Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:105

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
EJ nr. 970 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

civiel-ej-gezag ex artikel 1:253c-omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 14 februari 2017

Behorend bij EJ nr. 970 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[X] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,

tegen

[Y] ,

wonende in Aruba,

VERWEERDER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. H.U. Thielman.

Belanghebbende:

[Z], de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 28 april 2016,

  • -

    het verweerschrift, ingediend op 23 augustus 2016,

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 23 augustus 2016, waaruit blijkt dat partijen bijgestaan door hun gemachtigden zijn verschenen. Namens de Voogdijraad is aanwezig mevrouw A. Emmanuel.

  • -

    het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 14 november 2016,

  • -

    de griffiersaantekeningen van de voortzetting van de behandeling achter gesloten deuren op 13 december 2016, waaruit blijkt dat partijen bijgestaan door hun gemachtigden zijn verschenen. Namens de Voogdijraad is aanwezig mevrouw G. Hoogvliets.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

De minderjarige is op [datum] 2009 in Aruba geboren uit de relatie tussen partijen. Zij is op [datum] 2009 door de vader erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de minderjarige alleen uit.

3 HET VERZOEK

3.1

Het verzoek strekt ertoe om de vader gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarige te belasten en om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader te bepalen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de vader aangevoerd dat hij meer betrokkenheid wenst in de belangrijke aangelegenheden aangaande de minderjarige en dat hij de minderjarige een stabiele woonomgeving kan bieden waar zij met regelmaat en structuur kan opgroeien.

3.2

De moeder concludeert tot afwijzing van het verzoek.

3.3.

Beide partijen hebben voorts toelating verzocht om kosteloos te mogen procederen en hebben, ieder voor zich, een door de directeur van de directie Sociale Zaken afgegeven bewijs van onvermogen overgelegd.

4 DE BEOORDELING

Gezag

4.1

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BW). Artikel 1:253c lid 1 BW biedt de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (lid 2).

4.2

Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. De vraag die de rechter in dat kader onder meer dient te beantwoorden is of er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen.

4.3

De moeder heeft zich tegen het verzoek verzet en heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat partijen niet met elkaar kunnen communiceren en dat communicatie tussen hen ook onmogelijk is, omdat de vader agressief is en dagelijks drugs en/of alcohol gebruikt. De moeder wil daarom geen contact met hem. Anders dan de vader stelt, heeft hij nooit interesse getoond voor de belangrijke aangelegenheden van de minderjarige, en is het eigenlijk zijn moeder die achter dit verzoek zit. De moeder van de vader (grootmoeder v/z) handelt alsof de minderjarige haar kind is en zij de beslissingen aangaande de minderjarige moet nemen. Aldus de moeder.

4.4

In het rapport van de Voogdijraad staat dat de ouders minimaal met elkaar communiceren omtrent zaken die de minderjarige aangaan, en dat de communicatie tussen de ouders verstoord wordt door bemoeienis van de grootmoeder v/z. Deze bemoeienis zorgt ervoor dat de moeder met enige regelmaat de communicatie met de vader wenst te beëindigen. De Voogdijraad concludeert in zijn rapport dat de bezorgdheden van de vader onvoldoende gegrond zijn bevonden om hem alleen met het gezag te belasten. De Voogdijraad ziet wel voldoende aanleiding om te adviseren de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten.

4.5

Op grond van dit rapport alsmede op het verhandelde ter zitting, is het gerecht niet gebleken dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders in het geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, dan wel dat eenhoofdig gezag anderszins noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat partijen in staat zijn om met elkaar te communiceren omtrent zaken die de minderjarige aangaan. Het gerecht acht partijen geschikt en in staat de minderjarige naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden zij in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Van partijen mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat. In het belang van de minderjarige zal het gerecht daarom partijen gezamenlijk belasten met het gezag over haar.

Hoofdverblijf

4.6

Voor wat betreft het hoofdverblijf van de minderjarige overweegt het gerecht als volgt. De minderjarige woont feitelijk al een tijd bij de moeder. Nu uit onderzoek niet is gebleken dat de ontwikkeling van minderjarige bij de moeder bedreigd wordt, ziet het gerecht geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. Gelet hierop zal dit deel van het verzoek worden afgewezen.

Omgang

4.7

Ingevolge artikel 1:377a BW hebben de minderjarige en de vader recht op omgang met elkaar. Het recht op omgang wordt door de rechter slechts ontzegd wanneer een van de in het derde lid genoemde gevallen zich voordoet. Dat een van die gevallen zich in dit geval voordoet, is niet gebleken.

4.8

Partijen hebben bij de Voogdijraad een contract ondertekend waarin een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige is vastgelegd. Uit het rapport van de Voogdijraad is gebleken dat bovengenoemde omgangsregeling naar behoren verloopt. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven de omgangsregeling, zoals zij die bij de Voogdijraad zijn overeengekomen, te willen behouden.

Het gerecht zal, gelet op het voorgaande en rekening houdend met de belangen van beide ouders en die van de minderjarige, een omgangsregeling vaststellen, waarbij zoveel mogelijk zal worden aangesloten bij hetgeen partijen bij de Voogdijraad zijn overeengekomen. Bij het vaststellen van de omgangsregeling zal het gerecht tevens rekening houden met de feestdagen en de verjaardagen van elke ouder en die van de minderjarige.

4.9

Gelet op de overgelegde bewijzen van onvermogen zal het gerecht de ouders toelating verlenen om kosteloos te procederen.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

verleent partijen toelating om kosteloos te procederen,

bepaalt dat de vader, [X], voortaan gezamenlijk met de moeder, [Y], het gezag over [Z], geboren op [datum] 2009 in Aruba, zal uitoefenen,

bepaalt de omgangsregeling tussen de ouders en de minderjarige als volgt:

- om de week, van zondagmiddag 14.00 uur tot de volgende zondagmiddag 14.00 uur, waarbij de moeder de minderjarige de ene zondag naar de vader brengt en de vader de minderjarige de volgende zondag bij de moeder thuis afzet, met dien verstande dat:

* op Moederdag, de minderjarige van 9:00 uur tot 18.00 uur met de moeder doorbrengt,

* op Vaderdag, de minderjarige van 9:00 uur tot 18.00 uur met de vader doorbrengt,

* op de verjaardagen van de ouders, indien deze valt op een dag dat de andere ouder omgang heeft, de minderjarige minstens twee uren (indien doordeweeks) dan wel vier uren (indien op zaterdag) met de jarige ouder doorbrengt,

*op de verjaardag van de minderjarige,

- doordeweeks: de minderjarige brengt twee aaneengesloten uren door met de ouder met wie zij die dag geen omgang heeft;

- in het weekend: de minderjarige brengt vier aaneengesloten uren door met de ouder met wie zij die dag geen omgang heeft,

* op de eerste kerstdag en op nieuwjaar, brengt de minderjarige minstens vier aaneengesloten uren door met de ouder met wie zij die dag geen omgang heeft,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van 14 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.