Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1032

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
230 van 2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, na afloop van een evenement, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het gerecht is van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden geconcludeerd dat verdachte degene is geweest die op aangever heeft geschoten noch dat hij bij het schieten op aangever behulpzaam is geweest, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres] in [woonplaats],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.A.J. van der Biezen.

De officier van justitie, mr. A. Erades, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake de onder 1 primair, 2 primair (impliciet subsidiar), 3 primair (impliciet subsidiair) en 5 ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota.

De benadeelde partij ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit, [benadeelde partij 2], heeft ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding ingediend.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

hij, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba,

op of aan de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in of voor [stadion]/[locatie] te [stad],

openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4],

welk geweld bestond uit het slaan en of schoppen van de voornoemde personen

artikel 2:82 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op 30 april 2016 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, of met zware mishandeling, of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte, of zijn mededader, toen en aldaar voornoemde persoon meermalen dreigend de woorden toegevoegd: "Mi ta tirabo", althans woorden van gelijkende dreigende aard of strekking;

artikel 2:255 wetboek van strafrecht

Feit 2

hij, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, immers, heeft hij, verdachte of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen met een vuurwapen op [benadeelde partij 2] geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262/2:259 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

[medeverdachte] en/of een onbekend gebleven persoon, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, immers, heeft hij, verdachte of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen met een vuurwapen op [benadeelde partij 2] geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tot het plegen van welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen of gelegenheid heeft verschaft door het halen en overhandigen van voornoemd vuurwapen aan voornoemde schutter;

artikel 2:262/2:259 juncto artikel 1:119/1:124 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers, heeft hij, verdachte of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

meermalen met een vuurwapen op [benadeelde partij 2] geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:276/2:275 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld met gebruikmaking van een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte of zijn mededader, toen en aldaar [benadeelde partij 2] met gebruikmaking van een vuurwapen in diens been en/of buik, althans lichaam, geschoten;

artikel 2:273 lid 2 wetboek van strafrecht

Feit 3

hij, op of omstreeks 25 januari 2017 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7] van het leven te beroven, immers, heeft hij, verdachte en/of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen met een vuurwapen op en/of in de richting van voornoemde personen geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262/2:259 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op of omstreeks 25 januari 2017 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers, heeft hij, verdachte en/of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen met een vuurwapen op en/of in de richting van voornoemde personen geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:276/2:275 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

Feit 4

hij, op of omstreeks 13 februari 2017 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [benadeelde partij 8] van het leven te beroven, immers, heeft hij, verdachte en/of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

meermalen met een vuurwapen op en/of in de richting van voornoemde [benadeelde partij 8] geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262/2:259 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op of omstreeks 13 februari 2017 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, getracht heeft om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde partij 8] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

immers, heeft hij, verdachte en/of zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

meermalen met een vuurwapen op en/of in de richting van voornoemde [benadeelde partij 8] geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:276/2:275 juncto artikel 1:119 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op 13 februari 2017 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[benadeelde partij 8], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, of met zware mishandeling, of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931 ,

immers heeft hij, verdachte, of een van zijn mededaders, toen en aldaar

meermalen met een vuurwapen op en in de richting van voornoemde [benadeelde partij 8] geschoten;

artikel 2:255 wetboek van strafrecht

Feit 5

hij, in of omstreeks de periode van 30 april 2016 tot en met 13 februari 2017, te Aruba,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) voorhanden heeft gehad een vuurwapen als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening;

artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

A.Vrijspraak van de feiten 2, 3, 4 en 5

Ten aanzien van feit 2

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is het gerecht van oordeel dat op basis van het dossier niet met een voldoende mate van zekerheid geconcludeerd kan worden dat de persoon die op 30 april 2016 op [benadeelde partij 2] heeft geschoten verdachte is geweest, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.

