Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1047

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
CvB nrs. 1087 en 1088 van 2013
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is ten eerste de vraag of appellante op de dag dat zij zich ziek meldde bij de bank nog arbeider was in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv) en als zodanig recht had op ziekengeld. Artikel 5 van de LvZv bepaalt dat de arbeider die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht heeft op een uitkering in geld. Uit deze bepaling vloeit niet voort dat voor het bestaan van de aanspraak van belang is of het dienstverband bestond op het moment van ziekmelding bij SVB. De dag van de ziekmelding is slechts van belang voor de ingangsdatum van de uitkering.

Voorts is in geschil of appellante vanaf de datum van haar zwangerschapsverlof aanspraak heeft op 100% tegemoetkoming. Uit artikel 3a van de LvZv vloeit voort dat de vrouwelijke zwangere arbeider vanaf de datum dat zij met zwangerschapsverlof gaat en voor de duur van 12 weken, recht heeft op een tegemoetkoming van 100% - in plaats van de ‘gewone’ 80% - van haar dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2017.

CvB nrs. 1087 en 1088 van 2013

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv) van:

[ X ],

wonende in Aruba,

APPELLANTE

gemachtigden: de advocaten [ A ] en [ B ],

tegen een tweetal beslissingen van 29 april 2013 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 29 april 2013, met kenmerk 86120641/20060/2013, (hierna: de bestreden beschikking 1) heeft de bank besloten dat appellante geen recht heeft op een tegemoetkoming wegens verminderde belastbaarheid door klachten gerelateerd aan haar zwangerschap, aangezien appellante op de dag van haar ziekmelding op 28 september 2012 geen arbeider meer was in de zin van de LvZv.

1.2

Tegen deze beschikking heeft appellante op 2 mei 2013 beroep aangetekend, dat is geregistreerd onder nummer CvB-1087 van 2013.

1.3

Bij beslissing van 29 april 2013, met kenmerk 86120641/20061/2013, (hierna: de bestreden beschikking 2), heeft de bank besloten dat appellante geen recht heeft op tegemoetkoming wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, aangezien appellante bij de aanvang van haar zwangerschapsverlof op 22 december 2012 geen arbeider meer was in de zin van de LvZv.

1.4

Tegen deze beschikking heeft appellante op 2 mei 2013 beroep aangetekend, dat is geregistreerd onder nummer CvB-1088 van 2013.

1.5

Op 4 juli 2013 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.6

Beide beroepen van appellante zijn op de bijeenkomst van 10 april 2014 van dit College behandeld, alwaar aanwezig waren appellante in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde [ A ] voornoemd, en namens de bank drs. M. Schaad, verzekeringsarts, en mr. B. Every, jurist, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

2 DE BEOORDELING

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de beslissingen van de bank om haar – kort samengevat – geen ziekengeld toe te kennen tijdens haar arbeidsongeschiktheid wegens klachten gerelateerd aan haar zwangerschap en gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij op de dag van haar ziekmelding nog in dienst was bij haar werkgever.

2.2

De bank heeft zich onder verwijzing naar een verklaring van de (voormalige) werkgever van appellante, [ Q ] N.V. van 16 oktober 2012, op het standpunt gesteld dat appellante op 27 september 2012 uit dienst is getreden.

2.3

In geschil is ten eerste de vraag of appellante op de dag dat zij zich ziek meldde bij de bank, op 28 september 2012, nog arbeider was in de zin van de LvZv en als zodanig recht had op ziekengeld.

2.4

Het College overweegt als volgt.

Artikel 3, lid 1 van de LvZv bepaalt dat de arbeider in geval van ziekte krachtens de bepalingen van deze landsverordening en ongeacht het voortduren van het dienstverband tegenover de bank recht heeft op tegemoetkoming, bestaande uit uitkeringen in geld.

Ingevolge artikel 3a, lid 1 van de LvZv heeft de vrouwelijke (zwangere) arbeider gedurende een periode van maximaal 12 weken recht op een tegemoetkoming overeenkomstig artikel 5, tweede lid. Het tweede lid bepaalt dat dit recht aanvangt op hetzelfde tijdstip als het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het vierde lid bepaalt dat voor de toepassing van het tweede lid de dagen waarover de vrouwelijke arbeider ongeacht de ziekteoorzaak een tegemoetkoming heeft genoten, in de periode waarin zij recht heeft op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, maar die tegemoetkoming nog niet is ingegaan, worden aangemerkt als dagen waarover zij tegemoetkoming in verband met zwangerschap en bevalling heeft genoten.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziekmelding.

2.5

Uit de overgelegde en niet weersproken stukken alsmede het verhandelde ter zitting, kan het volgende worden vastgesteld.

2.5.1

Appellante heeft zich op 13 september 2012 bij de bank laten inschrijven als arbeider werkzaam bij [ Q ] NV (hierna: de werkgever), vanaf 14 september 2012. Het SVB dagloon van appellant is bepaald op Afl. 103,85.

2.5.2

Appellante was toen zwanger. Van 27 september 2012 tot 30 september 2012 was appellante opgenomen in het ziekenhuis voor een operatieve ingreep (shirodkarplastiek) om een premature bevalling te voorkomen.

2.5.3

Appellante heeft zich op 28 september 2012 bij de bank ziek gemeld en is op 12 oktober 2012, onder controlekaart nummer 061230, voor het eerst gecontroleerd. Zij werd arbeidsongeschiktheid verklaard tot haar zwangerschapsverlof op 22 december 2012.

