Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:213

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
EJ nr. 2871 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

civiel-ej-omgang en gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 28 maart 2017

Zaaknummer EJ nr. 2871 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[X] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKSTER, hierna: de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M Malmberg,

tegen

[Y] ,

wonende in Aruba,

VERWEERDER, hierna: de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.

Belanghebbenden:

[Z], de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 24 mei 2016, waarbij vervangende toestemming aan de moeder is verleend om met de minderjarige naar het buitenland te reizen en waarbij de Voogdijraad is verzocht om met betrekking tot het verzoek om de gezagswijziging en de bepaling van een omgangsregeling, onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover rapport uit te brengen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het rapport van de Voogdijraad van 16 december 2016,

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 14 februari 2017, waaruit blijkt dat de moeder bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en de vader bij zijn gemachtigde voornoemd zijn verschenen. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mevrouw A. Flanders, mevrouw G. Hoogvliets en mevrouw J. Pietersz-Dijkhoff.

Hierna is de uitspraak bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Aan de orde is het verzoek van de moeder om haar voortaan alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige te belasten en om de omgangsregeling te wijzigen in die zin dat de omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking d.d. 23 oktober 2012 (EJ-2127/2011) komt te vervallen.

Gezag

2.2

Zoals het gerecht reeds in haar tussenbeschikking van 19 januari 2016 heeft overwogen, kan de rechter, ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA), op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de desbetreffende beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het moet hierbij gaan om een zodanige verandering van de situatie, dat het niet langer in het belang van het kind is de bestaande gezagsuitoefening te handhaven. Alsdan bepaalt de rechter, aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Beslissend zal zijn wiens gezag over het kind de rechter het meeste in het belang van het kind oordeelt.

Het gerecht overweegt dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat een van de ouders met het gezag wordt belast, zoals met name indien de (communicatie)problemen tussen de ouders zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. (HR 18 maart 2005, LJN AS8525; vgl. HR 10 september 1999, NJ 2000, 20).

2.3

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Een en ander vereist een minimaal vermogen tot positieve communicatie tussen de ouders.

2.4

Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om degelijk met elkaar te communiceren. Indien er communicatie tussen de ouders plaatsvindt, ontstaat er ruzie. De minderjarige wordt als tussenpersoon gebruikt en hier heeft zij last van, aldus de Voogdijraad. Verder staat in het rapport dat de ouders niet op één lijn zitten wat de opvoeding van de minderjarige betreft, dat de vader persoonlijke problemen heeft die hem belemmeren oog te hebben voor de behoeften van de minderjarige, dat de relatie tussen de vader en de minderjarige verstoord is, dat de vader de minderjarige verbaal op ongepaste wijze bejegent, dat de vader de minderjarige in de problemen tussen hem en de moeder betrekt en dat de vader iedereen behalve zichzelf verantwoordelijk stelt voor de problemen. In de praktijk is de moeder degene die alles voor de minderjarige regelt. De Voogdijraad concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige klem dreigt te raken indien de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen en adviseert derhalve om de moeder eenhoofdig met het ouderlijk gezag te belasten.

2.5

Ter zitting heeft de moeder zich met dit advies verenigd. De vader is het er niet mee eens. De vader stelt zich op het standpunt dat er te makkelijk wordt omgegaan met zijn belangen. Volgens de vader was er vóór maart 2016 wel sprake van communicatie tussen de ouders. Verder heeft de vader aangevoerd dat hij veel met de minderjarige onderneemt, dat zij een goede band met elkaar hebben en dat de minderjarige zelfs op “facebook” geplaatst heeft dat haar vader een held is. Tot slot heeft vader aangegeven, samen met de moeder, een communicatietraject te willen volgen.

2.6

Het gerecht overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen al geruime tijd niet in staat zijn om degelijk met elkaar te communiceren omtrent aangelegenheden die de minderjarige aangaan.

Het gerecht is dan ook van oordeel dat er voldoende gronden aanwezig zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het gerecht acht de (communicatie-) problemen tussen de vader en de moeder zodanig ernstig dat het gevaar bestaat dat bij handhaving van het gezamenlijk gezag de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de vader en de moeder. Gelet op het voorgaande acht het gerecht het in het belang van de minderjarige wenselijk dat het gezag over haar wordt gewijzigd, in die zin dat de moeder voortaan het gezag over de minderjarige alleen uitoefent.

Omgang

2.7

Voorts ligt ter beoordeling voor de vraag of de omgang, zoals vastgesteld bij beschikking van 23 oktober 2012 gewijzigd dient te worden, in die zin dat er geen omgang zal zijn tussen de vader en de minderjarige. Uitgangspunt is dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Ingevolge artikel 1:377 a lid 3 BWA ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien er één of meer van de limitatieve afwijzingsgronden van bovengenoemd artikel zich voordoen.

