Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:223

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
85 van 2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Strafzaak – Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van vervoer en aanwezig hebben van ruim 26.762,6 gram cocaïne, nu uit alle omstandigheden van de reis en het verblijf in onderling samenhang beschouwd, blijkt van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.O.R.’G. Faarup.

De officier van justitie, mr. E.D. Schwengle, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit (indien tezamen en in vereniging met anderen bewezen wordt verklaard) primair te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, subsidiair (indien slechts tezamen en in vereniging met een ander bewezen wordt verklaard) verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

Dat hij op 1 november 2016 in Aruba, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk een hoeveelheid (ruwe) cocaïne (van ongeveer 26.762,6 gram, althans 10.377,6 gram), zijnde (ruwe) cocaïne een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen, althans enig zout van cocaïne en/of enige bereiding van (ruwe) cocaïne en/of haar zouten als vorenbedoeld, heeft uitgevoerd en/of heeft verstrekt en/of heeft vervoerd en/of in bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad;

(artikel 3 lid 1 van de Landsverordening verdovende middelen juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Dat hij op 1 november 2016 in Aruba, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk een hoeveelheid (ruwe) cocaïne (van ongeveer 26.762,6 gram, althans 10.377,6 gram), zijnde (ruwe) cocaïne een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen, althans enig zout van cocaïne en/of enige bereiding van (ruwe) cocaïne en/of haar zouten als vorenbedoeld, heeft uitgevoerd en/of heeft verstrekt en/of heeft vervoerd en/of in bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

Medeplegen

Verdachte erkent dat hij verdovende middelen vanuit [reisroute 1] moest smokkelen. De verdediging heeft echter aangevoerd dat, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, de verdachte het aan hem tenlastegelegde feit alleen heeft gepleegd en niet tezamen en in vereniging met anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake, waardoor verdachte slechts voor de hoeveelheid verdovende middelen die zijn aangetroffen in de koffers die op zijn naam stonden, veroordeeld kan worden en niet tevens voor de totale hoeveelheid verdovende middelen toebehorende aan de overige medeverdachten. Het gerecht overweegt als volgt.

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht; ook een andere rol kan leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal van de sectie douane recherche en informatie, de verklaringen van de verdachte, de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2], alsmede de chatgesprekken tussen de medeverdachte [naam medeverdachte 3] en ene [naam1], blijkt het volgende.

Verdachte is in [land 2] door een tussenpersoon benaderd met de vraag of hij cocaïne vanuit [reisroute 1] wilde smokkelen. Verdachte werd gevraagd om een persoon te vinden die met hem mee kon reizen. De reistickets voor beide personen zouden dan verzorgd worden. Verdachte stemde toe en is enkele dagen voor zijn vertrek naar Aruba, naar Londen afgereisd. In Londen heeft verdachte zijn broertje, dat vanuit [land 3] kwam, bij de luchthaven opgehaald. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte op 18 oktober 2016 met dezelfde vlucht als die van de medeverdachten vanuit [reisroute 2] is gevlogen. De tickets van de medeverdachten waren in opdracht van een ander, door [naam medeverdachte 1] gekocht. Zij verbleven allen in hetzelfde appartementencomplex en werden allemaal gedurende hun verblijf verzorgd door ene [naam 2], die geregeld eten en geld voor hen kwam brengen en hun meenam om boodschappen te doen en voor die boodschappen betaalde. Uit foto’s die zich in het dossier bevinden, blijkt dat de medeverdachten elkaar ook kenden en met elkaar optrokken. Op 30 oktober 2016 vond er gesprek plaats met [naam 2], waarbij alle medeverdachten aanwezig waren met uitzondering van het broertje van verdachte. Tijdens dat gesprek werd verdachten medegedeeld dat zij enkele koffers met verdovende middelen naar Londen moesten brengen als betaling van de onkosten die waren gemaakt voor hun vliegtickets en verblijf. Verdachte heeft op verzoek van [naam 2] een foto van de paspoorten van alle medeverdachten gemaakt, met uitzondering van die van [naam medeverdachte 3], en die naar [naam 2] opgestuurd. Verdachten zijn vervolgens op 1 november 2016 voor dezelfde vlucht met bestemming Londen ingecheckt. Zij stonden als groep geregistreerd en beschikten allen over hetzelfde witte laserprinter papier met daarin hetzelfde geldbedrag, zijnde US$ 34,25 voor een enkel persoon en US$ 68,50 voor 2 personen. Bij controle door de douane zijn in de koffers van zowel verdachte, als de medeverdachten [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] drugs aangetroffen.

Gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is het gerecht van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen de verdachte en zijn mededaders sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking gericht op de totstandkoming van het delict, dat de verdachte als medepleger van het strafbare feit kan worden aangemerkt.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Landsverordening verdovende middelen,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het vervoer en het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, bedoelt om van [reisroute 1] te vervoeren. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Met betrekking tot de hoeveelheid cocaïne overweegt het gerecht dat dit een aanzienlijke hoeveelheid betreft, welke hoeveelheid van dien aard was dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Met de handel in verdovende middelen wordt veel geld verdiend. Kennelijk heeft verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Bovendien heeft verdachte door zijn strafbare gedragingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten nadele van verdachte geldt dat hij reeds eerder in het buitenland met politie en/of justitie in aanraking is geweest voor een soortgelijk feit en dat dat hem niet ervan heeft weerhouden zich wederom hieraan schuldig te maken.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij openheid van zaken heeft gegeven.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur. Deze straf is gebaseerd op hetgeen het gerecht pleegt op te leggen bij deze hoeveelheden verdovende middelen en wijkt daarmee enigszins af van de eis van de officier van justitie.

9 Inbeslaggenomen voorwerpen

A. Onttrekking aan het verkeer

Ten aanzien van de in beslaggenomen verdovende middelen zal onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken, omdat het tenlastegelegde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

B. Verbeurdverklaring

De in beslag genomen koffer, waarvan ter terechtzitting is gebleken dat die aan verdachte toebehoort en dat met betrekking daartoe het strafbare feit is begaan, alsmede het inbeslaggenomen geldbedrag, zullen verbeurd worden verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:62, 1:67, 1:68, 1:74, 1:75 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van viereneenhalf (4½) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

onttrekt aan het verkeer de in rubriek 9A genoemde voorwerpen;

verklaart verbeurd de in rubriek 9B genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 16 maart 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.