2.5.4

Bij brief van 16 oktober 2012 gericht aan de afdeling premieheffing van de bank, heeft de werkgever bericht dat appellante vanaf 28 september 2012 niet meer bij hem werkzaam is.

2.5.5

Bij vonnis gewezen op 22 mei 2013 in het Kort Geding tussen appellante en de bank, heeft de rechter de bank veroordeeld om bij wijze van voorschot aan appellante te betalen een bedrag, overeenkomend met een uitkering per dag van 80% van een dagloon van Afl. 103,85 over de periode van 2 oktober 2012 tot en met 16 maart 2013.

2.5.6

Op 10 juni 2013 heeft de bank aan appellante een bedrag van Afl. 7.420,35 (netto) aan ziekengeld uitbetaald.

2.6

Bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) gewezen tussen partijen op 24 februari 2015, is voornoemd kortgedingvonnis van 22 mei 2013 bevestigd. Het Hof heeft in voornoemd vonnis het volgende overwogen:

“3.3 (…) Het GEA heeft in dit verband overwogen dat voor de vraag of Orman aanspraak kan maken op ziekengeld bepalend is of zij op het moment van intreden van arbeidsongeschiktheid nog in dienstverband werkzaam was voor [ Q ]. (…) Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van het GEA. Het Hof voegt het volgende toe.

3.4

SVB meent ten onrechte dat uit artikel 5 van de Landsverordening Ziekteverzekering volgt dat niet het moment van intreden van de ziekte doch de ziekmelding het recht op uitkering krachtens die landsverordening doet ontstaan, omdat SVB pas na ontvangst van ziekmelding kan controleren of deze terecht is gedaan. Artikel 5 van de Landsverordening Ziekteverzekering bepaalt dat de arbeider die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht heeft op een uitkering in geld. Uit deze bepaling vloeit niet voort dat voor het bestaan van de aanspraak van belang is of het dienstverband bestond op het moment van ziekmelding bij SVB. De dag van de ziekmelding is, zoals het GEA onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep inzake de Landsverordening Ziektekeverzekering van 29 oktober 2007, ARAR 785 van 2007 terecht heeft overwogen, slechts van belang voor de ingangsdatum van de uitkering.

(…)

3.5

Grief I richt zich tevens tegen de overweging van het GEA dat SVB niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de afroepovereenkomst met Flexo op grond van artikel 3 van die overeenkomst reeds door haar arbeidsongeschiktheid op 27 september 2012 is geëindigd. (…) Het GEA heeft terecht overwogen dat de door SVB aan dat artikel gegeven uitleg niet juist is en daarbij verwezen naar de artikelen 7 e.v. van de afroepovereenkomst, welke uitdrukkelijk betrekking hebben op de procedure in het geval van arbeidsongeschiktheid.”

2.7

Dit College sluit zich aan bij dit oordeel van het Hof. In dit geval betekent dat, dat als vaststaand dient te worden aangenomen dat appellante op 27 september 2012 nog in dienst was van de werkgever, en dat op die dag haar arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Op grond van artikel 5 van de LvZv heeft zij vanaf de vierde dag van de ziekmelding op 28 september 2012, derhalve vanaf 1 oktober 2012 recht op ziekengeld. Dit betekent dat de bank ten onrechte heeft besloten dat appellante geen aanspraak heeft op een tegemoetkoming vanaf haar ziekmelding. De bestreden beschikking 1 dient derhalve te worden vernietigd.

2.8

Voorts is in geschil of appellante vanaf de datum van haar zwangerschapsverlof, te weten 22 december 2012 aanspraak heeft op 100% tegemoetkoming.

Het College overweegt dat uit artikel 3a van de LvZv voortvloeit dat de vrouwelijke zwangere arbeider vanaf de datum dat zij met zwangerschapsverlof gaat en voor de duur van 12 weken, recht heeft op een tegemoetkoming van 100% - in plaats van de ‘gewone’ 80% - van haar dagloon. Gelet hierop en nu appellante door de controleartsen van de bank arbeidsongeschikt was verklaard tot de datum van haar verlof op 22 december 2012, heeft zij naar het oordeel van het College vanaf 22 december 2012 recht op de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3a van de LvZv. De bestreden beschikking 2 komt dus ook voor vernietiging in aanmerking.

2.9

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard. Het College zal hieronder bepalen dat de bank ziekengeld en een tegemoetkoming aan appellante zal uitkeren. Het College zal voorts bepalen dat de aan appellante uit te keren tegemoetkomingen zullen worden verrekend met het bedrag dat zij reeds bij wijze van voorschot heeft ontvangen.

3 DE BESLISSING

Het college

In de zaak CvB 1087 van 2013

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de bank van 29 april 2013, met kenmerk 86120641/20060/2013;

bepaalt dat de bank aan appellante uitkeert het ziekengeld krachtens artikel 5 van landsverordening voor de periode vanaf 1 oktober 2012 tot 22 december 2012;

In de zaak CvB 1088 van 2013

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de bank van 29 april 2013, met kenmerk 86120641/20061/2013

bepaalt dat de bank aan appellante uitkeert de tegemoetkoming krachtens artikel 3a van de landsverordening vanaf 22 december 2012;

In beide zaken

bepaalt dat de aan appellante toekomende gelden zullen worden verrekend met hetgeen zij reeds bij wijze van voorschot heeft ontvangen.

Aldus gegeven op 15 juni 2017 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, J.R. Geerman en E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.