Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1060

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-06-2017
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
AUA201802620
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terecht geoordeeld dat appellant ten tijde van de heroverweging niet meer in aanmerking kan komen voor ontslag op de voet van de Lvut, omdat hij geen ambtenaar meer was. Verweerder heeft evenwel ten onrechte daaraan de conclusie verbonden dat appellant geen belanghebbende meer is in de zin van de Lar. Gelet op het bepaalde in artikelen 3 i.s.m. 9 van de Lar, is appellant, zijnde de ontvanger van de beslissing op bezwaar, belanghebbende in de zin van de Lar. De beslissing dat het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard is dan ook niet op goede grond genomen. In zoverre is het beroep dan ook gegrond.

Dat het verzoek van appellant om – kort gezegd – met VUT te gaan, gelet op de feiten en omstandigheden op het moment van heroverweging, niet (meer) voor toewijzing in aanmerking komt, maakt zijn bezwaar evenwel ongegrond. Gelet hierop ziet het gerecht aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 17 juni 2019

LAR nr. AUA201802620

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

wonende in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa,

gericht tegen:

DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 11 december 2015 heeft verweerder de aanvraag van appellant om hem op de voet van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (hierna: Lvut) eervol ontslag te verlenen, afgewezen.

Bij beslissing van 13 juli 2018 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard.

Daartegen heeft appellant op 22 augustus 2018 beroep ingesteld.

Het gerecht heeft de zaak op 11 februari 2019 ter zitting behandeld, alwaar zijn verschenen appellant bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Standpunten van partijen

1.1

Appellant kan zich niet verenigen met de bestreden beslissing, en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk nog belanghebbende is in deze procedure, omdat zijn ontslag omgezet kan worden in een vrijwillige uitdiensttreding, dat de Lar, behalve in artikelen 12 en 14, geen grondslag biedt voor een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar en dat de beschikking waartegen zijn bezwaar zich richt, op verkeerde gronden is genomen, althans onvoldoende is gemotiveerd.

1.2

Aan de bestreden beslissing is ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 januari 2016, nadat hem op eigen verzoek ontslag is verleend, niet meer als ambtenaar kan worden aangemerkt, zodat hij op het tijdstip van heroverweging van de beschikking geen aanspraak meer kan maken op de in de Lvut geboden mogelijkheid om vrijwillig uit dienst te treden. Daarom kan hij niet meer aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van de Lar.

Wettelijk kader

2.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lvut kunnen, voor zover hier van belang, ambtenaren gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

Inhoudelijk

3.1

Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie dient de heroverweging van de beschikking waartegen bezwaar wordt gemaakt in beginsel te geschieden met toepassing van het recht, zoals dat geldt op het moment waarop de beschikking op bezwaar wordt gegeven en uitgaande van de feiten en omstandigheden ten tijde van de op het bezwaar te geven beschikking. Deze regel kan uitzondering lijden, indien sprake is van bijzondere omstandigheden.1

3.2

In dit geval is het volgende gebleken.

Appellant, ambtenaar vanaf 1 mei 2009, heeft op 13 november 2015 een aanvraagformulier VUT, ingediend ter verkrijging van VUT met ingang van 1 januari 2016.

Dit verzoek is bij beschikking van 11 december 2015 door verweerder, afgewezen.

Op 17 december 2015 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 december 2015 gericht aan de minister van Justitie, heeft appellant eervol ontslag verzocht met ingang van 1 januari 2016. Bij Landsbesluit van 14 april 2016 no. 7, is hem vervolgens op zijn verzoek van 28 december 2016, eervol ontslag verleend met ingang van 1 januari 2016.

Het bezwaar van appellant is door de bezwaaradviescommissie van de Lar, behandeld op 23 januari 2018.

3.3

Nu appellant vanaf 1 januari 2016 geen ambtenaar meer is, komt hij vanaf dat moment niet (meer) in aanmerking komt voor een ontslag op de voet van de Lvut. Het gerecht kan appellant gelet daarop dan ook niet volgen in zijn betoog dat zijn ontslag op eigen verzoek kan worden “omgezet” in een ontslag op de voet van de Lvut. Van belang is verder dat de Lvut niet is bedoeld om aan een ambtenaar die om hem moverende redenen ontslag (op grond van de Lma) vraagt, bijzondere aanspraken toe te kennen.

3.4

Dit leidt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellant ten tijde van de heroverweging – in juni 2018 – niet meer in aanmerking kan komen voor ontslag op de voet van de Lvut, omdat hij geen ambtenaar meer was. Verweerder heeft evenwel ten onrechte daaraan de conclusie verbonden dat appellant geen belanghebbende meer is in de zin van de Lar. Gelet op het bepaalde in artikelen 3 i.s.m. 9 van de Lar, is appellant, zijnde de ontvanger van de beslissing op bezwaar, belanghebbende in de zin van de Lar. De beslissing dat het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard is dan ook niet op goede grond genomen. In zoverre is het beroep dan ook gegrond.

3.5

Dat het verzoek van appellant om – kort gezegd – met VUT te gaan, gelet op de feiten en omstandigheden op het moment van heroverweging, niet (meer) voor toewijzing in aanmerking komt, maakt zijn bezwaar evenwel ongegrond. Gelet hierop ziet het gerecht aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

3.6

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar van 13 juli 2018,

- verklaart het bezwaar van appellant, gericht tegen de beschikking van 11 december 2015, ongegrond,

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing werd gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 17 juni 2019, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.

1 Zie onder meer de uitspraken van 30 mei 2005; ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7453, 20 november 2008; ECLI:NL:OGHNAA:2008:BH1284,en 9 oktober 2015; ECLI:NL:OGHACMB:2015:24