Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:184

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
A.R. 523 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Leidingschade. Voorraadadministratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 15 maart 2017

Behorend bij A.R. 523 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

de naamloze vennootschap

ELEKTRICITEITS-MAATSCHAPPIJ ARUBA N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Elmar,

gemachtigde: de advocaat mr. L.D. Gomez,

tegen:

de naamloze vennootschap

N.V. ARUBAANSE WEGENBOUW MAATSCHAPPIJ,

te Aruba,

hierna ook te noemen: AWM,

gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 mei 2016;

- de comparitie van partijen en de daarvan gemaakte aantekeningen;

- de akte uitlating na comparitie zijdens Elmar;

- de antwoordconclusie na comparitie zijdens AWM.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 8 november 2013 heeft zich ter hoogte van het kantoorgebouw van de Aruba Bank te Camacuri een incident voorgedaan waarbij ten gevolge van door AWM uitgevoerde graafwerkzaamheden de 60 Kv oliedrukkabel (verder: de kabel) van Elmar is beschadigd.

2.2

Van de ligging van de kabel waren ten tijde van de werkzaamheden tekeningen beschikbaar. Daarop staat onderstaande aangegeven. De kabel is ter plaatse aangeduid met de punt K geraakt.

2.3

Na het uitgraven van de kabel is onderstaande foto gemaakt.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Elmar vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van AWM tot betaling van Afl. 1.001,296,08, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente, met veroordeling van AWM tot vergoeding van de proceskosten (waaronder de nakosten).

3.2

Elmar grondt de vordering erop dat AWM onrechtmatig heeft gehandeld door haar kabel te beschadigen en Elmar daardoor schade heeft geleden.

3.3

AWM voert hiertegen verweer, met vordering tot veroordeling van Elmar in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

Uit het dossier en de behandeling bij gelegenheid van de comparitie van partijen blijkt dat de kabel ter plaatse ondergronds liep. AWM diende ter uitvoering van haar opgedragen werkzaamheden voor het project Lineair Park Fase 2 verkeersborden te plaatsen. Om te bepalen waar de ten behoeve van het ter plaatse op te richten verkeersbord aan te leggen poeren moesten komen, heeft AWM proefgaten gegraven. Het doel van het graven van die proefgaten was om precies te bepalen waar in de grond leidingen, waaronder de kabel, liepen.

4.2

Tijdens het graven heeft een medewerker van AWM de kabel geraakt waardoor deze beschadigde en olie ging lekken. Daardoor is de elektriciteitslevering onderbroken.

4.3

Bij de beoordeling stelt het gerecht voorop dat Aruba geen Wet informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (ook wel geheten: grondroerdersregeling) kent. Niettemin kenmerkt de onderhavige zaak zich hierdoor, dat aan AWM door Elmar gemaakte tekeningen ter beschikking stonden waarop de kabel stond ingetekend. Sterker nog, anders dan in veel leidingschadezaken lag de kabel in het horizontale vlak ook precies waar die op de kaart stond ingetekend. Dat geldt volgens AWM evenwel niet voor het verticale vlak. Anders dan op de tekening is aangegeven heeft AWM, naar zij stelt ter plaatse van het proefgat geen signaalkabel aangetroffen, niet op 0,40 meter onder het maaiveld en ook niet elders. Ook de ingetekende signaalblokken ontbraken. Die werden bij het graven van proefgaten elders in het traject wel aangetroffen. Ook zag de uitvoerder geen vulzand waar hij dat had mogen verwachten. Ten slotte lag de kabel niet op 0,55 meter onder het maaiveld, zoals op de tekening aangegeven, maar op circa 0,40 meter. Elmar ontkent voorgaande.

