. Het gerecht gaat er daarom van uit dat het netto-inkomen van de man vanaf november 2015 met Afl. 2.000,- per maand is verminderd. Deze vermindering van het maandinkomen van ruim 22% levert een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW op.

3.6

Het gerecht stelt dan ook vast dat de alimentatiebeschikking van 11 oktober 2010 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De aard van de alimentatiebeschikking op de voet van art. 1:401 lid 1 brengt mee dat de rechter, wanneer hij heeft vastgesteld dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, geheel vrij is om met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing bestaande relevante omstandigheden en zonder door de aldus achterhaalde uitspraak in zijn vrijheid te worden beperkt, die uitspraak te wijzigen dan wel in te trekken (vgl. HR d.d. 4 februari 2000; ECLI:NL:HR:2000:AA4724).

3.7

Het gerecht zal gelet hierop zowel een nieuwe kinder- als partneralimentatie vaststellen.

Kinderalimentatie

3.8

Bepalend voor de hoogte van de kinderalimentatie zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, alsmede die van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige, en de draagkracht van zowel de vrouw als de man. Teneinde ieders draagkracht te bepalen, dienen over en weer de netto-inkomens te worden vastgesteld, alsmede de vaste lasten die in redelijkheid voorrang krijgen boven het betalen van kinderalimentatie.

Kosten van verzorging en opvoeding

3.8.1

Bij het vaststellen van de kosten van verzorging en opvoeding hanteert het gerecht als richtsnoer voor kinderen van 12 jaar en ouder een bedrag van Afl. 650,- per maand. In dit bedrag zitten begrepen de noodzakelijke schoolkosten en de kosten aan kleding, recreatie en persoonlijke verzorging. Dit bedrag kan worden verhoogd indien blijkt van bijzondere uitgaven ten behoeve van het kind die niet zijn begrepen in bovengenoemd bedrag. In dit geval is wel gebleken van dergelijke uitgaven, namelijk de maandelijkse kosten van Afl. 200,- voor de beugel van [minderjarige] zodat het gerecht de kosten van [minderjarige] zal bepalen op Afl. 850,- per maand.

Kosten van levensonderhoud en studie

3.8.2

Wat betreft de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [minderjarige sub 1], overweegt het gerecht als volgt. De maandelijkse kosten van de in [land] studerende [minderjarige sub1], bedragen volgens de door de vrouw (in haar akte van 15 maart 2016) overgelegde overzicht, € 1.190,-. De man heeft deze kosten niet betwist.

3.8.3

Ter zitting is aan de orde geweest de vraag of [inmiddels meerderjarige ] behoeftig is, nu hij sinds december 2015 via DUO studiefinanciering (ad ruim € 1.000,- per maand) ontvangt.

De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak (d.d. 30 november 2016, LJN ECLI:NL:HR:2016:2234) ten aanzien van de behoefte van jongmeerderjarige kinderen geoordeeld, dat op grond van art. 1:392 lid 2 BW in verbinding met art. 1:395a BW de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol speelt bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van de ouders. Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien, bijvoorbeeld door te werken.

Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat bedoelde studiefinanciering in redelijkheid niet in mindering kan worden gebracht op de behoefte van de jongmeerderjarige.

3.8.4

De kosten van [inmiddels meerderjarige ] worden dan ook bepaald op gemiddeld Afl. 2.000,- per maand.

Draagkracht vrouw

3.8.5

De vrouw heeft geen (vast) inkomen. Dat zij uit de verkoop van eten een vast maandelijks inkomen genereert, is onvoldoende gebleken.

Draagkracht man

3.8.6

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, gaat het gerecht ervan uit dat de man een netto maandinkomen heeft van Afl. 6.950,-.

3.8.7

Wat de lasten betreft houdt het gerecht rekening met een forfaitair bedrag van Afl. 1.400,- voor het eigen levensonderhoud. In dit bedrag zitten onder andere begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoon/internet/t.v.-aansluiting en van autogebruik, waaronder benzine, zodat met opgevoerde daadwerkelijke kosten van deze lasten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening moet worden gehouden. Het gerecht zal tevens rekening houden met een bedrag van Afl. 1.000,- aan woonlasten (zoals onderhoud aan het gebouw te [perceel], grondbelasting, erfpachtcanon en verzekeringspremies) en een bedrag van Afl. 1.000,- aan de aflossing van een lening bij de zus van de man. Met de door de man opgevoerde kostenpost “[…]” zal het gerecht geen rekening houden omdat deze post verder niet is onderbouwd.

