Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:201

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
Aua 201700047
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) - verzoek in de zin van artikel 54 Lar - Verzoeker heeft niet binnen de termijn, die thans reeds is verstreken, van de mogelijkheid gebruik gemaakt om beroep in te stellen tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar. Daarbij komt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 20 maart 2017

Aua 201700047

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

wonend in Aruba,

VERZOEKER,

procederend in persoon,

gericht tegen:

de minister van Toerisme, Transport en Arbeid,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 21 augustus 2014 heeft verweerder een verzoek van verzoeker om de ministeriële beschikking van 8 november 2012, waarbij aan hem een zogenoemde kleine autobusvergunning is verleend te wijzigen, in die zin dat de daarin vastgelegde route wordt uitgebreid.

Daartegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 2 februari 2017, bij het gerecht ingekomen op 3 februari 2017, heeft verzoeker het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2017, waar verzoeker, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a, van de Lar, voor zover thans van belang, stelt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en de daarop betrekking hebbende stukken uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift in handen van de bezwaaradviescommissie.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, brengt de bezwaaradviescommissie het bestuursorgaan binnen vier weken, nadat zij het bezwaarschrift van het bestuursorgaan heeft ontvangen, advies uit.

Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is advies binnen de in het eerste lid bedoelde termijn uit te brengen, kan de commissie deze termijn ingevolge het tweede lid eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. De commissie doet van een zodanige verlenging mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, neemt het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, bedraagt, indien het beroepschrift betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, de termijn voor het indienen van een beroepschrift acht weken en gaat deze in op de dag, waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard, indien het is ingediend, nadat de termijn is verstreken.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid kan, ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

2.2

Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat verweerder een beschikking op het gemaakte bezwaar geeft. Aan dat verzoek heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat hij een spoedeisend belang heeft bij het verkrijgen van die beschikking. Weliswaar heeft de secretaris van de bezwaaradviescommissie Lar hem bij brief van 11 maart 2016 te kennen heeft gegeven dat het door die commissie vastgestelde advies op zijn bezwaarschrift op die dag aan verweerder is aangeboden en dat verweerder binnen zes weken een beschikking dient te geven, waartoe hij verweerder bij brief van 20 oktober 2016 heeft verzocht, maar een beschikking op het bezwaar is vooralsnog uitgebleven, aldus verzoeker.

2.3

In geval van het uitblijven van een beschikking op bezwaar biedt de Lar de mogelijkheid daartegen beroep in te stellen. Deze beroepsmogelijkheid is ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Lar gebonden aan een termijn van acht weken nadat het bestuursorgaan in gebreke is geraakt tijdig op het gemaakte bezwaar te beslissen. Het bestuursorgaan dient binnen twaalf, dan wel, indien de bezwaaradviescommissie een mededeling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Lar heeft gedaan, binnen zestien weken na ontvangst van het bezwaarschrift op het daarbij gemaakte bezwaar te beschikken (vergelijk de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0634).

Verzoeker heeft niet binnen voormelde termijn, die thans reeds is verstreken, van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Indien het voorliggende verzoek zou worden toegewezen, zou verzoeker daarmee bereiken, wat hij thans wegens het verstrijken van voormelde beroepstermijn met het instellen van de daartoe geëigende rechtsmiddelen niet meer kan bereiken. Toewijzing van het verzoek zou zich dan ook niet verdragen met de systematiek van de Lar. Daarbij komt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorziening.

2.4

Gelet op het vorenoverwogene zal het verzoek worden afgewezen.

2.5

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2017, in aanwezigheid van de griffier.