2.8

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van een verstoorde relatie van de vader met de minderjarige. In het rapport van de Voogdijraad, onder het kopje “visie vader”, staat dat de vader op zijn eigen manier beschikbaar wil zijn als verzorger van de minderjarige en niet openstaat voor wat de minderjarige zelf wil. Dit brengt mee dat er conflicten ontstaan en dat alles stagneert en uit de hand loopt. Verder staat in het rapport dat er geen continuïteit is bij de vader, dat de minderjarige niet langer bij hem wenst te overnachten, dat de vader respectloos is naar de minderjarige toe, dat hij op een ongepaste wijze met de minderjarige communiceert en dat de vader vijandig en verbaal negatief is naar de minderjarige toe. Dit doet de minderjarige pijn, aldus het rapport van de Voogdijraad. Tot slot schrijft de Voogdijraad in zijn rapport dat de vader geen begrip noch empathie heeft voor de minderjarige. De vader reageert niet op de behoeften van de minderjarige maar uit zich juist negatief ten opzichte van de minderjarige.

2.9

De minderjarige heeft bij haar minderjarigenverhoor bezwaar geuit tegen een vastgelegde omgangsregeling met de vader. De minderjarige wenst niet verplicht te worden omgang met vader te hebben. Als reden hiervoor heeft de minderjarige aangegeven dat vader niet flexibel is. Ook heeft de minderjarige aangegeven niet te willen overnachten bij vader.

In het rapport van de Voogdijraad, onder het kopje “visie minderjarige”, staat het volgende. De Voogdijraad heeft van de minderjarige kunnen vernemen dat de minderjarige zelf de moeder heeft gevraagd om de raadsonderzoeker te benaderen, aangezien zij zich niet veilig voelt bij vader. De minderjarige heeft verder aan de Voogdijraad te kennen gegeven dat zij zich zorgen maakt om de depressie waar vader mee te kampen heeft, dat de vader haar niet goed behandelt, dat de vader zich negatief over de moeder uitlaat en dat de vader haar uitscheldt en beledigt. Verder heeft de minderjarige aan de Voogdijraad verteld dat de vader haar weinig ruimte geeft om voor haar mening op te komen, dat zij, wanneer zij bij vader is, zichzelf niet kan zijn. De minderjarige heeft verder aangegeven dat zij af en toe omgang met de vader wenst te hebben, dat zij naar vader toe wilt wanneer zij zich goed en veilig voelt bij vader, dat zij niet getraumatiseerd wilt blijven vanwege de omgang met vader, dat zij telefonisch contact wenst met vader en dat zij normaal wenst te communiceren met vader. De minderjarige wil niet dat een omgangsregeling vastgelegd wordt.

2.10

Ter zitting heeft de Voogdijraad aangegeven dat tijdens het onderzoek gebleken is dat zowel de communicatie als de omgang met de vader schadelijk is voor de minderjarige. De minderjarige heeft tijdens het onderzoek geprobeerd om, via whatsapp, contact te leggen met de vader, maar dat de vader daarop beledigend en sarcastisch heeft gereageerd. Tot slot heeft de Voogdijraad aangegeven dat de vader niet inziet dat de wijze waarop hij met de minderjarige omgaat schadelijk is voor de minderjarige. Volgens de Voogdijraad dient de vader eerst aan zijn persoonlijke problematiek te werken, alvorens aan de ouder-kind relatie gewerkt kan worden.

2.11

Naar het oordeel van het gerecht dient het in dit stadium onder de gegeven omstandigheden geen enkel doel om de bestaande omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige te handhaven en de minderjarige daarmee te dwingen tegen haar zin omgang te hebben met de vader. Dit zal naar verwachting uitsluitend een averechts effect hebben. Aannemelijk is dat dit bovendien grote spanningen bij de minderjarige zal veroorzaken. Een met spanning omgeven omgang met de vader, is stellig niet in het belang van de minderjarige. In dit stadium dient omgang tussen de vader en de minderjarige in strijd met zwaarwegende belangen van de minderjarige te worden geoordeeld als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 onder d BWA. Daarnaast is het gerecht van oordeel dat, nu gebleken is dat de vader kennelijk niet inziet dat zijn wijze van omgaan met de minderjarige belastend en schadelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige, de vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang (artikel 1:377a lid 3 sub b BWA). Het verzoek van de moeder om de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking d.d. 23 oktober 2012 komt te vervallen, zal worden toegewezen. Daarmee eindigt de, in bovengenoemde beschikking van dit gerecht, bepaalde omgangsregeling.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders, [X] en [Y], over de minderjarige:

[Z], geboren op [datum] 2003 in Aruba,

bepaalt dat de moeder voortaan alleen het gezag toekomt over de minderjarige;

ontzegt aan de vader het recht op omgang met de minderjarige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, ter zitting van 28 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.