3.8.8

De man houdt maandelijks over een bedrag van (6.950 – 3.400 =) Afl. 3.550,-.

Alimentatiebijdrage

3.9

Gelet op de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen enerzijds en de draagkracht van de ouders anderzijds, is het gerecht van oordeel dat de man in staat moet worden geacht om met een bedrag van Afl. 850,- per maand bij te dragen ten behoeve van de minderjarige en met een bedrag van Afl. 1.000,- ten behoeve van de jongmeerderjarige. Het gerecht zal verder bepalen dat deze bijdrage in zal gaan vanaf de eerste van de maand na de datum van de eerste behandeling van deze zaak, derhalve met ingang van 1 april 2016. Nu een bijdrage als de onderhavige van maand tot maand pleegt te worden verbruikt en gelet op de datum van deze uitspraak, zal het gerecht bepalen dat voor zover de man vóór bedoelde datum meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt gelijkgesteld aan hetgeen door hem meer is betaald of op hem is verhaald.

Partneralimentatie

3.10

Ingevolge artikel 1:157 BW kan de rechter aan de ene echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft en zich die in redelijkheid niet kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Behalve met behoefte en draagkracht kan de rechter rekening houden met niet-financiële factoren.

3.10.1

Het gerecht begrijpt dat de man met zijn betoog dat de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner en dat daarom niet meer van hem kan worden gevergd dat hij haar partneralimentatie betaalt, zijn verzoek heeft beoogd te baseren op artikel 1:160 BW. Ingevolge deze bepaling eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze is gaan samenleven met een ander, als waren zij gehuwd.

3.10.2

Indien na weging van alle daarvoor in aanmerking komende omstandigheden aangenomen wordt dat sprake is van een samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW, is het door de wet bedoelde gevolg daarvan dat van rechtswege een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de gewezen echtgenoot van de onderhoudsgerechtigde (zie HR 17 december 1999, LJN ECLI:NL:HR:1999:AA3884).

3.10.3

Voor de vaststelling dat twee personen hebben samengeleefd als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, is vereist dat de twee personen elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (zie ook: HR 25 november 1994, NJ1995, 299 en HR 17 december 1999, LJN ECLI:NL:HR:1999:AA3884). Hiervan kan slechts sprake zijn, indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (HR 14 januari 1994, NJ 1994, 333).

3.10.4

Uit de door de vrouw overgelegde stukken, onder andere de verklaring van […] van 18 februari 2016, en het verhandelde ter zitting, is gebleken dat de vrouw op enig moment nadat zij van de man is gescheiden, maar in ieder geval vanaf augustus 2012, samen met de kinderen van partijen en haar oudste zoon bij die […] is ingetrokken in zijn woning te [perceel nummer]. Voorts is gebleken dat haar bijdrage in de gemeenschappelijke huishouding Afl. 800,- bedraagt, en dat die […] haar gedurende de jaren financieel heeft onderhouden en haar (financieel en emotioneel) heeft bijgestaan in de verzorging en opvoeding van haar kinderen.

3.10.5

Gelet hierop dient te worden aangenomen dat de vrouw in ieder geval vanaf augustus 2012 met een andere man is gaan samenleven, als bedoeld in artikel 1:160 BW. Dit betekent dat de verplichting van de man om de vrouw uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen vanaf dat moment van rechtswege is geëindigd. Het gerecht zal dit vaststellen. Voor een wijziging van de alimentatiebeschikking, zoals door de man verzocht, is gelet hierop geen grond.

4 DE BESLISSING

Het gerecht:

wijzigt de beschikking van dit gerecht van 11 oktober 2010 (EJ nrs. 501 en 502 van 2010) in dier voege:

- dat de bijdrage van de man [verzoeker] in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteland], met ingang van 1 april 2016 wordt bepaald op Afl. 850,-,

- dat de bijdrage van de man [verzoeker] in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [inmiddels meerderjarige ], geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats, met ingang van 1 april 2016 en tot 8 juni 2018 wordt bepaald op Afl. 1.000,-,

bepaalt dat voor zover de man vóór 1 april 2016 meer heeft betaald of op hem is verhaald, de onderhoudsbijdrage tot heden wordt gelijkgesteld aan hetgeen door hem meer is betaald of op hem is verhaald,

stelt vast dat de verplichting van de man om uit hoofde van echtscheiding aan de vrouw levensonderhoud te verschaffen is geëindigd met ingang van 1 augustus 2012,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het anders of meer verzochte.

Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 17 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.