Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:133

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
334 van 2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak. Feit 1: Medeplegen aanwezig hebben cocaïne (ruim 5 kilo). Feit 2: Medeplegen aanwezig hebben marihuana (ruim 35 kilo). Verweer tot bewijsuitsluiting (geen machtiging tot het doen van huiszoeking/geen uitdruk-kelijke mondelinge toestemming bewoonster pand tot het doen van huiszoeking) verworpen. Bij strafoplegging rekening gehouden met verdachtes aangevoerde persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteland],

wonende in Aruba, [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2016, 16 september 2016 en 15 december 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. E.M.J. Cafarzuza.

De officier van justitie, mr. A. Erades, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar en zesentachtig dagen, waarvan een jaar voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

cocaïne en marihuana. Tevens is teruggave gevorderd aan de verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag à Afl. [bedrag] en de mobiele telefoon van het merk en model [merk] [model].

De raadsvrouw heeft het woord tot verdediging gevoerd conform de door haar overgelegde pleitnota.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

zij, op 21 november 2015 en 22 november 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 5.203 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, in bezit en aanwezig heeft gehad;

(artikel 3 Landsverordening Verdovende Middelen)

Feit 2

zij, op 21 november 2015 en 22 november 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 35.861 gram hennep, althans een hoeveelheid hennep, in ieder geval enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, in bezit en aanwezig heeft gehad;

(artikel 4 Landsverordening Verdovende Middelen)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht dat:

Feit 1

zij, op 21 november 2015 en 22 november 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 5.203 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, in bezit en aanwezig heeft gehad;

Feit 2

zij, op 21 november 2015 en 22 november 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 35.861 gram hennep, althans een hoeveelheid hennep, in ieder geval enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, in bezit en aanwezig heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

Bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte van het haar tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat opsporings-ambtenaren op 22 november 2015, zonder een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris in strafzaken, huiszoeking ter inbeslagneming hebben gedaan op het adres [adres], zijnde de woning van de verdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw betwist dat de verdachte toestemming heeft gegeven tot het binnentreden van de woning. Zij is van mening dat de resultaten van de huiszoeking - de vondst van de cocaïne en de hennep - om die reden onrechtmatig zijn verkregen. De raadsvrouw heeft derhalve bepleit dat deze resultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten, hetgeen met zich brengt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ook de verdachte heeft bij gelegenheid van haar laatste woord naar voren gebracht dat zij geen toestemming heeft gegeven tot het doen van huiszoeking in haar woning.

Het gerecht overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van informatie bekomen van de Centrale Inlichtingen Dienst uit een lopend onderzoek is het vermoeden gerezen dat een persoon (“[Z]”) in Aruba in verdovende middelen handelt en hier te lande een partij verdovende middelen zal ontvangen. Het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak is naar aanleiding van deze informatie aangevangen.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken en verrichte observaties is het vermoeden gerezen dat bewoners van de woning gelegen te [adres] cocaïne aan onder meer de medeverdachte [medeverdachte B] leveren. Uit het proces-verbaal van onderzoek op het adres [adres] (Persoonsdossier, bijlage [nummer]) komt naar voren dat opsporingsambtenaren, voorzien van een machtiging van de officier van justitie tot binnentreden in een woning, op 22 november 2015 voormelde woning hebben betreden met het doel die te bevriezen in afwachting van de komst van de rechter-commissaris voor het doen van huiszoeking. Uit het proces-verbaal van aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte C] (nader te noemen: [C]) volgt dat er bij het binnentreden in de woning een chaos ontstond, waarbij de aanwezige vrouwen - onder wie de verdachte - overstuur raakten en begonnen te huilen, terwijl ze constant vroegen naar wat er aan de hand was. [C], die ten tijde van het binnentreden in de woning aanwezig was, heeft vervolgens aan de hulpofficier van justitie meegedeeld dat zich in de badkamer van de woning verdovende middelen bevonden. Hij heeft twee […]mandjes inhoudende pakketten verdovende middelen aangewezen en verklaard voor die voorwerpen verantwoordelijk te zijn.

Uit eerder vermeld proces-verbaal van onderzoek volgt dat, onder anderen, de verdachte en [C] zijn aangehouden en dat de verdachte, na haar aanhouding, uitdrukkelijke mondelinge toestemming heeft gegeven tot het verrichten van onderzoek in haar woning. Tijdens dat onderzoek zijn in de badkamer (in drie […]mandjes) en in de slaapkamer, onder het bed (in een plastic [...]zak) en in een tas, verdovende middelen aangetroffen. Uit het proces-verbaal van wegen en testen volgt dat de pakketten in de […]mandjes en [...]zak 35.861 gram op marihuana gelijkende kruiden bevatten en de pakketten in de tas 5.203 gram op cocaïne gelijkende substantie. Voorts volgt uit het rapport van het Landslaboratorium dat de kruiden en de substantie marihuana respectievelijk cocaïne betreffen.