Op 1 mei 2016 verklaart [benadeelde partij 2] in zijn aangifte dat hij in de avond van 30 april 2016 voor het gebouw van [locatie] betrokken was geraakt bij een vechtpartij en daarbij bedreigd werd te zullen worden neergeschoten. Hij zag hoe een man door iemand werd geslagen waarna die man op de grond terechtkwam. Er was een vechtpartij gaande en hij zag dat een groep mannen met een andere man die op de grond lag aan het vechten was. Hij besloot om de man die op de grond lag te gaan helpen en hij begon de groep mannen met zijn broer uit elkaar te halen. Volgens aangever werd de groep mannen toen agressief tegen hen en kreeg zijn broer een klap op zijn hoofd. Nadat hij tot tweemaal toe een man die de man op de grond aan het mishandelen was, had weggetrokken, werd hij door deze man bedreigd. Dit was volgens de aangever een man van jonge leeftijd met donkerkleurige huidskleur, slank van postuur en met rasta haar. Aangever heeft deze persoon op een foto op Facebook herkend. Wanneer hij de voornoemde foto doet toekomen aan de politie wordt de man door de politie herkend als zijnde medeverdachte [medeverdachte]. Voorts verklaart [benadeelde partij 2] in zijn aangifte dat op diezelfde avond, nadat hij naar zijn pick up was gelopen, een man met rasta haar op hem geschoten had. Deze man kwam uit voornoemde groep mannen met wie hij eerder een confrontatie had gehad.

Eerst op 25 september 2017, bijna 17 maanden na het incident en nadat aangever de verdachte tweemaal heeft gezien tijdens de proformabehandelingen ter terechtzittingen van 5 mei 2017 en 24 augustus 2017, is aangever onderworpen aan een meervoudige-fotoconfronatie. Bij die foto-confrontatie heeft aangever verdachte herkend als zijnde de schutter. Gelet op het tijdsverloop van 17 maanden en nu de aangever verdachte tot twee keer toe vóór de fotoconfrontatie heeft gezien, acht het gerecht de fotoconfrontatie onvoldoende betrouwbaar, zodat het resultaat van de fotoconfronatie niet voor het bewijs wordt gebruikt. Hierbij heeft het gerecht ook acht geslagen op het feit dat de aangever eerder toen de politie vlak na het incident in het ziekenhuis was gekomen en ook daarna in zijn aangifte niet heeft verklaard dat een van de mannen die hij eerder op de avond bij de vechtpartij had gezien op hem had geschoten. Hij had derhalve kennelijk tijdens het schieten niet de schutter herkend als zijnde één van de mannen met wie hij eerder op de avond een confrontatie had gehad. Daarbij komt dat de aangever wel heeft verklaard dat het donker was en dat hij door de verlichting van een passerende auto kon zien dat de man die op hem had geschoten rastahaar had. Blijkens het proces verbaal relaas van de politie heeft de aangever vlak na het schietincident in het ziekenhuis aan de politie verklaard dat de man die op hem had geschoten een slanke man was, met lichtbruine huidskleur en met lang haar (dreadlocks). Eerst bij de fotoconfontratie heeft de aangever verklaard dat hij door de vonk van een schot de schutter beter kon zien. Ook toen pas heeft hij verklaard dat de man die hij aanwees als schutter, de verdachte dus, deelnam aan de groep toen de vechtpartij uitbrak en dat hij samen was met de man die hij eerder had aangewezen (medeverdachte [medeverdachte]).

Het dossier biedt noch anderszins voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte degene is geweest die op aangever heeft geschoten. Volgens de aangever waren in de groep mannen die bij de vechtpartij betrokken waren twee mannen met rastahaar. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] waren op de bewuste avond aanwezig bij het evenment Mix Martiaal Arts (MMA). Uit de bewijsmiddelen volgt dat beiden aldaar betrokken zijn geraakt bij een gevecht waar aangever getuige van is geweest. Na afloop van dit gevecht zijn beiden in dezelfde richting gelopen als de gebroerders [benadeelde partijen 1 en 2]. De medeverdachte had de bewuste avond rasta haar en voldoet daarmee ook aan het door aangever aan de politie opgegeven signalement. Voorts overweegt het gerecht dat uit de uittreksels uit het algemene documentatieregister betreffende de verdachten blijkt dat beiden eerder zijn veroordeeld voor vuurwapenbezit.

Alles overwegende is het gerecht van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden geconcludeerd dat verdachte degene is geweest die op aangever heeft geschoten noch dat hij bij het schieten op aangever behulpzaam is geweest, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is het gerecht van oordeel dat op basis van het dossier niet met een voldoende mate van zekerheid geconcludeerd kan worden dat de persoon die op 25 januari 2017 op, of in de richting van, [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7] heeft geschoten verdachte is geweest, zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. Het gerecht overweegt hiertoe als volgt.

