Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1046

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
CVB nr. 651 van 2013
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op het moment dat appellante zich voor het eerst ziek meldde wegens klachten gerelateerd aan haar zwangerschap, was zij arbeider in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv). Dat zij toen al wist dat haar dienstverband op korte termijn zou eindigen, maakt – gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 1 van de LvZv – voor haar aanspraak op tegemoetkoming niet uit. Op grond van artikel 3a, lid 1 in samenhang met lid 4 van de LvZv had appellante recht op tegemoetkoming voor de duur van 12 weken in verband met haar zwangerschap en bevalling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2017

CVB nr. 651 van 2013

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening ziekteverzekering (LvZv) van:

[ X ],

wonende in Aruba,

APPELLANT

in persoon,

tegen de beslissing van 11 maart 2013 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 11 maart 2013 heeft de bank geweigerd aan appellante ziekengeld uit te keren vanaf 7 maart 2013, aangezien zij vanaf aanvang van haar zwangerschapsverlof geen arbeider meer was in de zin van de LvZv.

1.2

Tegen deze beslissing (hierna: de bestreden beschikking) heeft appellante op 20 maart 2013 schriftelijk beroep aangetekend.

1.3

Op 29 mei 2013 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 10 april 2014 van dit college behandeld, in aanwezigheid van mevrouw mr. B.M. Every, jurist, en mevrouw drs. Schaad, verzekeringsarts, namens de bank, bijgestaan door de advocaat voornoemd. Appellante is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

2 DE BEOORDELING

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ziekengeld (meer) toe te kennen en stelt zich daarbij op het standpunt dat de bestreden beschikking in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu haar was meegedeeld dat zij ziekengeld zou ontvangen tot de datum van haar bevalling en bij de bestreden beschikking hierop is teruggekomen.

2.2

Uit de door partijen overgelegde en niet weersproken stukken, en het verhandelde ter zitting kan van het volgende worden uitgegaan.

2.2.1

Appellante had een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden, tot 1 februari 2013, bij het schoonmaakbedrijf [ Q ] N.V.

2.2.2

Appellante was zwanger en haar a terme datum was 27 maart 2013. Haar zwangerschapsverlof zou ingaan op 13 februari 2013.

2.2.3

Op 24 januari 2013 heeft appellante zich bij de bank ziek gemeld, in verband met aan haar zwangerschap gerelateerde klachten. Zij heeft ziekengeld ontvangen tot en met 6 maart 2013.

2.3

Artikel 3, lid 1 van de LvZv bepaalt dat de arbeider in geval van ziekte krachtens de bepalingen van deze landsverordening en ongeacht het voortduren van het dienstverband tegenover de bank recht heeft op tegemoetkoming, bestaande uit uitkeringen in geld.

Ingevolge artikel 3a, lid 1 van de LvZv heeft de vrouwelijke (zwangere) arbeider gedurende een periode van maximaal 12 weken recht op een tegemoetkoming overeenkomstig artikel 5, tweede lid. Het tweede lid bepaalt dat dit recht aanvangt op hetzelfde tijdstip als het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het vierde lid bepaalt dat voor de toepassing van het tweede lid de dagen waarover de vrouwelijke arbeider ongeacht de ziekteoorzaak een tegemoetkoming heeft genoten, in de periode waarin zij recht heeft op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, maar die tegemoetkoming nog niet is ingegaan, worden aangemerkt als dagen waarover zij tegemoetkoming in verband met zwangerschap en bevalling heeft genoten.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziekmelding.

2.4

Aan de bestreden beschikking is ten grondslag gelegd, dat appellante bij haar ziektemelding op 24 januari 2013 dan wel controle op 27 januari 2013, heeft nagelaten de bank te melden dat haar dienstverband vanaf 1 februari 2013 zou eindigen, en dat zij bij de aanvang van haar zwangerschapsverlof – op 13 februari 2013 – geen arbeider meer was in de zin van de LvZv. Zij heeft daarom geen aanspraak op tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3a van de LvZv.

Ter zitting heeft de bank zich op het subsidiaire standpunt gesteld dat appellante, gelet op bovenvermelde bepalingen, wel aanspraak heeft op ziekengeld (80%) als bedoeld in artikel 5 van de LvZv tot de datum van haar bevalling.

2.5

Het College kan de bank niet volgen in dit standpunt. Onduidelijk is gebleven op grond waarvan de bank meent dat appellante slechts tot haar bevalling aanspraak kon maken op een tegemoetkoming. Dat zij vanaf haar bevalling niet meer arbeidsongeschikt was, kan thans niet meer worden vastgesteld en strookt evenmin met het bepaalde in artikel 3a, lid 1 van de LvZv wat betreft de tegemoetkoming tijdens het bevallingsverlof. Algemeen bekend is immers dat vrouwen die net zijn bevallen arbeidsongeschikt zijn, waarbij de wetgever (inmiddels) heeft bepaald dat de periode van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald op zes weken.

Op het moment dat appellante zich voor het eerst ziek meldde wegens klachten gerelateerd aan haar zwangerschap, was zij arbeider in de zin van de LvZv. Dat zij toen al wist dat haar dienstverband op korte termijn zou eindigen, maakt – gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 1 van de LvZv – voor haar aanspraak op tegemoetkoming niet uit. Op grond van artikel 3a, lid 1 in samenhang met lid 4 van de LvZv had appellante recht op tegemoetkoming voor de duur van 12 weken in verband met haar zwangerschap en bevalling, en wel vanaf 13 februari 2013.

2.6

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is.

3 BESLISSING

Het college

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing van 11 maart 2013 van de bank, met kenmerk 78091037/19958/2013;

- bepaalt dat de bank binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak, een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

Aldus gegeven op 15 juni 2017 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, J.R. Geerman, en E.E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.