Het gerecht concludeert uit bovenstaande feiten en omstandigheden dat de hulpofficier van justitie bevoegd was de woning te betreden, nu hij ingevolge artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) over de desbetreffende machtiging beschikte. Voorts schrijft artikel 122 Sv onder meer voor dat, in geval van ontdekking op heterdaad en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, de officier van justitie of - indien diens optreden niet kan worden afgewacht - de hulpofficier van justitie bij dringende noodzakelijkheid bevoegd is huiszoeking ter inbeslagneming te doen, daarvoor elke plaats te betreden en de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen. Nu de medeverdachte [C] de hulpofficier van justitie heeft meegedeeld dat zich verdovende middelen in de badkamer van zijn woning bevonden en ook twee mandjes met die middelen heeft aangewezen, is er, naar het oordeel van het gerecht, sprake van ontdekking op heterdaad. Dit noopte tot een dringend optreden van de hulpofficier van justitie, te meer nu er op dat moment chaos in de woning heerste. De komst van de rechter-commissaris of de officier van justitie kon daardoor niet worden afgewacht. Zelfs indien geen toepassing van artikel 122 Sv kan worden gegeven maakt dit de huiszoeking niet onrechtmatig. De huiszoeking heeft plaatsgevonden zonder een daaraan voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Aan het verlenen van een (mondelinge) machtiging was echter geen behoefte nu de verdachte tevens bewoonster van de woning te [adres], zoals uit meer vermeld proces-verbaal van onderzoek volgt, reeds toestemming tot het doen van de huiszoeking heeft verleend. Uit het verhandelde ter terechtzitting, noch anderszins is gebleken of aannemelijk gemaakt dat de verdachte geen uitdrukkelijke mondelinge toestemming heeft gegeven tot het doen van die huiszoeking. Het gerecht ziet bovendien geen reden om te twijfelen aan het verslag van de huiszoeking te [adres], zoals dat is opgenomen in het ambtsedig proces-verbaal van de politie. Het eerst bij pleidooi gevoerde verweer is bovendien niet onderbouwd met feiten of omstandigheden die kunnen wijzen op gegrondheid daarvan.

Het gerecht is, gelet op het vorenstaande, dan ook van oordeel dat de stelling van de verdediging onvoldoende met feiten en/of omstandigheden is gesubstantieerd en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Medeplegen

Voor medeplegen van een strafbaar feit is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders vereist. Dit impliceert dat hun opzet gericht is op het gezamenlijk verrichten van de strafbare gedraging. Hiervoor is nodig dat ieder van hen substantieel - zij het intellectueel of materieel - bijdraagt aan de verwezenlijking van het door hen beoogde strafbare feit. Die bijdrage wordt in de regel geleverd tijdens het plegen van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van dat feit. Die bijdrage kan echter worden geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.1

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de verdachte, de medeverdachten [C] en [medeverdachte B] (nader te noemen: [B]), de bevindingen van de politie tijdens de huiszoeking te [adres] (de woning van de verdachte en haar partner [C]) en de tussen de verdachte en [B] uitgewisselde whatsappberichten, concludeert het gerecht dat de verdachte cocaïne en marihuana aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft, samen met [C], op verzoek van [B] die een bergplaats nodig had voor de aan hem geleverde pakketten verdovende middelen, tegen het vooruitzicht van een geldelijke vergoeding de verdovende middelen in bewaring genomen. Zij heeft door deze handeling een substantiële bijdrage geleverd aan de tenlastegelegde strafbare gedragingen, waarbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachten [C] en [B]. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de delicten in kwestie.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder C, van de Landsverordening verdovende middelen,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid onder C, van de Landsverordening verdovende middelen,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met haar mededaders schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne (ruim vijf kilo) en marihuana (ruim 35 kilo). Cocaïne en marihuana zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen, die vérstrekkende gevolgen hebben voor de gebruikers daarvan en voor de maatschappij. De handel in verdovende middelen gaat immers vaak gepaard met geweldcriminaliteit en leidt tot vele vormen van criminaliteit bij de verslaafden. Daarnaast hebben verdachte en haar mededaders door hun strafbare gedraging een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Aan verdachte werd voor het in bewaring nemen van voormelde verdovende middelen een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht gesteld. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten voordele van verdachte geldt dat zij niet eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. In haar voordeel geldt ook dat zij openheid van zaken heeft gegeven en haar rol in het feitencomplex, in vergelijking tot die van haar mededaders, geringer is gebleken te zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat nu haar partner gedetineerd is zij, sinds de schorsing van haar voorlopige hechtenis, in haar eigen onderhoud en in die van haar kind heeft moeten voorzien. Het gerecht houdt in het voordeel van de verdachte ook rekening met de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur. Het gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan een misdrijf schuldig te maken. Het gerecht overweegt daarbij dat, nu verdachtes voorlopige hechtenis reeds is geschorst, het van hardheid zou getuigen indien zij thans het resterende deel van een haar geheel onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf zou moeten ondergaan, hoewel er, objectief gezien, wel voldoende reden voor het opleggen van een dergelijke straf is.

9 Inbeslaggenomen voorwerpen

A. Onttrekking aan het verkeer

Ten aanzien van de in beslag genomen cocaïne en marihuana, met verpakking, zal onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken, omdat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten met betrekking tot die voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

B. Teruggave

De teruggave zal worden gelast van het in beslag genomen geldbedrag à Afl. [bedrag] en de mobiele telefoon van het merk en model [merk] [model], aan de verdachte nu die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:19, 1:20, 1:21, 1:62, 1:74, 1:75, 1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierhonderd-eneenenvijftig (451) dagen;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoer-legging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot driehonderdenvijfenzestig (365) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

onttrekt aan het verkeer de in rubriek 9A genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in rubriek 9B genoemde voorwerpen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. Sap en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 5 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 ECLI:NL:GHARL:2016:437