Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1050

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
CvB nrs. 1541 van 2014 en 543 van 2015
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of een natuurlijke persoon arbeider is in de zin van de LvZv is (slechts) van belang dat deze voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht. Het antwoord op deze vraag is derhalve niet afhankelijk van de omstandigheid dat een werkgever, zijnde iedere natuurlijke of rechtspersoon die hier te lande een of meer arbeiders arbeid doet verrichten, zich (al dan niet) ten onrechte heeft doen uitschrijven bij de Kamer van Koophandel of de bank.

In dit geval staat vast dat appellante tot 29 oktober 2014 in dienst was van de werkgeefster. Als zodanig was zij toen dus ook arbeider in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2017

CvB nrs. 1541 van 2014 en 543 van 2015

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv) van:

[ X ],

wonende in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat [ A ],

tegen

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

gevestigd in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij ongedateerde beslissing met kenmerk 84072341/20994/2014, door appellant ontvangen op 20 juni 2014, heeft de bank besloten dat appellante geen recht heeft op tegemoetkoming voor de periode van zwangerschapsverlof, omdat zij geen arbeider meer is in de zin van de LvZv.

1.2

Tegen deze beslissing (hierna: de bestreden beschikking 1) heeft appellante op 1 juli 2014 beroep aangetekend bij dit College. Dit beroep is geregistreerd onder nummer CvB 1541 van 2014.

1.3

Op 2 oktober 2014 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Bij beslissing van 17 februari 2015 heeft de bank appellante bericht dat hij naar aanleiding van een vonnis van 12 november 2014 in het Kort Geding tussen appellante en haar (voormalige) werkgeefster, de bestreden beschikking 1 heeft heroverwogen en een nieuwe beslissing heeft genomen, inhoudende dat appellante geen recht heeft op tegemoetkoming voor de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof omdat zij op het tijdstip van aanvang van dat verlof op 5 augustus 2014 niet verzekerd was.

1.5

Tegen deze beslissing (hierna: de bestreden beschikking 2) heeft appellante op 10 maart 2015 schriftelijk beroep aangetekend, dat is geregistreerd onder nummer CvB 543 van 2015.

1.6

Beide beroepschriften van appellante zijn behandeld op de bijeenkomst van dit college van 2 juni 2016, waarbij zijn verschenen appellante in persoon bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en namens de bank drs. M. Schaad, verzekeringsarts, en mevrouw N. Faarup, juridisch medewerker, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

2 DE BEOORDELING

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar voor de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof geen ziekengeld uit te keren en stelt zich op het standpunt dat zij op het moment van ziekmelding nog immer bij de werkgeefster [ JA ] (hierna: werkgever) in dienst was. Appellante verwijst daartoe naar een vonnis in het Kort Geding tussen haar en haar voormalige werkgeefster van 12 november 2014, waaruit blijkt dat de tussen hen bestaande arbeidsrelatie op 29 oktober 2014 is beëindigd.

2.2

Aan de bestreden beschikking 1 is ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 mei 2014 uit dienst is getreden en derhalve vanaf die datum geen arbeider meer was in de zin van de LvZv.

Aan de bestreden beschikking 2 is ten grondslag gelegd dat uit de administratie van de bank is gebleken dat de werkgeefster van appellante, op 27 juni 2014 als bedrijf bij de bank werd uitgeschreven, met als gevolg dat appellante, ondanks het voortduren van het dienstverband, vanaf die datum niet meer bij de bank verzekerd is. Het bevallingsverlof van appellante zou ingaan op 5 augustus 2014. Op dat tijdstip was zij niet (meer) verzekerd en had zij geen recht op tegemoetkoming voor de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof, aldus de bank.

2.3

In geschil is de vraag of appellante bij de aanvang van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof arbeider was in de zin van de LvZv en dientengevolge aanspraak kon maken op tegemoetkoming.

2.4

Het College overweegt als volgt.

