Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1044

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
CVB nr. 3494 van 2012
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Causaal verband tussen de klachten en het ongeval kan worden vastgesteld indien komt vast te staan dat appellante voor het ongeval de klachten niet had, de klachten door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. Het ligt op de weg van appellante om het bestaan van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en het ongeval te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen.

In het licht van het verweer van de bank, had het op de weg van appellante gelegen om haar standpunt, dat er volledig causaal verband bestaat tussen haar klachten en het haar overkomen ongeval van ruim tien maanden eerder, nader te onderbouwen en toe te lichten. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2017

CVB nr. 3494 van 2012

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening Ongevallenverzekering (LOV) van:

[ X ],

wonende in Aruba,

APPELLANTE,

aanvankelijk met gemachtigde mr. [ A ], thans in persoon,

tegen de beslissing van 9 oktober 2012 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

gevestigd te Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 9 oktober 2012 (hierna: de bestreden beslissing), door appellante ontvangen op 5 november 2012, heeft de bank besloten appellante geen tegemoetkoming krachtens de LOV toe te kennen in verband met arbeidsongeschiktheid wegens rechter knie- en kuitklachten en een verminderde belastbaarheid vanaf 14 september 2012, aangezien er geen causaal verband meer kan worden vastgesteld tussen het ongeval op 4 oktober 2011 en de klachten sinds 14 september 2012.

1.2

Tegen deze beslissing heeft appellante op 26 november 2012 beroep aangetekend.

1.3

Op 8 februari 2013 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellant is op de bijeenkomst van 26 november 2015 van dit College behandeld, alwaar namens de bank aanwezig waren, mr. B. Every, juridisch adviseur, drs. M. Schaad, verzekeringsarts, en N. Faarup, juridisch medewerker, bijgestaan door de advocaat voornoemd. Appellante is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

2. DE BEOORDELING

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ongevallengeld toe te kennen, en verzoekt vernietiging van de bestreden beslissing. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat er volledig causaal verband bestaat tussen het ongeval van 4 oktober 2012 (lees 2011!) en de knieklachten en een verminderde belastbaarheid op 14 september 2012 en daarna, en heeft een bewijsaanbod gedaan.

2.2

Artikel 1 van de LOV bepaalt dat onder ongeval moet worden verstaan, een ongeval dat de arbeider in verband met zijn dienstbetrekking is overkomen.

Ingevolge artikel 3, lid 1 van de LOV heeft de arbeider aan wie een ongeval is overkomen, krachtens de bepalingen van deze landsverordening en ongeacht het voortduren van het dienstverband tegenover de bank recht op tegemoetkoming, bestaande uit uitkeringen in geld.

Ingevolge artikel 5, lid 1 van de LOV heeft de arbeider die als gevolg van het ongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, recht op een uitkering in geld, ongevallengeld genaamd, met ingang van de dag na die van de melding van het ongeval bij de bank.

2.3

In geschil is de vraag of tussen de klachten van appellante waarvoor zij zich in september 2012 arbeidsongeschikt heeft gemeld, en het haar in oktober 2011 overkomen bedrijfsongeval, causaal verband bestaat.

2.4

Het College overweegt als volgt.

Causaal verband tussen de klachten en het ongeval kan worden vastgesteld indien komt vast te staan dat appellante voor het ongeval de klachten niet had, de klachten door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. Het ligt op de weg van appellante om het bestaan van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en het ongeval te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen.

2.5

Uit de door de bank overgelegde – en door appellante niet weersproken – stukken alsmede het verhandelde ter zitting stelt het College het volgende vast.

2.5.1

Op 4 oktober 2011 werd appellante onder werktijd tijdens het besturen van een golfcart door een achteruit rijdende auto aangereden. Daarbij liep zij een contusie van de linkerschouder en linkerknie op. Dit ongeval is als een bedrijfsongeval aangemerkt.

2.5.2

Appellante heeft drie maanden na het ongeval, op 4 januari 2012, haar werkzaamheden hervat.

2.5.3

Bij ongevallen waarbij kneuzingen optreden is het gebruikelijk dat een verzekerde maximaal drie maanden ongevallengeld wordt toegekend. Drie maanden worden ruim geacht om van een dergelijk ongeval te herstellen.

2.5.4

Op 11 juli 2012 heeft appellante een kijkoperatie in beide knieën ondergaan. Op 14 september 2012 heeft zij zich bij de bank arbeidsongeschikt gemeld nadat zij niet volledig hersteld was. Uit medische informatie van de behandelend orthopeed blijkt dat de diagnose in beide knieën patellofemorale arthralgie en plica is. Dit is een ziekte en niet een gevolg van het bedrijfsongeval.

2.5.5

Appellante is vanaf 1997 bekend met knieklachten en is verschillende keren behandeld met lokale infiltraties.

2.6

Naar het oordeel van het College kan gelet op het bovenstaande niet zonder meer worden vastgesteld dat de onderhavige klachten van appellante het gevolg zijn van het haar overkomen bedrijfsongeval. In het licht van het verweer van de bank, had het op de weg van appellante gelegen om haar standpunt, dat er volledig causaal verband bestaat tussen haar klachten en het haar overkomen ongeval van ruim tien maanden eerder, nader te onderbouwen en toe te lichten. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

2.7

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bank op goede grond heeft besloten appellante geen ongevallengeld toe te kennen. Het beroep van appellante dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3 DE BESLISSING

Het college:

verklaart het beroepschrift van appellante ongegrond.

Aldus gegeven op 15 juni 2017 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, J.R. Geerman en E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.