Op 20 februari 2017 heeft getuige [getuige 1], nadat hem een kopie van de foto uit het paspoort van verdachte wordt getoond, verdachte herkend als zijnde de persoon die op op 25 januari 2017 in de richting van de auto van [benadeelde partij 5] heeft geschoten. De herkenning van verdachte door getuige [getuige 1] is het resultaat van een zogenaamde enkelvoudige fotoconfrontatie. Vanwege de zwakke zelfstandige bewijswaarde van enkelvoudige fotoconfrontaties met personen die de getuige niet kent, dient zeer terughoudend te worden omgegaan met de resultaten van dit middel. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden geconcludeerd dat [getuige 1] verdachte in zodanige mate kende ten tijde van de overval, dat bedoelde enkelvoudige fotoconfrontatie tot het bewijs zou kunnen bijdragen. Daarbij komt dat [getuige 1], alvorens hij de verdachte herkende op de aan hem getoonde foto, had verklaard dat de persoon die had geschoten zou wonen in de [straatnaam 1], terwijl nergens uit blijkt dat de verdachte daar woonde of eerder had gewoond. Mede gelet op het feit dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie geen steun vindt in andere bewijsmiddelen is het gerecht van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden geconcludeerd dat verdachte de dader is geweest.

Ten aanzien van feit 4

Het gerecht heeft, met de officier van justitie en de raadsman, door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte op [benadeelde partij 8] heeft geschoten, zodat verdachte eveneens van dit feit zal worden vrijgesproken. Het gerecht overweegt hiertoe als volgt.

De verklaringen van aangever [benadeelde partij 8] en de getuige [getuige 2], voor zover inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte] als bestuurder van de Kia Rio de auto van aangever heeft achtervolgd, ingehaald en heeft gestopt zodat verdachte, als passagier van de Kia Rio, de schoten kon lossen, wordt niet ondersteund door verklaringen van onafhankelijke getuigen noch door forensisch onderzoek. Het gerecht komt derhalve tot de conclusie dat er wel voldoende wettig bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring, maar dat zij niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte de dader is.

Ten aanzien van feit 5

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman acht het gerecht evenmin bewezen dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 5 is ten laste gelegd. Het gerecht overweegt hiertoe dat, zoals ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een vuurwapen heeft geschoten en het dossier en het verhandelde ter terechtzitting noch anderszins aanknopingspunten biedt dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

B. Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat verdachte enige bijdrage heeft geleverd aan de openlijk geweldpleging en de verdachte enkel in de buurt was van de vechtpartij. Het gerecht overweegt dienaangaande als volgt.

Aangever [benadeelde partij 4] heeft op 1 mei 2016 in zijn aangifte verklaard dat hij op 30 april 2016 na afloop van het evenement MMA een klap kreeg tegen zijn hoofd. Voorafgaand aan deze klap zou hij een woordenwisseling hebben gehad met verdachte en medeverdachte [medeverdachte], die op het moment van de klap niet ver van hem vandaan liepen. Door de klap raakte [benadeelde partij 4] direct bewusteloos.

Aangever [benadeelde partij 3] heeft op 1 mei 2016 in zijn aangifte verklaard dat hij op de bewuste avond twee mannen zag die met elkaar aan het discussiëren waren. Even later zag hij dat één van de mannen de andere man een schop had toegediend waardoor de man (het gerecht begrijpt [benadeelde partij 4]) op de grond viel. Terwijl hij de man aan het helpen was voelde hij een harde klap tegen zijn borst waardoor ook hij op de grond terecht kwam. Hij zag dat ongeveer vier á 5 onbekende mannen de man die op de grond lag aan het mishandelen waren.

Aangever [benadeelde partij 2] heeft op 1 mei 2016 in zijn aangifte verklaard dat hij zag dat [benadeelde partij 3] een slag kreeg van een onbekende man waarna [benadeelde partij 3] op de grond viel. Vlak waar [benadeelde partij 3] was gevallen was er een vechtpartij gaande. Hij zag dat een groep onbekende mannen met een andere onbekende man (het gerecht begrijp [benadeelde partij 4]), die hij kent als de zoon van [naam bekende], aan het vechten was. De groep was de man op de grond flink aan het mishandelen. Terwijl [benadeelde partij 2] en zijn broer [benadeelde partijen 1] de mannen uit elkaar probreerden te halen begonnen zij zich heel agressief te gedragen en kreeg [benadeelde partij 1] een klap op zijn hoofd. Vanuit de hele groep mensen waren er slechts twee van hen voorzien van rasta haar.

