Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:130

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
105 van 2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak. Feit 1: Medeplegen in bezit hebben cocaïne (ruim 5 kilo). Feit 2: Medeplegen in bezit hebben marihuana (ruim 35 kilo). Feit 3: Vervoer cocaïne. Verweren tot bewijsuitsluiting (geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij verdachte) en het ontbreken van bewijs mbt het medeplegen, verworpen. Overweging ten overvloede mbt toepassing artikel 413 Sv. Bij strafoplegging onder meer rekening gehouden met feit dat verdachte een belangrijke schakel vormde voor vervoer en handel in verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteland],

wonende in [woonplaats],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.F.M. Zara.

De officier van justitie, mr. A. Erades, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake de feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

Voorts is onttrekking aan het verkeer gevorderd van de inbeslaggenomen cocaïne en de marihuana.

Ook is teruggave gevorderd aan de verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag à Afl. [bedrag 1], het geldbedrag à $ [bedrag 2], een [kleur 1] mobiele telefoon van het merk en model “[merk en model 1]”, een [kleur 2] mobiele telefoon van het merk en model “[merk en model 2]”, een [merk] simkaart en een [kleur] schrijfblok of notitieboek.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd conform de door hem overgelegde pleitnota.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij, op 21 november 2015 en/of 22 november 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 5.203 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening Verdovende Middelen of in de regeling Aanwijzing Verdovende Middelen I, althans enig zout van cocaïne als vorenbedoeld, in bezit of aanwezig heeft gehad;

(artikel 3 van de Landsverordening verdovende middelen)

Feit 2

hij, op 21 november 2015 en/of 22 november 2015, te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 35.861 gram hennep, althans een hoeveelheid hennep, in ieder geval enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen, in bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad;

(artikel 4 Landsverordening Verdovende Middelen)

3. hij, op 22 november 2015 te Aruba, opzettelijk 973,9 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening Verdovende Middelen of in de regeling Aanwijzing Verdovende Middelen I, althans enig zout van cocaïne als vorenbedoeld, heeft vervoerd;

(artikel 3 Landsverordening Verdovende Middelen)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

1. hij, op 21 november 2015 en/of 22 november 2015 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 5.203 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening Verdovende Middelen of in de regeling Aanwijzing Verdovende Middelen I, althans enig zout van cocaïne als vorenbedoeld, in bezit of aanwezig heeft gehad;

(artikel 3 Landsverordening Verdovende Middelen)

Feit 2

hij, op 21 november 2015 en/of 22 november 2015, te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk 35.861 gram hennep, althans een hoeveelheid hennep, in ieder geval enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen, in bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad;

(artikel 4 Landsverordening Verdovende Middelen)

3. hij, op 22 november 2015 te Aruba, opzettelijk 973,9 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening Verdovende Middelen of in de regeling Aanwijzing Verdovende Middelen I, althans enig zout van cocaïne als vorenbedoeld, heeft vervoerd;

(artikel 3 Landsverordening Verdovende Middelen)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

Bewijsuitsluiting

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat het Verzoek en Onderzoek Communicatie van 18 november 2015, voor telefoonnummer [telefoonnummer] bij [verdachte] in gebruik, is gebaseerd op CID-informatie. Het tapgesprek van 18 november 2015 heeft het vermoeden bij de politie doen rijzen dat [verdachte] en [F] voorbereidingshandelingen aan het treffen waren. Vanaf 18 november 2015 worden volgens de raadsman dwangmiddelen op [verdachte] toegepast. Daarvoor stelt artikel 177 Sv als voorwaarde dat sprake moet zijn van een verdenking en dus moest er ex artikel 47 SV sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bij [verdachte]. Dat blijkt echter niet uit het dossier. In casu is ook geen nader onderzoek gedaan, maar is er vanuit gegaan dat er een verdenking is en zijn dwangmiddelen toegepast. Op het moment dat gesteld wordt dat [verdachte] in verdovende middelen handelt, was er geen redelijk vermoeden van schuld. Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het gerecht overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van informatie bekomen van de Centrale Inlichtingen Dienst uit een lopend onderzoek is het vermoeden gerezen dat een op dat moment nog onbekende persoon (“[Z]”) in Aruba in verdovende middelen handelt en hier te lande een partij verdovende middelen zal ontvangen. Het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak is naar aanleiding van deze informatie aangevangen. Op 18 november 2015 is een mondelinge machtiging van de rechter-commissaris door de officier van justitie mondeling het bevel gegeven tot het afluisteren van de mobiele telefoonaansluitingen [telefoonnummer]. De mondelinge machtiging is door de rechter-commissaris op 21 november 2015 schriftelijk bevestigd. Blijkens een proces-verbaal van 17 november 2015, opgemaakt met het oog op de schriftelijke bevestiging van de mondelinge vordering tot evenbedoelde machtiging, ligt aan die vordering de navolgende informatie ten grondslag:

