Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:162

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
LAR nr. 457 van 2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de bij de bestreden beschikking op bezwaar gehandhaafde afwijzingen van appellants aanvragen om hem met toepassing van de Lvut eervol ontslag te verlenen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zich tegen toewijzing verzetten. Appellant betoogt dat verweerder niet tot een afwijzing van haar verzoek heeft mogen komen en beroept zich daartoe op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen door te wijzen op de verschillen in kwalificaties en takenpakket/functie die er zijn tussen appellant en de door hem genoemde personen. Naar het oordeel van het gerecht volstaat de verwijzing naar deze verschillen niet als een voldoende draagkrachtige weerlegging van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Nu een nadere uitleg zijdens verweerder ontbreekt, ontbeert de bestreden beschikking op dit punt een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 maart 2017

LAR nr. 457 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

wonende in Aruba,

APPELLANT,

procederend in persoon,

gericht tegen:

DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr.I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikkingen van 14 januari 2015 en 15 juli 2015 heeft verweerder afwijzend beslist op aanvragen van appellant om hem met toepassing van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding eervol ontslag te verlenen.

Tegen deze beschikkingen heeft appellant bij brieven van 8 februari 2015 onderscheidenlijk 21 augustus 2015 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 27 januari 2016 heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen deze beschikkingen ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking heeft appellant op 8 maart 2016 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 17 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is 22 augustus 2016 behandeld ter zitting, alwaar zijn verschenen appellant in persoon en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.2

Artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut) (AB 2000 no. 30) bepaalt dat gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden ambtenaren en overheidswerknemers een verzoek kunnen doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.

Artikel 7, tweede lid, bepaalt dat verweerder ieder verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding beoordeelt op de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst.

Artikel 9, eerste lid, bepaalt dat de ambtenaar die een verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding als bedoeld in deze landsverordening, wenst in te dienen, zulks doet op een voor dit doel bij iedere dienst beschikbaar aanvraagformulier. Hij draagt zorg dat het formulier volledig ingevuld en ondertekend, voor het verstrijken van de in het landsbesluit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, genoemde periode in het bezit is van de voorzitter van de Commissie.

Artikel 10, tweede lid, bepaalt dat de Commissie een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, alleen weigert, indien het ontslag naar haar oordeel de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de verzoeker werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zou hebben. Zij zendt aan de verzoeker binnen zeven kalenderdagen na de datum van de beslissing tot weigering van het verzoek een door de voorzitter van de Commissie getekend schrijven, dat een verwijzing naar artikel 9, derde lid, bevat, alsmede de grond of gronden voor de weigering.

2.3

Aan de bij de bestreden beschikking op bezwaar gehandhaafde afwijzingen van appellants aanvragen om hem met toepassing van de Lvut eervol ontslag te verlenen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zich tegen toewijzing verzetten. Verweerder heeft zich daarbij laten leiden door het advies van het hoofd van dienst van appellant.

2.4

Appellant betoogt dat verweerder niet tot een afwijzing van haar verzoek heeft mogen komen en beroept zich daartoe op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft in dat verband – kort gezegd – aangevoerd dat aan anderen binnen de dienst waar hij werkzaam is wel is toegestaan dat zij vrijwillig uit dienst treden, terwijl de redenen die aan de afwijzing van zijn aanvragen ten grondslag zijn gelegd ook voor hen gelden.

2.5

Het gerecht overweegt dat verweerder zich bij de beantwoording van de vraag of de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zich tegen toewijzing van de aanvraag om toepassing te geven aan de Lvut een groot gewicht mag toekennen aan het advies van het betrokken diensthoofd. Niettemin zal verweerder dit advies niet mogen volgen, indien blijkt dat dit advies niet is gebaseerd op een juiste toepassing van de in artikel 7, tweede lid, en artikel 10, tweede lid, van de Lvut neergelegde toetsingsmaatstaf, of indien blijkt dat die toetsingsmaatstaf niet op consistente wijze wordt gehanteerd. In dat laatste geval kan strijd met het gelijkheidsbeginsel ontstaan. Naar de mening van appellant is daarvan in het onderhavige geval sprake. Verweerder heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen door te wijzen op de verschillen in kwalificaties en takenpakket/functie die er zijn tussen appellant en de door hem genoemde personen. Naar het oordeel van het gerecht volstaat de verwijzing naar deze verschillen in het onderhavige geval niet als een voldoende draagkrachtige weerlegging van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het betoog van appellant komt namelijk op neer dat in elk geval binnen de overheidsdienst waar hij werkzaam is, geen sprake is van een consistente toepassing van de hiervoor bedoelde maatstaf en dat verzoeken om met toepassing van de Lvut eervol te worden ontslagen zijn toegewezen aan personen die niet aan het daarvoor gestelde criterium voldoen. Dat er verschillen bestaan in opleiding en functie/takenpakket tussen appellant en de door hem bedoelde personen brengt niet zonder meer mee dat de te hanteren maatstaf wel op consistente wijze is toegepast. Nu een nadere uitleg zijdens verweerder ontbreekt, ontbeert de bestreden beschikking op dit punt een deugdelijke motivering. Het beroep van appellant is derhalve gegrond. De bestreden beschikking dient wegens strijd met het motiveringsbeginsel te worden vernietigd.

2.6

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt de bestreden beschikking op bezwaar van 27 januari 2016;

 bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op de bezwaren van appellant;

 gelast de teruggave van het door appellant gestorte griffierecht van Afl. 25,--.

Deze beslissing werd gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 6 maart 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).