Zijn broer [benadeelde partij 1] heeft op 30 april 2016 verklaard dat de bewuste avond op een gegeven moment een vechtpartij ontstond voor de ingang van de [locatie]. Hij zag dat een paar jongens met een voor hem onbekende jongen aan het vechten waren. Een onbekende jongen kwam op hem af en sloeg hem tegen zijn achterhoofd. De onbekende jongen heeft een donkere huisdskleur en rasta haar.

Getuige [getuige 3] heeft op 30 april 2016 verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte] zag vechten met een man (het gerecht begrijpt [benadeelde partij 4]). [benadeelde partij 3] had tegen [medeverdachte] gezegd het gevecht te stoppen. Nadat [benadeelde partij 3] dit zei werd hij door een onbekende man geschopt. Volgens [getuige 3] had de onbekende man, die samen was met medeverdachte [medeverdachte], een slank postuur en rasta haar en lijkt hij heel veel op [medeverdachte]. De man heeft een iets donkerder huidskleur en is ongeveer 1.60 meter. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat zij [medeverdachte] en voornoemd beschreven man samen met nog enkele andere personen zag weglopen. Volgens [getuige 3] had hij de rastaman meerdere malen met [medeverdachte] zien rijden in het gehucht Madiki. Ze waren beiden in een zwarte pick-up van het merk Chevrolet en het model s10. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij altijd samen met [medeverdachte] in een zwarte pick-up van het merk en model Chevrolet S10 rijdt.

Getuige [getuige 4] heeft op 30 april 2016 verklaard dat hij zag dat [benadeelde partij 4] op de grond viel en er een groep mannen met elkaar aan het bekvechten waren. Hij zag dat [medeverdachte] een voor hem onbekende man achter zijn hoofd sloeg (het gerecht begrijpt [benadeelde partij 1]).

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de bewuste avond bij het evenement aanwezig is geweest en medeverdachte [medeverdachte] daar heeft ontmoet. Toen [medeverdachte] en [benadeelde partij 4] een discussie kregen zou hij zijn weggelopen.


Gelet op het door de getuige [getuige 3] gegeven signalement, de verklaring van [benadeelde partij 2] dat er in de groep slechts twee mannen rasta haar hadden en de verklaring van verdachte dat hij medeverdachte [medeverdachte] bij het evenement had ontmoet en zag dat [medeverdachte] en [benadeelde partij 4] een disuccie met elkaar kregen, gaat het gerecht ervan uit dat verdachte de persoon is geweest die [benadeelde partij 3] heeft geschopt. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende dat hij is weggelopen op het moment dat de discussie ontstond tussen [medeverdachte] en [benadeelde partij 4], acht het gerecht daarom ongeloofwaardig.

Gelet op het vorenoverwogene in onderlinge samenhang bezien is het gerecht, anders dan de raadsman en met de officier van justitie, van oordeel dat verdachte niet enkel in de buurt was van de vechtpartij maar dat hij daarbij een actief aandeel en een significatie rol heeft gehad. Hij is de persoon geweest die [benadeelde partij 3] heeft geschopt. Uit de aangiftes en getuigenverklaringen blijkt voorts dat medeverdachte [medeverdachte] geweld heeft uitgeoefened jegens [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 1]. Door hun handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] terwijl zij zich in een groep bevonden elkaar gelegenheid geboden en elkaar aangemoedigd geweld te gebruiken. Daarbij acht het gerecht van belang dat het geweld zich op één locatie en in een kort tijdsbestek heeft afgespeeld. Concluderend is het gerecht van oordeel dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd, zoals onder feit 1 primair is ten laste gelegd.

Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is het gerecht van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd jegens aangever [benadeelde partij 2], zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Het gerecht overweegt daartoe dat, behoudens de verklaring van [benadeelde partij 2] dat de groep onbekende mannen zich heel agressief tegen hem en zijn broer begonnen te gedragen en de verklaring van [benadeelde partij 1] dat hij zag dat een onbekende man zijn broer aan het stoten was, het dossier daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt.

C. Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 primair heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Feit 1 primair

hij, op of omstreeks 30 april 2016 te Aruba, op of aan de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in of voor [stadion]/[locatie] te [stad],, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4], welk geweld bestond uit het slaan en/of of schoppen van de voornoemde personen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voor zover in de telastlegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het onder 1 primair bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

Voor zover de hieronder opgenomen bewijsmiddelen worden aangeduid als ‘bijlage’, betreft het bijlagen bij het proces-verbaal d.d. 8 november 2017 van het Korps Politie Aruba, Divisie Algemene Recherche, District 1, administratienummer A-100/16, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier eerste klasse, bij voormeld korps.

Bijlage A02

1. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 mei 2016 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadrier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba en ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche, voor zover inhoudende, als verklaring van [benadeelde partij 4] -zakelijk weergegeven-:

De signalementen van [medeverdachte] zijn als volgt: Hij heeft een lichte bruine huidskleur. Hij heeft donker haar met een rasta dreath stijl, tot aan zijn schouders. Hij is ongeveer 20 jaar oud. Hij is ongeveer 1.50 meter lang.

De signalementen van “[verdachte]” zijn als volgt: hij heeft donker bruin huidskleur. Hij heeft donker haar met een rasta dreath stijl, tot aan zijn schouders. Bedoelde haarstijl van “[verdachte]” is precies als die van [medeverdachte]. Hij is ongeveer 25 jaar oud. Hij is ongeveer 1.50 meter lang.

Vrijdag 29 april 2016, in de avonduren bevond ik mij bij de MMA evenement bij de [stadion]. Net voordat ik de hoofdingang uitliep, zag ik dat ik achter [medeverdachte] liep. Vervolgens zag ik dat “[verdachte]” naast mij aan mijn rechterkant liep. Op een gegeven moment voelde ik een harde klap rechts achter aan mijn hoofd.

Bijlage G04

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 mei 2016 gesloten en getekend door [verbalisant 2], brigadrier bij het Korps Politie Aruba en ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche Oranjestad, voor zover inhoudende, als verklaring van [benadeelde partij 3]-zakelijk weergegeven-:

Op 29 april 2016 was ik naar een evenement bij [locatie]. Terwijl ik binnen het stadium was, zag ik twee mannen die aan het discussieren waren. Vervolgens liep één van de mannen het stadion uit en na enkele minuten liep de andere man het stadion ook uit. Gekomen nabij de bocht van de weg, zag ik dat een voor mij onbekende man, de man die aan het bekvechten was in het stadium, een schop had toegediend. De man die geschopt werd, kwam op de grond terecht. Ik liep naar de man toe en hielp hem om op te staan. Tijdens dat ik de man aan het helpen was, voelde ik een harde klap tegenaan mijn borst. Bleek dat men mij een schop tegenaan mijn borstkas had toegediend. Van de slag kwam ik op de grond terecht. Terwijl ik mij op de grond bevond, zag ik tussen de mensen die om mij heen stonden dat er ongeveer 4 á 5 voor mij onbekende mannen een ander voor mij onbekende man die ook op de grond lag, aan het mishandelen waren.

Bijlage A01-01

3. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 mei 2016 gesloten en getekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], onderinspecteur en brigadrier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba en beide ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche, district 1, voor zover inhoudende, als verklaring van [benadeelde partij 2] -zakelijk weergegeven-:

Afgelopen vrijdag, 29 april 2016, had men een “Mix martial Art” (MMA) evenement bij [locatie] georganiseerd. Mijn broer was ook gekomen. Toen wij bij de hoofd in-/uitgangsportier waren gekomen, zag ik hoe een man op de grond viel. Ik zag dat een voor mij onbekende man hem een slag had toegediend waardoor hij op de grond terecht kwam. Ik herkende bedoelde man als een oude vriend van mij. Ik ken hem als [benadeelde partij 3]. Ik zag dat er een groep voor mij onbekende mannen met een andere voor mij onbekende man, die op de grond lag, aan het vechten waren. Terwijl mijn broer en ik bezig waren om hen uit elkaar te halen, begonnen zij heel agressief tegen ons te gedragen. Mijn broer had zelf een klap op zijn hoofd van een onbekende gekregen. Ik moest een man zelf twee keren van de man die op de grond lag weghalen, zodat hij kon ophouden om de man die op de grond lag te mishandelen.