  • -

    dat de NN-man [Z] in verdovende middelen handelt;

  • -

    dat [Z] contact onderhoudt met een NN-man in het buitenland die verdovende middelen naar hem verstuurt;

  • -

    Dat [Z] op 16 november 2015 een telefonisch contact had met een NN-man die aan hem doorgaf dat hij “20 camas” naar hem heeft verstuurd en dat hij die, zondag aanstaande ontvangt;

  • -

    Dat [Z] gebruik maakt van de telefoonaansluiting [telefoonnummer]].

Uit de aan het strafdossier toegevoegde processen-verbaal van 17 november 2015 komt naar voren dat deze informatie aan het licht is gekomen tijdens een reeds lopend strafrechtelijk onderzoek, in welk kader onder meer telefoongesprekken zijn afgeluisterd en observaties zijn verricht. Gelet op de aard hiervan, kunnen zij, bezien in onderlinge samenhang met de verrichte observaties en overige bevindingen, redelijkerwijs aanleiding geven voor het vermoeden dat zij betrekking hebben op het voorbereiden van strafbare feiten. Op het moment dat dit onderzoek aanving, was [Z] nog een voor justitie onbekende, niet te identificeren persoon. Het is het gerecht onduidelijk waarom verdachte meent dat toen al zijn rechten waren geschonden. Tegen “[Z]” bestond toen de verdenking als bedoeld in art. 177 lid 1 onder a Sv.

Gelet op vorenstaande bevindingen kan dus niet worden staande gehouden dat de rechter-commissaris zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 177r, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat het afluisteren van de hiervoor genoemde telefoonaansluitingen met gebruikmaking van de door de rechter-commissaris verleende machtiging rechtmatig is geweest.

Daaraan kan niet afdoen dat, zoals door de raadsman is gesteld, voor de evenbedoelde telefoongesprekken en observaties een volstrekt onschuldige verklaring is te geven. Van belang is slechts of zij in redelijkheid voldoende grondslag konden bieden voor een verdenking als vorenbedoeld.

Het gerecht verwerpt voorts het betoog van de raadsman dat de rechtmatigheid van de in het onderzoek “[X]” toegepaste bijzondere opsporingsbevoegdheden pas kan worden beoordeeld, nadat tevens is onderzocht of het afluisteren van telefoonverkeer afkomstig uit een lopend onderzoek op rechtmatige wijze is geschied. Het afluisteren van dat telefoonverkeer heeft niet plaatsgevonden in kader van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak van verdachte. Zo al sprake zou zijn van het niet rechtmatig afluisteren in het onderzoek “[Y]” levert dit derhalve geen normschending op als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Een onderzoek als door de raadsman verzocht, kan derhalve achterwege blijven.

De conclusie is derhalve dat voor bewijsuitsluiting zoals door de raadsman is bepleit, geen plaats is. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gerecht geen concrete aanwijzingen ziet voor het door de raadsman geuite vermoeden dat de verdenking die de officier van justitie ten grondslag heeft gelegd aan zijn op 18 november 2015 bij de rechter-commissaris ingediende vordering is “gefabriceerd”.

Het gerecht acht het nog van belang ten overvloede het navolgende op te merken. De schending van normen als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering zal niet alleen slechts bij hoge uitzondering tot niet-ontvankelijkheid van openbaar ministerie kunnen leiden, ook voor bewijsuitsluiting als gevolg van zo’n schending zal pas plaats zijn indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Een schending van het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waarvan sprake zou zijn bij het onrechtmatig afluisteren van telefoonverkeer, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Van belang is daarbij dat kan worden vastgesteld in welk concreet belang de verdachte door de normschending is geschaad en welk nadeel hij hierdoor heeft ondervonden. Zijn belang dat het gepleegde strafbare feit niet wordt ontdekt, kan in dit verband niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Enig ander belang is door de raadsman niet gesteld. Dit brengt mee dat, ook al zou sprake zijn geweest van een onrechtmatig gegeven bevel tot afluisteren, het gerecht daarin in casu geen reden zou hebben gezien voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie of bewijsuitsluiting.