2.5

Voor zover hier van belang wordt ingevolge artikel 1 van de LvZv onder werkgever verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon die hier te lande een of meer arbeiders arbeid doet verrichten. Ingevolge diezelfde bepaling wordt – voor zover hier van belang – onder werknemer verstaan: een ieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht.

Artikel 3, lid 1 van de LvZv bepaalt dat de arbeider in geval van ziekte krachtens de bepalingen van deze landsverordening en ongeacht het voortduren van het dienstverband tegenover de bank recht heeft op tegemoetkoming, bestaande uit uitkeringen in geld.

Ingevolge artikel 3a, lid 1 van de LvZv heeft de vrouwelijke (zwangere) arbeider gedurende een periode van maximaal 12 weken recht op een tegemoetkoming overeenkomstig artikel 5, tweede lid. Het tweede lid bepaalt dat dit recht aanvangt op hetzelfde tijdstip als het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het vierde lid bepaalt dat voor de toepassing van het tweede lid de dagen waarover de vrouwelijke arbeider ongeacht de ziekteoorzaak een tegemoetkoming heeft genoten, in de periode waarin zij recht heeft op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, maar die tegemoetkoming nog niet is ingegaan, worden aangemerkt als dagen waarover zij tegemoetkoming in verband met zwangerschap en bevalling heeft genoten.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziekmelding.

2.6

Uit de door partijen overgelegde en niet weersproken stukken, alsmede het verhandelde ter zitting, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.6.1.

Appellante is op 2 december 2013 in dienst getreden bij [ JA ] (hierna: de werkgeefster) en heeft zich op 1 april 2014 als verzekerde ingeschreven bij de bank.

2.6.2

Appellante was toen zwanger.

2.6.3

Op 16 mei 2014 heeft appellante zich op bij de bank ziek gemeld. Zij heeft toen ook verzocht om haar zwangerschapsverlof vanaf 5 augustus 2014 te laten ingaan.

2.6.4

Uit het vonnis gewezen in het Kortgeding tussen appellante en de werkgeefster van 12 november 2014 blijkt dat de tussen hen bestaande arbeidsrelatie op 29 oktober 2014 is geëindigd.

2.6.5

De werkgeefster heeft haar bedrijf op 18 juni 2014 bij de Kamer van Koophandel opgeheven c.q. uitgeschreven. Op 27 juni 2014 heeft de werkgeefster zich bij de bank laten uitschrijven.

2.7

Naar het oordeel van het College vloeit uit voornoemde wettelijke bepalingen voort dat voor de vraag of een natuurlijke persoon, arbeider is in de zin van de LvZv (slechts) van belang is dat deze voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht. Het antwoord op deze vraag is derhalve niet afhankelijk van de omstandigheid dat een werkgever, zijnde iedere natuurlijke of rechtspersoon die hier te lande een of meer arbeiders arbeid doet verrichten, zich (al dan niet) ten onrechte heeft doen uitschrijven bij de Kamer van Koophandel of de bank.

In dit geval staat vast dat appellante tot 29 oktober 2014 in dienst was van de werkgeefster. Als zodanig was zij toen dus ook arbeider in de zin van de LvZv. Nu haar zwangerschapsverlof op 5 augustus 2014 is aangevangen en zij toen nog arbeider was, heeft zij gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht op tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3a van de LvZv.

2.8

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is het College van oordeel dat de bestreden beschikkingen niet in stand kunnen blijven en moeten worden vernietigd. Het College zal tevens bepalen dat de bank binnen drie maanden een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen het College in deze uitspraak heeft overwogen.

3 DE BESLISSING

Het college:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de ongedateerde beslissing met kenmerk 84072341/20994/2014 en de beslissing van 17 februari 2015;

- draagt de bank op om binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het verzoek van appellante, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Aldus gegeven op 15 juni 2017 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, J.R. Geerman en E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.