Bijlage G01

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 30 april 2016 gesloten en getekend door [verbalisant 4], brigadrier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba en beide ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche, district 1, voor zover inhoudende, als verklaring van [benadeelde partij 1] -zakelijk weergegeven-:

Op 30 april 2016 ontstond een vechtpartij voor de ingang van de [locatie]. Ik zag dat een paar jongens met een voor mij onbekende jongen aan het vechten waren. Een onbekende jongen kwam op mij af en sloeg mij van achteren tegen mijn achterhoofd. Bedoelde jongeman heeft een donkere huidskleur en heeft rasta haar. Hij had zijn haar gebonden met een soort band en tot ongeveer zijn schouder.

Bijlage G03

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 30 april 2016 gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], respectivelijk brigadrier en brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba en beiden ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche, Oranjestad, voor zover inhoudende, als verklaring van [getuige 1]-zakelijk weergegeven-:

Op 30 april 2017 trof ik buiten het stadium voor de ingang [medeverdachte]. [medeverdachte] was met een man aan het vechten. De man ken ik als de zoon van [naam bekende]. Een man die ik als [benadeelde partij 3] ken, had tegen [medeverdachte] gezegd om het gevecht te stoppen. Nadat [benadeelde partij 3] dat tegen [medeverdachte] had gezegd, werd hij door een voor mij onbekende rasta man geschopt. De voor mij onbekende rasta man was samen met [medeverdachte]. De rasta man heeft een iets donkere huidskleur als [medeverdachte] en ik schat dat hij ongeveer 1.60 meter is. De rasta man heeft donker gekleurde dread haarstijl tot zijn schouder.

Bijlage G02

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 30 april 2016 gesloten en getekend door [verbalisant 4], brigadrier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba en ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche, district 1, voor zover inhoudende, als verklaring van [getuige 4] -zakelijk weergegeven-:

Op 30 april 2016 was ik naar de activiteiten van de MMA bij de [locatie] gegaan. Eenmaal buiten de [locatie], voor de ingang, zag ik dat de jongen wie ik bij zijn achternaam ken, namelijk [benadeelde partij 4], op de grond viel. Ik zag dat [verdachte] een voor mij onbekende man achter zijn hoofd sloeg.

Bijlage V02-01

8. Een proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 februari 2017 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadrier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba en ingedeeld bij de Divisie Algemene Recherche, district 1, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte [medeverdachte] -zakelijk weergegeven-:

Door mijn vrienden word ik [bijnaam 1verdachte] of [bijnaam 2 verdachte] genoemd. In het verleden had ik mijn haar langer. Ik had deze in een vlecht als rastahaar. Op 30 april 2016 was ik naar het evenement bij de [locatie] te [stad] gegaan. Ik heb [medeverdachte] bij het evenement ontmoet. Toen het evenement over was hadden [medeverdachte] en [benadeelde partij 4] een discussie met elkaar gekregen.

8. Een proces-verbaal ter terechtzitting van 24 november 2017, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik rijd altijd met [medeverdachte] in een zwarte pick-up van het merk en model Chevrolet S10 van mijn zus.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 2:82 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8. Oplegging van straf

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het gerecht heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, na afloop van een evenement te [locatie], schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging als gevolg waarvan de slachtoffers pijn en letsel hebben ondervonden. Dat is een ernstig feit. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke misdrijven versterken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Het gerecht heeft acht geslagen op een uittreksel uit het algemene documentatieregister betreffende de verdachte d.d. 8 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van een bij of krachtens de Vuurwapenverordening gesteld verbod.

Bij de op te leggen gevangenisstraf betrekt het gerecht de omstandigheid dat de verdachte zijn voorarrest klaarblijkelijk 24 dagen langer dan toegestaan heeft doorgebracht in een politiecel, zodat op de overwogen op te leggen gevangenisstraf een strafkorting van 24 dagen zal worden toegepast.

Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat geen andere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

9 Benadeelde partij

Nu het onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen zal worden verklaard, wordt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:62 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering.

11 Beslissing

Het gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 4 en 5 ten laste gelegd feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 299 (tweehonderdnegenenegentig) dagen;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. Schoemaker en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 15 december 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.