Medeplegen

De raadsman heeft aangevoerd uit het procesdossier niet kan worden gehaald dat verdachte bewust en nauw met de medeverdachten heeft samengewerkt dat hij kan worden aangemerkt als degene die zich “tezamen en in vereniging met anderen ”respectievelijk 5.203 gram cocaïne en 35.861 gram hennep in bezit of aanwezig heeft gehad. Het scenario is dat verdachte met de transport van de verdovende middelen is gaan bemoeien. Hij is zich hiermee gaan bemoeien omdat hij één kilo cocaïne wilde hebben om feest te vieren. De vraag is nu of die bemoeienis van [verdachte] een bewezenverklaring van medeplegen oplevert. Dit verweer wordt verworpen, waarbij het gerecht het volgende overweegt.

Voor medeplegen van een strafbaar feit is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders vereist. Dit impliceert dat hun opzet gericht is op het gezamenlijk verrichten van de strafbare gedraging. Hiervoor is nodig dat ieder van hen substantieel - zij het intellectueel of materieel - bijdraagt aan de verwezenlijking van het door hen beoogde strafbare feit. Die bijdrage wordt in de regel geleverd tijdens het plegen van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van dat feit. Die bijdrage kan echter worden geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de afgeluisterde gesprekken gevoerd tussen de verdachte, de medeverdachten [B] en [E], de verrichte observaties en de verklaring van [medeverdachte B], waaruit blijkt dat de verdachte zich samen met [medeverdachte E] naar het adres te [adres 2] heeft begeven en aldaar drie […]zakken en een kleine zak vermoedelijk inhoudende verdovende middelen aan [medeverdachte B] overhandigde, de bevindingen van de politie bij de aanhouding van verdachte waarbij een kiloblok cocaïne onder de passagiersstoel van de auto van verdachte is aangetroffen en de bevindingen tijdens de huiszoeking te [adres 1] ( de woning van verdachte), concludeert het gerecht dat de verdachte cocaïne en marihuana in bezit heeft gehad. Hij heeft door deze handeling een substantiële bijdrage geleverd aan de tenlastegelegde strafbare gedragingen onder 1 en 2, waarbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met zijn mededaders. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de delicten in kwestie.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder C, van de Landsverordening verdovende middelen,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid onder C, van de Landsverordening verdovende middelen,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder B, van de Landsverordening verdovende middelen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en marihuana. Cocaïne en marihuana zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen, die vérstrekkende gevolgen hebben voor de gebruikers daarvan en voor de maatschappij. De handel in verdovende middelen gaat immers vaak gepaard met geweldcriminaliteit en leidt tot vele vormen van criminaliteit bij de verslaafden. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders door hun strafbare gedraging een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een belangrijke schakel vormde voor het vervoer en de handel in verdovende middelen. Over zijn rol heeft hij op geen enkele wijze opening van zaken willen geven. Het door hem gevoerde verweer dat hij een kilo cocaïne in bezit had om daarmee feest te vieren is, gezien de illegale verblijfsstatus van verdachte, volstrekt ongeloofwaardig, maar tekenend voor de opstelling van verdachte.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is dan ook geïndiceerd.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij niet eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

9 Inbeslaggenomen voorwerpen

A. Onttrekking aan het verkeer

Ten aanzien van de in beslag genomen cocaïne en marihuana, met verpakking, 10 benzine tanken/vatten en 1 nep(kiloblok) pakket zal onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken, omdat de tenlastegelegde feiten met betrekking tot die voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

B. Teruggave

De teruggave zal worden gelast aan de verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag à Afl. [bedrag 1], het geldbedrag à $ [bedrag 2], een [kleur 1] mobiele telefoon van het merk en model “[merk en model 1]”, een [kleur 2] mobiele telefoon van het merk en model “[merk en model 2]”, een [merk] simkaart en een [kleur] schrijfblok of notitieboek, nu die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:13 , 1:62, 1:74 en 1:75 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

onttrekt aan het verkeer de in rubriek 9A genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in rubriek 9B genoemde voorwerpen;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. Sap en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 5 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.