4.4

Uitgaande van de lezing van de gebeurtenissen zoals AWM die schetst is het gerecht van oordeel dat zij bij het graven van het proefgat niet de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daartoe is redengevend dat de uitvoerder, die er op grond van de tekening vanuit had te gaan dat de kabel zich ter plaatse in het horizontale vlak bevond, kennelijk op 0,40 meter nog geen signaalkabel was tegengekomen, noch op die hoogte of iets dieper een signaalblok. Uit de overgelegde foto’s leidt het gerecht af dat niettemin met enige kracht is doorgegraven met, zoals AWM zelf stelt, een pikhouweel. Ook als de uitvoerder, zoals AWM stelt, die pikhouweel zou hebben gebruikt om te schrapen, is de pikhouweel daarbij zodanig gehanteerd, dat het kunststof omhulsel van de kabel aan de zijkant met zoveel kracht geraakt is, dat er een gat is ontstaan waaruit zoveel olie is kunnen lekken dat korte tijd daarna een plas zichtbaar werd en Elmar een storingsmelding ontving.

4.5

Voorgaande leidt ertoe dat AWM aansprakelijk is voor de door Elmar geleden schade ten gevolge van de beschadiging van de kabel.

4.6

AWM heeft zich (mede in verband met het bovenstaande) ook nog beroepen op eigen schuld van Elmar. Dat verweer wordt verworpen. Niet betwist is dat AWM in de jaren 1980/1981 de kabel zelf in opdracht van Elmar heeft gelegd. Als de kabel dus niet diep genoeg heeft gelegen, of de tekening op dit punt niet klopt kan dat mede aan AWM zelf worden toegerekend; dat ter plaatse na het leggen van de kabel door Elmar of derden is gegraven is niet gesteld, dat de kabel is verplaatst is ook niet gemotiveerd gesteld en in de harde grond ter plaatse niet aannemelijk. Ook overigens is het gerecht van oordeel dat de fout van AWM door het niet zorgvuldig graven verhindert, dat de – veronderstelde – omstandigheid dat geen signaal kabel of signaalblokken aanwezig zouden zijn geweest meeweegt bij de vraag of sprake is van eigen schuld van Elmar.

4.7

Daarmee komt het gerecht op de hoogte van de geleden schade. In dit verband heeft AWM bij conclusie van dupliek een verzoek gedaan om Elmar op voet van artikel 141 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op te dragen om haar voorraadadministratie (ten tijde van het incident) over te leggen alsmede notulen van bestuursvergaderingen/vergaderingen van de raad van commissarissen omtrent de aanschaf en/of vervanging van de(ze) kabel.

4.8

Zoals het gerecht bij vonnis van 30 maart 2016 in het incident heeft overwogen, heeft AWM belang bij overlegging van de desbetreffende stukken in het kader van de begroting van de schade maar was dat belang op dat moment nog niet aan de orde. Nu het gerecht heeft geoordeeld dat AWM aansprakelijk is voor de schade die door Elmar is geleden verwezenlijkt zich het belang alsnog.

4.9

Het gerecht zal Elmar dan ook gelasten over te gaan tot overlegging van stukken zoals hierna in het dictum vermeld. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

gelast Elmar op voet van artikel 141 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om bij wijze van kopie bij akte in het geding te brengen de voorraadadministratie zoals die op of kort voor het incident van 8 november 2013 was gedocumenteerd (op schrift of digitaal) alsmede notulen en andere schriftelijke (en/of digitale) verslaglegging van besluiten met betrekking tot de aanschaf van de kabel of kabels die gebruikt zijn om de beschadigde kabel te vervangen (desgewenst onder doorhaling van passages die geen betrekking op de aanschaf van de desbetreffende kabels hebben);

verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 april 2017 voor akte overlegging stukken zijdens Elmar;

bepaalt dat AWM nadien een antwoordakte kan nemen om zich uit te laten over de vraag of alle benodigde stukken zijn overgelegd;

bepaalt dat AWM nadien een conclusie na tussenvonnis kan nemen met betrekking tot de hoogte van de gevorderde schade;

bepaalt dat Elmar daarna een antwoordconclusie na tussenvonnis kan nemen met betrekking tot de hoogte van de gevorderde schade;

bepaalt dat de zaak daarna voor vonnis wordt gezet tenzij partijen gezamenlijk verzoeken om een comparitie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.