Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:191

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
Aua201600522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht heeft appellante in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat zij het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden, zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Lar. In reactie daarop heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het beroepschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend en aldus van de haar geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 maart 2017

Aua201600522

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellante],

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

gericht tegen:

de Minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER.

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 14 juli 2015 heeft verweerder een verzoek van appellante om haar een slijtvergunning te verlenen afgewezen.

Daartegen heeft appellante op 3 september 2015 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 18 november 2016 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ambtshalve overweegt het gerecht als volgt.

2.2

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a, van de Lar, voor zover thans van belang, stelt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en de daarop betrekking hebbende stukken uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift in handen van de bezwaaradviescommissie.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, brengt de bezwaaradviescommissie het bestuursorgaan binnen vier weken, nadat zij het bezwaarschrift van het bestuursorgaan heeft ontvangen, advies uit.
Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is advies binnen de in het eerste lid bedoelde termijn uit te brengen, kan de commissie deze termijn ingevolge het tweede lid eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. De commissie doet van een zodanige verlenging mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, neemt het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.
Ingevolge artikel 27, tweede lid, bedraagt, indien het beroepschrift betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, de termijn voor het indienen van een beroepschrift acht weken en gaat deze in op de dag, waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.
Ingevolge artikel 28, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard, indien het is ingediend, nadat de termijn is verstreken.
Ingevolge artikel 32, aanhef en onder a, kan het gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

2.3

Het bezwaarschrift is op 3 september 2015 ingediend, zodat verweerder binnen twaalf weken na ontvangst daarvan, dat wil zeggen uiterlijk op 27 november 2015, op het daarbij gemaakte bezwaar diende te beschikken. Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Lar kon uiterlijk op 21 januari 2016 tegen het uitblijven van zodanige beschikking beroep worden ingesteld. Het beroepschrift is op 18 november 2016, derhalve buiten deze termijn, ingediend. Voor het betoog van appellante dat verweerder uiterlijk tien weken na de behandeling van het bezwaar door de bezwaaradviescommissie op 2 september 2016, dat wil zeggen op 11 november 2016, op het bezwaar diende te beschikken, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift op die dag is aangevangen, biedt de Lar geen grondslag (vergelijk de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0634).

Bij brief van 30 november 2016 heeft het gerecht appellante in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat zij het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden, zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Lar. In reactie daarop heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het beroepschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend en aldus van de haar geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.4

Gelet op het voren overwogene, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

2.5

Overigens heeft verweerder op 3 februari 2017 alsnog op het gemaakte bezwaar beschikt. Daartegen kan appellante desgewenst rechtsmiddelen aanwenden.

2.6

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 13 maart 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).